KNMI-seismoloog Houtgast schrok wakker van trillingen; "Ik dacht meteen: dit is een aardbeving'

DE BILT, 14 APRIL. In een fraaie, witte villa op het terrein van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) huist de tien man sterke afdeling Seismologie. Gisteravond laat brandde er nog volop licht. Seismoloog drs. Gerhard Houtgast (53), Nederlands grootste expert op het gebied van binnenlandse aardbevingen, is al zo'n zeventien uur op zijn post. “Vandaag was zonder twijfel de opwindendste dag uit mijn loopbaan.” zegt hij. “Sinds ik in 1966 bij het KNMI begon heb ik nooit zoiets bijzonders meegemaakt.”

Houtgast ontvangt in de kamer waar de registraties van de zes vaste seismografen in den lande binnenkomen en waar dagelijks, ook in het weekeinde en op feestdagen, de papierrollen van de recorders worden verwisseld. De signalen van de meetinstrumenten komen via de telefoon binnen. Ze worden niet alleen op papier uitgezet, maar ook op de band opgenomen en in een personal computer opgeslagen. Om negen uur 's avonds zijn de recorderpennen geheel tot rust gekomen. Al uren is er geen naschok meer geregistreerd.

De drie seismografen waarmee het KNMI in Limburg de beweging van de bodem meet (waarde per stuk: 5.000 gulden) zien er weinig indrukwekkend uit. Ze zitten in metalen cylinders ter grootte van twee op elkaar gestapelde wc-rollen en wegen slechts enkele kilo's. De seismograaf in Epen is ingegraven achter een boerderij, het Valkenburgse instrument staat in een mergelgrot en in Kerkrade bevindt het zich in een mijnschacht 200 meter onder de grond. Samen vormen ze een driekhoekig mini-meetnet, waarmee de epicentra van zwakke bevinkjes in de buurt snel kunnen worden uitgepeild.

Gisterochtend om 03.20 uur registreerden de instrumenten trouw de trillingen van de ondergrond, maar door de ongewone kracht van de beving sloegen ze prompt van de schaal. De seismografen versterken de bodembeweging honderdduizend maal. Alleen de instrumenten in het noorden kregen de hele beving erop.

Houtgast schrok gisterochtend wakker van het laagfrequente golffront dat zich vanuit de Limburgse bronhaard naar alle kanten verspreidde. Hij werd wakker van een ongeveer 10 seconden lange schudding van zijn huis in Bilthoven. “Ik dacht onmiddellijk: dit is een aardbeving, ongetwijfeld in het zuiden. Ik klom uit bed en belde het KNMI om te horen of de wachtchef al meldingen had gehad. Maar het KNMI was al niet meer te bereiken. Ik heb even het nieuws van vier uur afgewacht en ben toen hierheen gesneld. Twee collega's bleken al geruime tijd aanwezig.”

Houtgast bestudeerde met zijn collega's hoe laat de golven in de diverse meetstations in het land waren aangekomen. Op grond van deze eigen gegevens konden ze het epicentrum al snel globaal lokaliseren: iets ten noorden van Roermond. Houtgast: “Dat hebben we later op de dag moeten herzien op grond van de gegevens van andere stations uit het buitenland. Voorlopig houden we het nu op een kilometer of vijf ten zuiden van Roermond.”

“Dat is dus wat verder af van de Peelrandbreuk, want die ligt juist ten noorden. De verklaring daarvoor is, dat de breuk de aardkorst niet verticaal doorklieft maar behoorlijk schuin. De bevingshaard lag 25 kilometer onder het aardoppervlak en daardoor lag het epicentrum, het punt op het oppervlak recht boven de beving, wel degelijk ten zuiden. Eerlijk gezegd zijn we er niet eens zeker van of de bevingshaard wel in de Peelrandbreuk lag. De andere grote breuk in de buurt, de Feldbiss, ligt namelijk niet ver naar het zuiden en die helt naar het noorden.”

Overigens zijn de breuklijnen, en zeker die van de Peelrand, zichtbaar als accidenteringen in het landschap. Houtgast: “Als je weet waar je moet zoeken, zie je de breuk als een verspringing van een paar meter. De Centrale Slenk tussen de Peelrandbreuk en de Feldbiss zakt al miljoenen jaren weg ten opzichte van de omringende horsten. Het gaat in totaal om honderden meters, jaarlijks om tienden van millimeters. De schok bij Roermond veroorzaakte diep in de ondergrond een verschuiving van misschien enkele centimeters, en daarvan zal mogelijk ook in het losse materiaal aan het oppervlak iets te zien zijn.”

Om de bevingshaard nauwkeuriger uit te peilen gingen in de loop van gisteren twee KNMI-seismologen naar Limburg. De verwachting is, dat verdere naschokken de onderzoekers in staat zullen stellen tot een plaatsbepaling met een nauwkeurigheid van honderden meters.

De magnitude (sterkte) van de beving kan mogelijk nog wat exacter worden bepaald door verdere analyse van registraties in het buitenland. De schok is niet alleen gemeten in omringende landen, maar waarschijnlijk over de gehele wereld: elke beving met een magnitude van 5 of meer is in principe overal te meten, behalve in de zogeheten "schaduwzones' waar de aardbevingsgolven door breking tussen de aardmantel en de vloeibare aardkern niet kunnen worden waargenomen.

Houtgast mocht aan de schok van gisteren dan zijn finest hour beleven, het was niet de eerste keer dat hij bevingen zelf gewaar werd. “Als seismoloog ben je wat meer op bodembewegingen gespitst dan anderen. Ik voel soms in de omgeving van mijn huis mini-schokjes, kleine dreuntjes met een magnitude 1 die ik vervolgens op mijn recorders terugvind. Ook heb ik een keer in een hotel in Straatsburg, tijdens een seismologische conferentie nota bene, iets gevoeld dat later een grote aardbeving in Midden-Duitsland bleek.”

Voor een Nederlandse seismoloog is een hypergevoeligheid voor aardtrillingen geen overbodige luxe. Houtgast geeft grif toe dat Nederland in seismologisch opzicht een van de saaiste landen ter wereld is: “Daarom hebben we ook zo'n kleine afdeling. Toch is het belangrijk dat we in Nederland expertise in stand houden. Omdat we zelf deelnemen aan het internationale meetnet, kunnen wij beschikken over alle wereldwijde gegevens over aardbevingen. Dat stelt ons in staat om bijvoorbeeld risico-analyses te maken voor ondernemers die in seismisch actieve landen willen bouwen.”

Per dag registreert De Bilt gemiddeld drie à vier aardbevingen in alle delen van de wereld. Gisteren was er bijvoorbeeld ook een beving met een magnitude van 5,0 in Japan. Houtgast: “De aarde is continu in beweging en de aardbeving in Japan of de uitbarsting van de Etna hebben dan ook, in tegenstelling tot wat vele mensen denken, niets met de activiteit hier te maken.”

Het KNMI onderzoekt sinds enkele jaren ook de kleine bevinkjes in het hoge noorden van het land, in het bijzonder rond Assen. Sinds 26 december 1986 deden zich daar tot nu toe zes kleine bevinkjes voor. Samen met de Rijksgeologische Dienst, de TU Delft en de NAM onderzoekt het KNMI nu in hoeverre deze bevingen te maken hebben met verzakkingen als gevolg van de aardgaswinning. Houtgast: “Of we over een eventueel verband uiteindelijk harde uitspraken zullen kunnen doen, moeten we natuurlijk nog maar afwachten.”