Kapitaal stroomt nog toe

Alle barometers staan de laatste weken op wisselvallig of zelfs zwaar weervoor de Spaanse economie. Vanmorgen werden de inflatiecijfers voor de maand maart bekend gemaakt. Vooral prijsverhogingen in de gezondheidszorg, het vervoer, het onderwijs en andere diensten hebben voor een verhoging van het prijsindexcijfer met O,4 procent gezorgd. Als de tendens zich voortzet, komt de inflatie dit jaar uit op 6,9 procent. Dat is aanzienlijk meer dan de door de regering beoogde vijf procent en ook een stap in de verkeerde richting op de weg naar convergentie met de sterkste economieën van de EG.

De hoge inflatie zou iets beter te verteren zijn als er tenminste een flinke groei van de industriële produktie, de export en de werkgelegenheid tegenover stond. Maar dat is niet zo. De daling van het produktiecijfer was de laatste maanden met zo'n dertien procent de grootste binnen de EG, de Spaanse centrale bank noteerde over de maand februari een stijging van het handelstekort met maar liefst eenderde (vooral door hogere import) en in maart kwamen er niet veel meer dan tienduizend banen bij.

Maart is gewoonlijk een zeer goede maand voor de werkgelegenheid: de bouw trekt aan, het graan komt op, de eerste toeristen trekken naar het strand. In voorgaande jaren leidde dat tot eenentwintigduizend (1991) of zelfs drieënveertigduizend (1989) nieuwe banen. Ook in Spanje is er, kortom, een meetbare recessie, die nog wordt gemaskeerd doordat de consumptie maar niet wil afnemen. De autoverkopen noteerden dit voorjaar een stijging van bijna dertig prcent. Maar de voorspelde groei van het bruto nationaal produkt is door minister Carlos Solchaga (financiën) voor dit jaar van 3,3 tot 3 procent bijgesteld.

In het “convergentieplan” voor de monetaire unie, dat de Spaanse regering na lang beraad begin deze maand heeft bekendgemaakt en dat men binnenkort ook in Brussel bespreekt, wordt echter voor volgend jaar alweer een groeicijfer van 3,5 genoteerd. Het kabinet wil daarbij het begrotingstekort binnen vier jaar terugbrengen van vier naar één procent van het bnp. De ambitieuze doelstelling past in het heilige voornemen van de regering-Gonzalez om aansluiting te krijgen met de “rijke landen” van de EG. Solchaga wijst er graag op, dat Italië het veel moeilijker heeft om de volgende fase van de monetaire unie binnen te gaan en dat ook Nederland en België, vooral door hun hoge staatsschuld, er in sommige opzichten slechter voorstaan.

Om duidelijk te maken dat het de regering ernst is met het snoeien in de uitgaven is vorige week een besluit afgekondigd dat van de ene op de andere dag de uitkeringen voor nieuwe werklozen met tien procent verlaagde. De eisen die aan een uitkeringsgerechtigde worden gesteld, zijn aanzienlijk verscherpt. Solchaga ging zelfs zover om in een mondeling toelichting (een deel van) de werklozen van “parasitisme” te beschuldigen, opmerkelijk voor een socialistisch bewindsman. De reactie van de vakcentrales was, zoals te verwachten, furieus. Maar men heeft nog niet, zoals in 1988, naar het wapen van de algemene staking gegrepen. Onrust op het arbeidsfront heeft zich tot dusver alleen geuit in stakingen bij het openbaar vervoer en bij schoonmaakbedrijven. Geen onbelangrijke sectoren overigens, want ze raken rechtstreeks aan de belangen van het toerisme dat in het jubeljaar 1992 belangrijker is dan ooit. De overheid wil vanaf vandaag militairen inzetten om het afgrijselijk vervuilde vliegveld van Madrid schoon te maken. Rond pasen dreigt echter het horecapersoneel met acties en in hotels en restaurants zullen de soldaten waarschijnlijk minder goed voldoen.

Volgende punt op het programma van de regering is een herziening van de gezondheidszorg, waarbij privatisering één van de middelen zal zijn om de kosten te drukken en in de hand te houden. Privatisering op het gebied van telecommunicatie en openbaar vervoer, wellicht zelfs inclusief de spoorwegen, staan ook op het lijstje dat Solchaga heeft gepubliceerd.

De minister zei gisteren dat hij pas in de tweede helft van het jaar een afname van de inflatie verwacht en dat betekent dat de Spaanse rente voorlopig een paar punten boven het gemiddelde Europese niveau zal blijven. Hoge rente was immers dusver het belangrijkste wapen dat de Spaanse overheid hanteerde tegen het inflatiespook. In de loop van 1991 daalde de prime rate overigens wel met meer dan een punt tot omstreeks 13,5 procent en kelderde schatkistpapier zelfs van 14,5 naar 11,9. Niettemin bleef Spanje vorig jaar voor het buitenland aantrekkelijk: de directe investeringen stegen met 24 procent ten opzichte van 1990 en bedroegen in totaal ptas. 2,2 biljoen. Nederland is op papier verreweg de grootste investeerder in Spanje, de stijging bedroeg in '91 zelfs meer dan zeventig procent. Het beeld wordt echter ernstig vertekend doordat ook buitenlands kapitaal ons land om belastingstechnische redenen als sluis gebruikt. De eerste cijfers over 1992 duiden er op, dat Spanje het ook op dit punt moeilijker dan voorheen zal krijgen. Ook dit punt betekent de aanpassing aan Europa dus: meer zelf doen.