Het lijden van Céline in een collage van mime en dans

Voorstelling: De Reis door Raz, dansvoorziening van het zuiden. Choreografie, toneelbeeld: Hans Tuerlings; muziek: Bert Kleijn, Jan Kuiper; licht: Paul de Vrees; kostuums: Jacqueline Mayen; film: Jos Neutgens, Anne van Esch. Gezien: 11/4 Akademietheater, Utrecht. Verder: 14-18/4 Amsterdam; 22/4 Middelburg; 23/4 Haarlem; 29/4 Terneuzen.

Met zijn anti-oorlogsballet Der Grüne Tisch won de choreograaf Kurt Jooss in 1932 de eerste prijs op het Concours de Choréographie in Parijs. Daar publiceerde in hetzelfde jaar de schrijver Louis-Ferdinand Céline zijn boek Voyage au bout de la Nuit, gebaseerd op zijn ervaringen als frontsoldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Reis van Hans Tuerlings, artistiek leider van het Brabantse moderne dansgezelschap Raz, is geïnspireerd op Céline's meesterwerk. Ook Tuerlings fulmineert tegen het oorlogsgeweld, maar hij mist de zeggingskracht van zijn beide voorgangers.

De Reis van Hans Tuerlings is een museumcollectie met een reeks scènes, collages van mime, dans en slap-stick, of schilderijen. Het eerste beeld lijkt romantisch en harmonisch. Rechts op de voorgrond bespeelt een jonge vrouw, vertolkt door de mime-speelster Audrey Helwes, een mini-klavier. Het gordijn dat achter haar rug als een rode rivier uit de vergulde lijst stroomt en een vechtlustige haan zijn echter de voorbodes van naderend onheil.

Met een pistoolschot ontpopt de godin van de vrede zich als startmeester van een dodelijke strijd. Een onafwendbare dood, zoals die bezongen wordt in het Chanson de Craonne. Egidius Pluymen zingt het beroemde lied over de strijd op het plateau van Craonne lichtelijk tegen de toon aan. Hierin klinkt het valse kraaien van het grootkapitaal, dat met het aansteken van een sigaret vuur levert aan de oorlogsmachinerie.

Tuerlings maakt meteen zijn standpunt duidelijk. De macht over oorlog of vrede is in handen van een kleine bovenlaag (Helwes en Pluymen), die zich koestert in de glans van medailles en juwelen. Het volk, vertolkt door acht dansers, laat zich gewillig als slachtvee gebruiken. Slechts de vliegen hebben aandacht voor hun lijken.

Voor de vijf soldaten - Bob Eugene, Linhares Junior, Eelco Rovers, Sergio Ulhôa en Jan Zobel - ontwierp Tuerlings spannende bewegingsmotieven. Eerst vullen zij gezamenlijk de ruimte met brede, energieke gebaren en diepe, langs de grond verende stappen. De individuele emoties zijn echter in een kader geplaatst. In een enorme gouden lijst verbeeldden de dansers eerst beurtelings hun angst of wanhoop, om later als groep een schuttersstuk te vormen.

Maar Tuerlings dansstuk is soms onduidelijk en zeker niet constant van kwaliteit. Verschillende scènes zijn te breed uitgesponnen en verliezen daardoor aan kracht, zoals die van de helse hemel in het herstellingsoord. Hierin verstikt zelfs de aangrijpende solo van Linhares jr., waarin de Braziliaanse danser het psychisch en fysiek lijden van Céline verbeeldt.

De aanwezigheid van drie onervaren danseressen is mij niet duidelijk. Hun prestaties zijn onder de maat en hun aandeel zo onbelangrijk, dat het schrappen van de rollen alleen winst kan opleveren. Pas tegen het einde wint de voorstelling weer aan kracht door een korte film met beelden van een besneeuwd slagveld, terwijl langs de rand van het speelvlak een scheepje op een spoorlijn voorbij dobbert als teken dat de reis verder gaat.