Een avondje van wederspannigheid

Niets aan de hand, denk je, als je de familie Hiltink in de wachtruimte bij de Haagse politierechter ziet ronddrentelen. Vader en moeder zitten keurig in de kleren, hun dochter is een bloeiende, jonge vrouw en haar man is het type kraakheldere schoonzoon dat iedere ouder zich wenst. Wat komen deze mensen hier doen?

Na lang, zeer lang wachten krijgen we het antwoord - en dat liegt er niet om. Meneer Hiltink zou een politieagent hebben mishandeld en zich met geweld hebben verzet tegen zijn aanhouding. Meneer Hiltink? Die kleine, schrale man die nu zo'n zachtmoedige indruk maakt?

In september 1990 ging de familie Hiltink een avondje stappen in het centrum van Leiden. Schoonzoon Charles had het vervoer op zich genomen. Hij parkeerde, geheel tegen de regels, zijn auto op de stoep voor hun stamcafé. Ze waren daar een uurtje binnen toen de schoonzoon de zwaailichten van een politieauto zag. Hij repte zich naar buiten en zag dat een takelwagen bezig was zijn auto weg te slepen. Hij vroeg de agent of er nog iets te regelen viel als hij ter plekke de boete betaalde. Nee, daarvoor was het nu te laat.

Op dat moment komt meneer Hiltink naar buiten gestormd. Hij heeft inmiddels een pilsje of vijf op, dat maakt de tred wat losser. Hij hoort wat er aan de hand is en begint uit te varen tegen een van de andere agenten. Er heeft enig geduw en getrek plaats en de beschaafde worsteling eindigt wanneer de agent met zijn arm dwars door de ruit van een belendend pand gaat. Schrik en woede bij het groepje agenten dat zich nu op meneer Hiltink, tot voor kort nog een achtenswaardig burger van Leiderdorp, probeert te storten.

Inmiddels is er een groep relbeluste drinkers uit het café gekomen, aangevoerd door de fleurige dochter van meneer Hiltink, die scheldend en spugend op de agenten de eer van haar vader probeert te verdedigen. Het groepje plaatst zich tussen Hiltink en de agenten, Hiltink bereikt het café en valt in de armen van zijn vrouw, die roept: “Je gezicht bloedt!”

Hij loopt naar het toilet om zijn gezicht schoon te maken en als hij terugkomt, ziet hij twee agenten tegenover zich. “Hèm moeten we hebben”, roepen de agenten, maar dat had Hiltink allang begrepen. Hij stort zich door een zijdeur en komt op een achterplaatsje terecht. Daar wordt hij - o gerechtigheid - gepakt door de agent die hij een bloedende hand heeft bezorgd.

Die nacht moet Hiltink verder in een cel op het politiebureau van Leiden doorbrengen. Als de deur 's morgens om acht uur openzwaait, staan er vijf agenten voor hem die hem toevoegen: “Jij bent nog niet met ons klaar.” In het daaropvolgende verhoor zou Hiltink méér hebben toegegeven dan hij nu wil weten. Tegenover de politierechter verklaart hij dat hij zich van die avond weinig meer herinnert. “Ik kreeg een klap in mijn gezicht en vanaf dat moment ben ik alles kwijt.”

Hij heeft het niet getroffen met de rechter, mr. E. Timmermans, een kordate vrouw met een directheid die smoezen snel doet verschrompelen. “Dan zal ik uw geheugen even opfrissen”, zegt ze, en ze begint uitgebreid de verbalen van de agenten met hem door te nemen. Hiltink heeft er niet veel tegen in te brengen. Zijn schoonzoon, gehoord als getuige, komt hem te hulp, zoals van een ideale schoonzoon verwacht mag worden. “Die agent ging door eigen toedoen door die ruit”, zegt hij. “Mijn schoonvader werd opgeduwd door agenten en viel tegen hem aan.”

Hoornstra, de betreffende agent, is in de zaal aanwezig om te getuigen. Een boom van een man die nog steeds niet helemaal begrijpt hoe hij zich door die frêle meneer heeft kunnen laten omduwen. “Ik denk dat ik te voorzichtig ben geweest”, zegt hij tegen de rechter. “Ik zag vanuit een ooghoek zo'n man of tien uit dat café komen. Als je als agent bij een stamcafé moet komen, krijg je vaak last. Dit is een café met weinig jongeren, maar die mensen zitten daar echt niet op een Spa'tje. Ik dacht nog wel: het zal zo'n vaart niet lopen, gezien het postuur van die meneer. Maar hij pakte me bij mijn jasje beet, ik raakte uit balans, probeerde me vast te pakken en greep toen in die ruit.”

De agent wijst er met nadruk op dat de schoonzoon zich correct had gedragen. “De takelwagen was al begonnen met wegslepen. De procedure - voor mij is dat ook niet helemaal begrijpelijk - moet nu eenmaal worden afgemaakt als hij begonnen is. Ik kan me voorstellen dat men dat vervelend vindt, maar de schoonzoon accepteerde het.”

Er was niets aan de hand geweest als meneer Hiltink zich er niet mee had bemoeid. Voor de agent waren de gevolgen bijzonder vervelend. Hij moest een maand met een gewonde hand thuisblijven; met de strekfunctie van de duim zal het nooit meer goed komen. Daarom vraagt de agent aan smartegeld 800 gulden en, namens de Nederlandse staat, 779 gulden voor de materiële schade.

Hiltinks advocate, mr. A. Derksen, spreekt tegen dat haar cliënt de agent met opzet heeft verwond. “Bij mishandeling moet opzet bewezen worden”, zegt ze.

De rechter is het niet met haar eens. “Er is ook nog zoiets als voorwaardelijk opzet: als je iemand tegen een ruit drukt, moet je beseffen wat de gevolgen kunnen zijn. Er is verband tussen de duw en de verwonding.” Ook de wederspannigheid - geweld tegen een ambtenaar bij de uitoefening van zijn functie - acht zij bewezen.

“Twee nare feiten”, zegt ze. “U bent al over de vijftig, hopelijk kunnen we het als een incident beschouwen.” Ze veroordeelt Hiltink tot twee weken voorwaardelijk. Omdat hij als arbeidsongeschikte sinds kort een bescheiden inkomen heeft, legt ze hem niet de boete van 750 gulden op die de officier daarnaast geëist had. Wèl wijst ze de vorderingen van de agent en de staat toe.

“Ik vind het vreselijk wat er gebeurd is”, zegt Hiltink in zijn laatste woord. Hij voegt er uit de grond van zijn hart aan toe: “En ik vond het vreselijk om hier te moeten zitten.”

In Leiderdorp waren ze zeer verbaasd geweest over zijn gedrag. Hij heeft daar een goede kennis bij de politie die tegenover de rechtbank best wilde bevestigen dat Hiltink normaliter zeer positief denkt over de politie, ja uitgesproken veel respect heeft voor de politie. Hij vond het ook heel erg voor de agent.

“Al een bloemetje gestuurd?” vraagt de rechter langs haar neus weg.

“Dat wilde de politie niet hebben”, zegt de advocate.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.