De betrekkelijkheid van overschotten

Er zijn meer redenen waarom het onderwaarderen van de Europese landbouw desastreuze gevolgen kan hebben. De Europese problemen van overschotten zijn maar zeer relatief. Er zijn tendensen die aangeven dat de voedselvoorziening in de wereld in gevaar dreigt te komen. In The State of the World 1991 wijst het World Watch Institute op een aantal zeer zorgelijke ontwikkelingen.

De toenemende schaarste aan fris water legt duidelijke beperkingen op aan de opbrengsten in veel agrarische regio's. Over grote delen van de wereld zijn voorbeelden te vinden van een teruglopende beschikbaarheid van water, die conflicten en beperkingen voor de voedselproduktie tot gevolg hebben.

Een andere invloed van buiten de landbouw vormt de luchtvervuiling. Amerikaanse schattingen geven aan dat luchtvervuiling de oogst-opbrengsten verlaagt met vijf tot tien procent. Als derde ontwikkeling noemt het rapport dat het steeds moeilijker wordt door middel van nieuwe landbouwtechnische ontwikkelingen de huidige opbrengsten nog verder te vergroten. In Azië zijn bij voorbeeld de rijstvariëteiten die de hoogste opbrengsten geven al sinds 1966 beschikbaar. Blijkbaar zijn er daarna geen betere meer ontwikkeld.

Een belangrijke motor van de landbouw vormt de kunstmest. De fenomenale groei in de wereldvoedselproduktie tussen 1950 en 1984 was grotendeels te danken aan een vernegenvoudiging van het kunstmestverbruik. De grens aan een verantwoord gebruik is nu in veel landbouwgebieden bereikt of zelfs overschreden. Alleen in India zou een groter kunstmestgebruik nog voor hogere opbrengsten kunnen zorgen.

Een deel van de groei van de wereldvoedselproduktie eind jaren zeventig en begin jaren tachtig ging ten koste van het ploegen van zeer erosie-gevoelige gronden. Veel van deze gebieden zijn inmiddels weer verlaten.

Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat de stijging van de voedselproduktie sinds de Tweede Wereldoorlog, is omgebogen in een daling. Dit gebeurde het eerst in Afrika waar de top van de graanproduktie per inwoner in 1969 169 kg. bedroeg. Nu is dat 121 kg. In de Sovjet-Unie lag het piekjaar in 1972, in Latijns- en Noord-Amerika was dit 1981. In West-Europa en Azië werd de hoogste graanproduktie per inwoner bereikt in 1984. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat wanneer de Uruguay-ronde in de GATT-onderhandelingen wordt afgerond met prijsdalingen voor Europese boeren, de graanproduktie in Europa snel verder zal dalen.

De daling van de wereldvoedselproduktie sinds 1984 had grotere gevolgen gehad wanneer we niet hadden kunnen teren op de wereldvoorraad graan die in de jaren tachtig was opgebouwd. Deze had een recordomvang in 1987 van 461 miljoen ton. In 1990 zijn de wereldvoorraden gedaald naar 290 miljoen ton, genoeg voor nog maar 62 dagen. Om de constante stroom van graan tussen boer en consument op gang te houden is een buffervoorraad nodig van zestig dagen. Wanneer de wereldvoorraad beneden deze grens komt ontstaan zeer grillige prijsstijgingen, die sterk worden beïnvloed door de weersverwachting in de belangrijke graangebieden. De laatste keer dat dit gebeurde was in 1973 toen de voorraad voldoende was voor 55 dagen. De graanprijzen verdubbelden toen binnen enkele maanden. Dit risico is nu weer levensgroot aanwezig.

Het jaar 1990 was mondiaal een uitstekend oogstjaar met recordopbrengsten. Toch was de wereld niet in staat de graanvoorraden opnieuw aan te vullen., “De vraag wat er gebeurt met de voorraden en de prijzen wanneer we een heel slecht oogstjaar hebben zal waarschijnlijk de komende jaren worden beantwoord”, schrijven de auteurs van de State of the World 1991. De zeven vette jaren lijken achter ons te liggen.

Eind vorige maand lieten veel melkveehouders duizenden liters eersteklas melk in de mestput lopen. Het einde van het superheffingsjaar liet boeren die iets boven hun quotum uitkwamen weinig keus; of de melk gaat naar de fabriek en je legt een dubbeltje per kilogram toe, of je laat de witte motor naar de kelder gaan en het kost je verder niets. Een enkele veehouder probeerde een creatieve oplossing te vinden om de kostbare eiwitdrank nog een zinvolle bestemming te geven. In een plaatselijke krant stond in de ruilrubriek een advertentie waarin 5000 liter melk werd aangeboden voor een oude fiets.

De democratisch vastgelegde regels rond de superheffing, die 115 procent van de melkprijs bedraagt, zetten boeren tot dwaze praktijken aan. Het dumpen van overschotten is blijkbaar een geaccepteerd fenomeen. "Te veel' is een groter probleem dan "te weinig'. In het postbus 51 spotje "Let op vet' wil het eigenzinnige vorkje niet meewerken aan het consumeren van een welgevulde dis. Blijkbaar beïnvloedt de overvloed onze moraal, want de weldaad stijgt ons naar het hoofd. De provincie Noord-Holland wilde 15.000 gulden gemeenschapsgeld beschikbaar stellen om bij wijze van kunstuiting twintigduizend broden in zee te kieperen.

We komen binnen de EG bijna om in de plassen melk, bergen boter, wagonladingen rundvlees en schepen vol graan. In tien jaar tijd verdubbelden de uitgaven in het kader van het Europese landbouwbeleid. De landbouwbegroting van 1992 bedraagt 82 miljard gulden. Dit bedrag is grotendeels nodig om overschotten op te slaan of af te zetten op de wereldmarkt. De gemeenschap brengt dit offer om verzekerd te zijn van een ruim voedselaanbod tegen een constante, relatief lage prijs. Als we de prijzen voor landbouwprodukten corrigeren voor inflatie dan zijn ze sinds de jaren zeventig gedaald.

De oppositie tegen de Europese landbouwpolitiek neemt toe. De kosten van het landbouwbeleid en de overproduktie moeten omlaag. Als gevolg hiervan zet de politiek de rem op de agrarische bedrijvigheid. De boeren hebben te maken met beperkende maatregelen, quotumkortingen en prijsdalingen. In de waan van de nimmer aflatende overschotten wordt de landbouw flink gekortwiekt. Een enkeling wil nog verder gaan en vraagt zich af waarom we de landbouw niet afschaffen en ons graan uit Rusland en Amerika importeren. Alleen al om logistieke redenen zou dit niet kunnen; alle schepen van de wereld zouden het graan dat we in Europa nodig hebben nog niet kunnen aanslepen.