Crisis maakt Poolse lucht schoner; De wil om het milieu te verbeteren is er wel, maar het geld ontbreekt

KRAKOW, 14 APRIL. Prof. Jacek Walczewski kan nauwelijks blij zijn met wat hij noemt een “lichte verbetering van de luchtkwaliteit” die zich de laatste jaren boven zijn land, Polen, aftekent.

Het aarzelende herstel van een atmosfeer die door een reeks schadelijke stoffen wordt bezoedeld, heeft namelijk weinig met milieumaatregelen te maken, maar is veeleer een gevolg van de crisis waarin de Poolse economie verkeert. “Als fabrieken noodgedwongen dichtgaan, is er vanzelf ook minder uitstoot van gevaarlijk materiaal”, aldus Walczewski, expert in de verspreiding van luchtvervuiling en als zodanig verbonden aan het Poolse Instituut voor Meteorologie en Waterbeheer, afdeling Krakow in Zuid-Polen.

Het gebouw waar hij zetelt ziet er van buiten redelijk modern uit met onder andere een schotelantenne die meteorologische satellietfoto's opvangt, maar binnen zijn duidelijk de sporen waarneembaar van het “eeuwige geldgebrek” waar dit soort instellingen mee worstelt. "Wola Justowska' heet de buurt, een voor Poolse begrippen riante buitenwijk van de oude koningsstad Krakow met haar schitterende historische centrum, dat echter door de permanente zwavelneerslag ernstig is aangetast.

Walczewski staat aan het hoofd van een veertien man tellende afdeling, die sinds kort samenwerkt met het Nederlandse onderzoeksinstituut KEMA uit Arnhem. Er bestaan vergevorderde plannen om in Krakow en het naburige industriegebied Opper-Silezië een alarmeringssysteem voor wintersmog op te zetten. De KEMA heeft hier al een (onbemand) meetstation ingericht om uurgemiddelden van diverse luchtverontreinigingscomponenten te berekenen en dat station zou in het beoogde systeem een rol van belang kunnen spelen. Tot voldoening van de professor, een lange, magere man van zestig jaar, die - gelet op de beperkte middelen waarover hij beschikt - elke steun van buitenaf verwelkomt.

“'t Gaat dus langzaam iets beter”, vertelt hij op een zaterdagochtend in zijn instituut, “nadat er tot pakweg 1989 niets aan de ronduit bedroevende toestand van het Poolse milieu was veranderd. We zien nu elk geval dat bij sommige centrales de uitstoot van zwaveldioxide terugloopt, ook hier vlakbij in Skawina, waar dankzij financiële hulp van de VS althans één unit van de steenkoolcentrale negentig procent minder zwavel de lucht inspuit. Maar helaas, dat soort winst valt in het niet bij de verbeteringen die voortkomen uit sluiting van verouderde industrieën.”

Dat verschijnsel dateert trouwens niet van vandaag of gisteren. In hetzelfde Skawina sloot al in december 1981, onder druk van de bevolking en de toen verboden vakbond Solidariteit, een aluminiumsmelterij, bron van fluor dat massaal op stad en land neerdaalde. Prof. Walczewski: “De stof had een rampzalige uitwerking op de omgeving. Fluor veroorzaakt een ziekte, fluorosis, die bij mens en dier het beenderstelsel verzwakt. Vooral koeien, die van gras leven, hadden er zwaar onder te lijden. Als een boer zo'n beest een klap op de rug gaf, kon het makkelijk een paar ribben breken of door zijn poten zakken.”

Amper een jaar later ging de smelterij weer open, maar nu met een aangepast produktiessyteem, dat de lozingen tot een minimum beperkte. Intussen zit de bewuste streek nog altijd opgescheept met een aanzienlijke fluor-erfenis doordat de schadelijke verbinding zich decennialang in de bodem heeft opgehoopt. Door toevoeging van calcium, dat een neutraliserende werking heeft, proberen de boeren zich aan het kwaad te ontworstelen.

Een gecompliceerd probleem dat al jaren in Kraków zelf speelt, betreft de plaatselijke staalindustrie, die kort na de Tweede Wereldoorlog met hulp van de Sovjet-Unie tot stand kwam. Walczewski: “Krakow gold toen als een soort bolwerk van de bourgeoisie en om daar een eind aan te maken, werden boeren van buiten als arbeiders aangetrokken. Al die jaren heeft de staalproduktie het milieu enorme schade berokkend door de uitstoot van een breed spectrum aan zware metalen, koolwaterstoffen, kooldioxide en roet. Al in 1974 begon de bevolking te morren, omdat de grond zó ernstig vervuild raakte, dat land- en tuinbouw in feite onmogelijk was, maar het protest was te zwak en haalde niets uit.”

Later, begin jaren tachtig, gaf de staalproduktie een sterke daling te zien (van vijf naar drie miljoen ton per jaar) en nu dreigt de onderneming helemaal te verdwijnen door een ineffeciënte bedrijfsvoering, die tot gevolg heeft dat ze in de snel veranderende economische orde niet tegen buitenlandse concurrentie kan opboksen.

Prof. Walczewski: “Maar er werken ettelijke duizenden mensen, die zich met hand en tand tegen sluiting verzetten. Logisch, want hun baan staat op het spel. Ook Solidariteit is er faliekant tegen. Wat ze nu willen, is een algehele reorganisatie, die ook het milieu ten goede komt. Maar dat vraagt om hoge investeringen en dat kapitaal ontbreekt eenvoudig. Zo is het overal in Polen. De wil tot verbetering is aanwezig, maar waar het aan mankeert, is geld. Een joint venture met een buitenlandse firma zou uitkomst kunnen bieden. Er zijn besprekingen met diverse Westerse bedrijven gaande, maar of het lukt...”

Bij dit alles heeft Polen volgens Walczewski ook nog de handicap van een zwakke milieubeweging: “Er zijn hier wel zeven groene partijen, maar bij de laatste verkiezingen, herfst vorig jaar, kwam er niet één in het parlement. Door die verregaande versnippering weet men helaas geen vuist te maken.”

Zelf is hij, vrijwel vanaf de oprichting in 1981, lid van de PKE, de Polski Klub Ekologicny, die haar bureau vanouds in Krakow heeft. Binnen die club maakt hij deel uit van een raad van specialisten, die regelmatig door overheidsfunctionarissen wordt geraadpleegd. Walczewski: “Dat gebeurde voor het eerst in 1981, toen dat geval van de aluminiumsmelterij speelde. Ze vroegen me een overzicht te geven van de verspreiding van fluor en dat heb ik natuurlijk gedaan. Ja, ik geloof in alle bescheidenheid dat ik toen heb bijgedragen aan sluiting van de fabriek.”