Bronger

Als ik in Groningen logeer, doe ik dat graag in het Doelenhotel aan de Grote Markt, vroeger het sjiekste in de stad.

Je sliep er niet, je overnachtte daar. Voor de oorlog logeerden koningin Wilhelmina en prins Hendrik er. De koningin had 's avonds iets met meisjes in het Rode Weeshuis gedaan en Hendrik zat te drinken met de heren studenten in hun sociëteit Mutua Fides schuin tegenover het hotel. Wilhelmina stond al op het hotelbordes en staarde over de samengeschoolde menigte naar de overkant: O God, als hij maar niet dronken is. Nu, dat was hij mooi wel. Een van de dienaren die hem ondersteunden zwaaide met de prinselijke arm naar het publiek. Een straatjongen riep: “Hooghait, joen segoar is oet”, prins in de koets, het hele spul er achter aan. Voor het Doelenhotel werden de echtelieden verenigd. De koningin rukte de dode sigaar uit de mond van haar man en duwde hem naar binnen. Nog meer Gronings gejuich en een fikse ruzie.

Het is diep in de nacht als ik bij het hotel aankom. Wie zit daar op de grond bij de patattent omringd door plastic tassen en draagbaar huisvuil? Ik herken in deze zwerver ogenblikkelijk mijn jeugdvriend Bronger, eens een getalenteerd schilder, nu nog steeds vrolijk, blijmoedig en opgewekt. Ook hij herkent me direct: “Hé Paul, kroketje?”

Vol ouderwets kunstgeloof en branie kwamen ze op een ochtend bij me, Bronger en Henri de Wolf. Er was een Chagall-expositie in het Stedelijk Museum. Zoiets kwam nooit meer terug. Moesten we daar niet naar toe? Niemand heeft geld. Liften. Bronger heeft in Amsterdam een vriend die Japik heet en een riante zolder in een pakhuis aan een der grachten bewoont. Even gul als hartelijk als gastvrij. Met een gezamenlijke reissom van twee gulden vijftig op pad. Afspraak: we zien elkaar op de trap voor het Stedelijk. Geen mooi weer, toch af en toe een flard zon. Wie doet je wat? Wel een beetje aan de late kant stappen we naar binnen. Maar je kunt niet alles tegelijk zien en morgen is er ook weer een dag als we na een verkwikkende slaap en een stevig ontbijt van Japik afscheid zullen nemen. Buiten is het weer er niet aangenamer op geworden. Honger Bronger, haal jij eens een bruinbrood voor veertig cent. Wij wachten in een portiek vol hondepies. Waar blijft die Bronger nu toch? Daar komt hij met zijn eeuwig schele glimlach. Waar is ons brood? Waar onze rijksdaalder? Bronger heeft zijn mond vol chocoladeflikken. “Zit veel in. In flikken”, zegt Bronger. “Amsterdamse flikken zijn beroemd.” Hij heeft precies nog één gulden over. Door de regen. Wat een gekleum. Een kroketje kost een kwartje. Die hebben ook lang in dat spiegelvakje gelegen, zeg. Waar is die gezellige, droge grachtenzolder? Waar de stamppot-andijvie met kaantjes en sappige Hemaworst? Onderaan de trap zegt Bronger: “Blijven jullie hier, dan ga ik naar boven. Hij wil nog wel eens eenkennig doen als hij je niet kent, maar verder: Japik? Zo!”

Wat een gestommel en geschreeuw eensklaps. Wat een herrie, dat klinkt niet bepaald uitnodigend. “Verrek Bronger! Kun je niet aankloppen? Sodemieter op. Ben je gek geworden hier zo maar binnen te stappen? Eruit. Opgelazerd. Opgesodemieterd.” “Hij ligt met een meid in bed”, zegt Bronger.

Buiten nog meer regen. In de buurt van een plein met allemaal lichtjes en vrolijke cafés vinden we een park. We nemen elk een bank en gaan er onder liggen. Negentienzevenenvijftig: de eerste Vondelparkslapers. Eindelijk wordt het licht. Verstijfd sjokken we door een slapende stad. Op de hoek van de Zeedijk ruikt het naar bakker. We krijgen een oud brood voor ons laatste kwartje.

In de diepte van de nacht sta ik naast mijn hotel met Bronger kroketjes te eten. “Nog een Hamburger, Bronger? Ik moet naar bed.” “Waar slaap je”, zegt Bronger. Ik schaam me voor het hotel. “Ga met mij mee”, zegt hij gul. “Vlak onder de Martinitoren. Daar is nog een hele bank vrij. Kun je heerlijk onder liggen. Bij een lantaarnpaal. Heb je nog licht ook. Of lees je niet meer zoveel? Ga mee, Paul. Nemen we elk een bank. Weet je dat ik altijd heb gedacht dat Japik een homo was?”