Zwaarste beving tot nu toe bij Uden in 1932

ROTTERDAM, 13 APRIL. Het KNMI verricht sinds 1904 seismische metingen. Alleen van de bevingen in de twintigste eeuw is dus de sterkte vrij exact bekend. De seismografische registratie is met het verstrijken van de decennia steeds gedetailleerder geworden, zodat ook zeer zwakke bevingen kunnen worden gemeten. Pas sinds 1970 zijn de metingen onderling zo gestandaardiseerd, dat ze onderling exact kunnen worden vergeleken.

De tot nu toe zwaarste beving was die bij Uden op 20 november 1932. Deze schok met een magnitude van 4,5 à 5,0 - overigens eveneens langs de Peelrandbreuk - veroorzaakte veel paniek. In 's Hertogenbosch dacht men onder andere dat een voorraad chemicaliën in de lucht was gevlogen. In kloosters in Den Bosch en Uden ontstonden scheuren en barsten in de muren en vloeren, viel een zwaar stenen dakkruis om en stortte een schoorsteenlichaam in. Veel mensen in het getroffen gebied renden, soms in nachtkleding, de straat op. Uit vrees voor de naschokken gingen velen nog dagen na de hoofdschok gekleed naar bed of overnachtten in schuurtjes en kippenhokken.

Het ontbreken van seismografische registraties betekent niet dat er over het verre verleden geen gegevens zijn te achterhalen. Vorig jaar publiceerde het KNMI een catalogus van aardbevingen in Nederland uit de periode van 217 na Christus tot 1990, voor het groostte deel op grond van kronieken en andere historische bronnen.

Zo werd in het jaar 878, op 9 november, in Maastricht gemeld dat er een “sulcke groote aertbevinge met donder, blixem, en tempest” was geweest, “datter vele steden en casteelen in peryckelen sijn geweest te vergaen en alle vruchten der aerde sijn bedorven, soodatter sulcken honger en dieren tijd op volghde, datter veele menschen van honger vergingen en men se op de straeten dood vond.”

Een andere grote aardbeving uit de catalogus is die van het Belgische Tienen van 18 september 1692, die werd gevoeld in heel Nederland en mogelijk vergelijkbaar was met die van vandaag. Als gevolg van deze beving begonnen de klokken van de Zuiderkerk in Amsterdam te kleppen. Wellicht was de beving zwaarder dan die van vannacht, want vannacht gebeurde dat laatste niet.

Een hevige schok op 1 november 1755 bij Lissabon (60.000 doden) was tot in Noord-Nederland merkbaar. In Rotterdam werden heipalen uit de grond gerukt, in Groningen werd een groot turfschip dat op klossen op een helling stond, door het plotseling wassende water ruim een meter opgetild en voortijdig in de vaart gezet. Overal in de Nederlandse binnenwateren ontwaarde men “bewegingen zwemende naar de beroeringen van een onstuimige zee”.