Weggaan gevaarlijker dan blijven; Inwoners van Sarajevo ten prooi aan verbijstering

ZAGREB, 13 APRIL. Twee uur voordat het door de Europese Gemeenschap voorgestelde staakt-het-vuren in Bosnië-Herzegovina moet ingaan, klinkt Vera voor het eerst sinds meer dan een week wat opgewekter. “Ik heb nu tenminste een beslissing genomen”, zegt ze. “Ik ga niet weg, ik blijf, het is gewoon te gevaarlijk om weg te gaan”. Veel hoop op naleving van het staakt-het-vuren heeft ze niet. Maar na een week radeloosheid, binnenblijven in de familieflat in het centrum van de Bosnische hoofdstad Sarajevo, luisteren naar de geluiden van dichtbij ontploffende granaten, sluipschutters en artillerieduels is Vera met weinig al tevreden. “Voor morgen heeft de regering ons zelfs opgeroepen weer aan het werk te gaan”, vertelt ze. Misschien is het ergste wel voorbij, in Sarajevo.

In de loop van de week had haar stem beurtelings vastberadenheid, onsteltenis en wanhoop verraden. Vera (gescheiden, 34) woont met haar 12-jarige zoon Ivan en haar ouders aan de rand van het centrum, dat in de loop van de week meerdere malen met artilleriegeschut uit de heuvels onder vuur is genomen, naar alle waarschijnlijkheid door Servische vrijwilligers. “Hoe kan dit allemaal gebeuren, het is niet te geloven”, zei ze halverwege de week duidelijk geschokt. Het hele gezin was toen al een aantal dagen de deur niet uitgeweest, omdat sluipschutters de wandelstraat bij de katholieke kathedraal waaraan de flat ligt consequent onder vuur namen. “Ze schieten vooral op armen en benen, ze schieten niet om te doden”, merkte Vera op. Haar vader, een gepensioneerde journalist die de vorige oorlog nog heeft meegemaakt, was de eerste die na die episode weer op stap ging in een poging om aan voedsel te komen. “Gisteren kwam hij thuis met appels, tegen een prijs die mijn moeder tot grote verontwaardiging bracht. “Dat zijn de nieuwe prijzen', zei mijn vader toen eenvoudig”. Voor de enkelingen die zich af en toe overdag buiten wagen, is de straat inmiddels een bezienswaardigheid geworden. “Een flat aan de overkant is helemaal verwoest door een gek die na een hele nacht in alle richtingen te hebben geschoten, er een zelfgemaakte bom heeft laten ontploffen. Vera's gezin is het enig overgebleven in het statige negentiende-eeuwse huis, waarin zich hun woning bevindt. “Al twee keer zijn er mensen binnen geweest, om in andere flats in te breken”.

Het hele gezin had vorige week nog gedemonstreerd tegen de oorlog, een van de demonstraties die door sluipschutters onder vuur was genomen. Net als vele tienduizenden anderen in Sarajevo voelt de familie er niets voor te worden ingedeeld bij Serviërs, Kroaten of moslims. “Er zit van alles in onze familie”, zegt Vera. “Ik zou niet weten wat wij zijn, ja Joegoslaven wellicht, maar Joegoslavië schijnt niet meer te bestaan”. Het gezin vindt het eigenlijk irrelevant in welke staat het leeft. “Als het dan zo vreselijk belangrijk is, zo'n Servisch Bosnië, misschien moeten we ze dat dan maar geven”, zei Vera in wanhoop. Maar liever zou men voort willen leven in de multinationale gemeenschap die Sarajevo eeuwenlang geweest is. In die zin heeft men ook bij het referendum van vorige maand voor de onafhankelijkheid gestemd, bij gebrek aan beter eigenlijk.

In maart leken de demonstraties tegen de Servische- en moslimbarricades in de stad succesvol. Althans, ze werden neergehaald. Maar achteraf lijken de barricades na het referendum slechts een generale repetitie geweest voor die na de erkenning van Bosnië-Herzegovina als onafhankelijke staat door de EG. Demonstreren hielp niet meer, het geweld nam de overhand. “Natuurlijk zijn we bang, maar waar moeten we heen?”, vroeg Vera zich halverwege de week af. De familie besloot om in ieder geval de 12-jarige zoon bij de eerste reismogelijkheid met logeren in het buitenland te sturen. Maar juist die reismogelijkheid doet zich niet voor: “de enige mogelijkheid om te vliegen schijnt met het leger te zijn, maar zo'n vierduizend mensen verdringen zich voor die mogelijkheid”, aldus Vera. “Elke morgen ook nemen honderden mensen een bus, maar waar de reis eindigt is meestal onbekend. Daar waag ik mijn zoon niet aan”.

En dus zat er weinig anders op dan binnenblijven, bij elkaar slapend in de huiskamer met zijn solide oude muren, achter ramen die van plakband zijn voorzien, in een poging het rondvliegen van splinters bij een explosie te voorkomen. En naar TV-Sarajevo kijken, als de Serviërs tenminste niet bezig zijn de zendmast op een heuvel buiten de stad met explosieven te bestoken. De oproepen tot kalmte van de zijde van het wettig gezag van Bosnië-Herzegovina, waarmee de Servische partij SDS niets meer te maken wil hebben, vallen bij de houders van de wapens kennelijk niet in goede aarde. De verslaggeving van TV-Sarajevo brengt tenminste nog enige structuur in de waanzin. Een Servische politieagent die kant van rede en het lijdende volk had gekozen, werd in de loop van de week zelfs een volksheld.

Tegelijkertijd is de televisie de brenger van rampen en angst. Het Servische hoofdkwartier in de bergen, dat zich steeds anders noemt (Reddingscomité, Comité voor het Bewaren), wordt niet moe de binnenstad per communiqué met de totale vernietiging te bedreigen, en TV-Sarajevo in een streven naar objectiviteit leest alle communiqués keurig voor. De wanhopige man die de stuwdam bij Visegrad dreigt op te blazen als het Servische bombardement op zijn stad niet ophoudt, maakt zijn dreigement waar? Dan gaat Sarajevo eraan. De moslems weigeren een ziekenpost in een door de Serviërs voor hun eigen republiek opgeëiste wijk over te geven. Idem.

Deze zondag was de eerste dag sinds meer dan een week zonder schieten of een bombardement in Sarajevo. Dat gaf de burgers van de stad, 700.000 in getal, weer een beetje moed. De voortgaande vijandelijkheden elders in de republiek, en vooral de tienduizenden vluchtelingen die op pad zijn - het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties spreekt in een intern document van een "snel in omvang toenemende catastrofe' - kent men in Sarajevo wel, maar wie in doodsangst leeft, denkt in de eerste plaats aan zijn eigen wedervaren.

“Het is allemaal zo absurd, er is zoveel wanhoop”, meent Vera, die als het even kan morgen inderdaad naar het kantoor van de exportfirma waar ze een baan heeft wil gaan.