Waarde nationale titels gedevalueerd

Afgelopen weekeinde werd Marjolein Both voor de vijfde maal in successie Nederlands kampioene kunstzwemmen in Harderwijk. Met Tamara Zwart vormde ze ook het beste duet en de derde gouden medaille ving Both als lid van De Dolfijn-ploeg. De 20-jarige Amsterdamse onderstreepte haar suprematie als solo-kampioene bij de technische figuren. Both kreeg voor haar kür 91,408 punten, Zwart bijna vier punten minder.

Both had nauwelijks iets van de concurrentie te duchten. Maar voor haar was het NK kunstzwemmen een uitdaging, omdat ze een goede prestatie wilde neerzetten. “Het ging mij er om hoe ik het werd, door de titel te verdienen. Daar ben ik ook trots op.” Desondanks telt de titel niet zo zwaar. Het NK stond ook voor haar in de schaduw van internationale wedstrijden, waarin ze vormbehoud moet tonen voor een uitzending naar de Olympische Spelen. “Het NK was een ideale oefening”, meende zij. “Het kampioenschap duurt drie dagen, zoals bij de Olympische Spelen ook het geval zal zijn. Het NK gold daarom vooral als een vergelijking.”

Daarmee bevestigt Both de algemene teneur onder individuele sporters: de waarde van de nationale titels is sterk onderhevig aan devaluatie. Eer is niet langer de grootste drijfveer om Nederlands Kampioen te worden, maar heeft plaatsgemaakt voor het prijzengeld dat er te verdienen valt. Daarnaast dienen de nationale kampioenschappen te vaak als selectiecriteria voor grote toernooien als Olympische Spelen, Europese - of wereldkampioenschappen.

Voor de toppers houdt dat in dat de animo om deel te nemen aan een Nederlands kampioenschap laag is. Veelal zijn zij te duur voor het organisatiecomité, of hebben ze al eerder aan de voorwaarden voldaan om op een mondiaal toernooi uit te komen. Alleen de motivatie om de selectie af te dwingen voor een groter toernooi drijft sporters nog tot een krachtsinspanning. Daarbij staat alles in het teken om aan de gewenste limiet te voldoen.

Voor Peter Winnen, nationaal kampioen wielrennen in 1990, gaf de titel voldoening in een periode waarin zijn prestatiecurve een opgaande lijn vertoonde. “Het winnen van een klassieker of een behoorlijke etappe in de Tour is echter veel belangrijker. Desalniettemin rijd je wel een heel jaar in het nationale tricot en daarmee val je natuurlijk op. Financieel levert het niet zoveel voordelen op. Je contract wordt aangepast en voor de criteriums krijg je meer startgeld. Bovendien krijg je er negentig FICP-punten voor.”

In andere takken van sport komen de besten zelfs niet eens opdagen. Jan Timman bijvoorbeeld. Hij neemt al jaren niet meer deel aan het NK schaken, omdat hij het prijzengeld te laag vindt en omdat hij in het NK geen uitdaging ziet. “Als ik een hoger startgeld kreeg, zou ik eerder meedoen. Maar de bond heeft dat er blijkbaar niet voor over. Het is natuurlijk vreemd dat de beste schaker niet deelneemt aan een nationale titelstrijd. Maar de toppers vallen af zodra ze het landelijke niveau ontstijgen. Dat is heus niet uniek voor Nederland.”

Zwemster Hansje Bunschoten vindt het Nederlandse kampioenschap een sfeerloze bedoening geworden. “De waarde van een titel is niet zo hoog. Mij ging het destijds vooral om de gezelligheid rondom een titelstrijd. Tegenwoordig dient het NK vooral als selectiecriteria voor de sporters. Je kunt er een plaats voor de Olympische Spelen, WK of EK mee afdwingen. Wat dat betreft heeft de zwembond slim gehandeld. Om voor de nationale ploeg in aanmerking te komen, moet je aan het NK meedoen. Dat is de enige selectiewedstrijd. ”

Dit jaar laten de zwemtoppers verstek gaan, omdat het Nederlandse kampioenschap zwemmen niet in de voorbereiding van de Olympische Spelen past.

Een teken te meer dat de nationale titel bij de sporters niet in een hoog aanzien staat.