Voor "herlevend nationalisme' Bolkestein geen aanleiding

Op 14 maart schreef het Tweede-Kamerlid Bolkestein in NRC Handelsblad een artikel over het Unie-Verdrag dat eind vorig jaar op de EG-top in Maastricht werd ondertekend. Het is niet gebruikelijk dat bewindspersonen via de krant in discussie treden met Kamerleden, maar het artikel van Bolkestein bevat - en dan druk ik mij nog vriendelijk uit - zoveel misverstanden, dat een uitzondering op deze regel op zijn plaats is.

Bolkestein vraagt zich af waarom de Europese Gemeenschap de verantwoordelijkheid voor zo ongeveer de gehele sociale zekerheid naar zich toe heeft getrokken. Volgens hem is dit nou juist het "vlees en bloed' van de nationale politiek. Door de sociale zekerheid tot gemeenschapsbeleid te maken, zou de Europese top de voedingsbodem hebben gelegd voor "herlevend nationalisme'. Ook ziet hij niet in hoe de Gemeenschap de kosten in de sociale zekerheid zou kunnen beheersen als de nationale politiek dit nu al niet kan.

Ik wil erop wijzen dat de sociale politiek uitvoerig is besproken bij de totstandkoming van de Europese Unie. En uiteindelijk zijn, op het Verenigd Koninkrijk na, alle lidstaten overeengekomen dat de sociale zekerheid en de sociale bescherming van werknemers uitdrukkelijk tot de bevoegdheden van de nieuwe Gemeenschap gaan behoren.

Maar toch is deze bevoegdheid niet exclusief. Er is namelijk ook afgesproken dat maatregelen met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld. Zo wordt gewaarborgd dat de sociaal-economische belangen van één lidstaat of enkele lidstaten niet worden veronachtzaamd. Voor het "herlevend nationalisme' dat Bolkestein beschrijft, bestaat naar mijn mening dan ook geen enkele aanleiding.

Bolkestein suggereert dat in geval van gemeenschapswetgeving "afwijking naar boven' niet is toegelaten. In dit verband wijs ik er op dat juist uitdrukkelijk is vastgelegd dat de lidstaten maatregelen met een hogere graad van bescherming mogen handhaven of invoeren, mits zij met het Unie-Verdrag verenigbaar zijn.

Afgesproken is dat op het terrein van de sociale zekerheid het zogeheten subsidiariteitsbeginsel in acht wordt genomen. Dit houdt in dat de Gemeenschap handelt binnen de grenzen van de haar door het Unie-Verdrag verleende bevoegdheden. De Gemeenschap treedt slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt.

Waar Bolkestein zijn conclusie op baseert dat dit beginsel in Maastricht is geschonden, is mij een raadsel.

Het is uiteraard nog te vroeg om nu al iets te zeggen over de manier waarop de Gemeenschap van de Elf van de nieuwe bevoegdheid op het terrein van de sociale zekerheid gebruik zal maken. Vooralsnog verwacht ik echter geen richtlijn op het gebied van kostenbeheersing in de sociale zekerheid. En ook met betrekking tot de Europese Monetaire Unie (EMU), voorzie ik geen opdracht uit Brussel om de kosten in de sociale zekerheid te beheersen.

Nederland zou zich te zijner tijd misschien genoodzaakt kunnen zien het financieringstekort te verlagen als het wil deelnemen aan de EMU. Maar de vraag of dit tot kostenbeheersing op het terrein van de sociale zekerheid, het milieu of anderszins moet leiden, zullen wij zelf moeten beantwoorden. Dat zal de Gemeenschap ons niet voorschrijven.

Mijn conclusie is dan ook dat de belangen van de lidstaten op het terrein van de sociale zekerheid geenszins in het gedrang zijn gekomen door het Unie-Verdrag. Bolkestein slaat wat dat betreft de plank volledig mis.