Subtiel en geraffineerd spel in Torquato Tasso

Voorstelling: Torquato Tasso van J.W. von Goethe door Het Stuc. Vertaling: Jan Decorte; regie: Paul Peyskens; toneelbeeld: Michel van Beirendonck; spel: Steven van Watermeulen, Sam Bogaerts, Viviane de Muynck, Tania van der Sanden, Johan Heestermans. Gezien: 4/4 Brakke Grond Amsterdam. Tournee t/m 18/4.

Tijdens de voorstelling van Torquato Tasso door Het Stuc uit Leuven wordt de speelvloer steeds groter en leger. Bij het begin van ieder bedrijf zakt één van de drie achter elkaar hangende doeken, totdat de acteurs uiteindelijk in een kale, holle ruimte staan.

Anders dan de ensceneringen door De Tijd en Maatschappij Discordia eerder dit seizoen is deze versie van Torquato Tasso opvallend kaal en sober. Regisseur Paul Peyskens heeft zich uiterst terughoudend opgesteld, van een dwingende interpretatie is geen sprake. Of Torquato Tasso - de Italiaanse Renaissancedichter die in dienst was van hertog Alfonso II van Ferrara - nu een zelfingenomen, paranoïde kunstenaar was of werkelijk door de autoriteiten werd beroofd van zijn artistieke vrijheid, zijn kwesties die Peyskens in het midden laat. Goethe's tekst, zo zal hij gedacht hebben, moet voor zichzelf spreken en hij koos de vertaling van Jan Decorte om die zo helder mogelijk te laten klinken.

Het is aan de vijf acteurs te danken dat die tekst, geschreven in plechtstatige vijf-voetige jamben, inderdaad tot leven komt. De acteurs wekken de indruk na te denken over wat ze zeggen en vooral ook over de manier waarop ze hun boodschap het best kunnen overbrengen. Hun dictie is zorgvuldig en het lijkt daardoor of elk woord nieuw en fris is, alsof het nooit eerder zo is gezegd. Tasso, gespeeld door Steven van Watermeulen (de bode in Thyestes), blijkt een redelijk man. Zijn opvattingen klinken uit de mond van Van Watermeulen doordacht en genuanceerd. De confrontatie met zijn rivaal staatssecretaris Antonio (Sam Bogaerts) is zodoende minder zwart-wit dan gebruikelijk. Wat hierbij zeker een rol speelt is het rustige, beheerste optreden van Bogaerts: hoewel niet van cynisme gespeend is zijn houding jegens Tasso vooral mild.

Ook de hertog (Viviane de Muynck) stelt zich welwillend op tegenover de dichter, al blijkt uit terzijdes dat hij tegelijkertijd ook zijn bedenkingen heeft tegen Tasso. De Muynck onderstreept haar woorden met prachtig subtiel spel dat in raffinement alleen door Tania van der Sanden wordt overtroffen. Wat Van der Sanden, als de door Tasso beminde prinses, met haar mimiek vermag is heel bijzonder. Ondanks haar onooglijke voorkomen - met haar stekeltjeshaar en korte broek ziet ze eruit als een spichtig kereltje - weet ze alle aandacht naar zich toe te trekken zodra ze op het toneel verschijnt.

Toch kan niemand, ook Tania van der Sanden niet, voorkomen dat de voorstelling op den duur eentonig wordt en te veel op voordrachtskunst begint te lijken. In een halfslachtige poging de ernst van de avond te relativeren hebben de acteurs rare kleren aangetrokken en eikeldopjes op het hoofd gezet (de prinses en Leonore). Deze ironische knipoog strookt niet met de toon van de voorstelling en is daarom niet alleen flauw maar ook hinderlijk. Het leidt de aandacht af van waar het in deze enscenering om gaat: de spelers en de tekst.