Plan museum Schilderswijk maakt weinig kans

DEN HAAG, 13 APRIL. In het kleine kantoor van J. Duivesteijn hangt een optimistisch balonnetje: "Volksbuurtmuseum open begin 1993'. Het museum, in de Haagse Schilderswijk, staat weliswaar al “voor driekwart in de steigers” maar of het ooit opengaat is onzeker. Wethouder A. van den Berg (cultuur) heeft de gemeenteraad geadviseerd het museum geen exploitatiesubsidie te verstrekken, omdat “niet is te verwachten dat het langer dan enkele jaren zou bestaan”.

Het idee voor een museum om de geschiedenis van de negentiende-eeuwse arbeiderswijken tentoon te stellen, dateert van 1982. In dat jaar riep Duivesteijn, actief in de Schilderswijk als redacteur van de buurtkrant, de stichting Volksbuurtmuseum in het leven. Tot dan toe had hij vooral “met de bewoners geknokt voor betere huizen”, dat wil zeggen voor afbraak van de oude wijk met zijn verrotte huizen en met alle vervuilende bedrijfjes temidden van de woningen.

“We hebben het kind met het badwater weggegooid”, zegt hij nu met iets van spijt. “De grootschalige sloop van na de oorlog is uniek. De plattegrond van hele wijken is verdwenen. Vroeger vernieuwden de steden zich "organisch'; als er een huis werd afgebroken, werd er op dezelfde plek weer een ingepast. De tastbare geschiedenis is in de jaren zeventig in de container verdwenen.”

Het gaat met name om de volksbuurten, de wijken van de middenklasse staan er nog wel. Daar kunnen de oude bewoners wandelen door hun oude winkelstraat, langs hun oude school. Vorig jaar, weet Duivesteijn, was er een reünie van het Fort, een complex langs de Parallelweg, dat dateert uit de eerste sociale woningbouw van nu 101 jaar geleden. De reünisten liepen na afloop even door de buurt om herinneringen op te halen. “Ze kwamen in tranen weer terug, alles was weg.”

Die herinneringen oproepen en bewaren is het doel van het Volksbuurtmuseum. Daartoe wordt een deel van een keuken anno 1930 ingericht met authentieke gebruiksvoorwerpen. Medewerkers van het museum zullen oude bewoners interviewen en zo het leven uit het begin van deze eeuw vastleggen. Maar de herinnering mag niet de boventoon voeren in het gebouw. In 1986 sloeg de stichting een nieuw pad in: “We moeten niet alleen meer naar het verleden kijken maar ook een maatschappelijke factor worden”, aldus Duivesteijn. Een van de functies van de volkswijken is de opvang van migranten, of ze nu van het platteland kwamen of uit het buitenland. De allochtonen die de laatste 25 jaar in de gordel van wijken rond het oude Haagse centrum zijn komen wonen, hebben geen deel aan de geschiedenis die het museum toont. In het uiteindelijke ontwerp van de Haagse architect J. Brouwer is daarom ook een theater met 120 plaatsen gepland, een cultuurtoren, een bedrijfsruimte en atelierwoningen. Daarmee voert het als het ware propaganda voor de negentiende-eeuwse symbiose van wonen en werken, die Duivesteijn nu zo mooi toeschijnt.

Die nieuwe opzet sloot ook beter aan bij de bedoelingen van het stadsbestuur in die tijd. Duivesteijns broer, wethouder A. Duivesteijn, reserveerde uit het stadsvernieuwingsfonds 3,5 miljoen gulden voor het project - “Onze plannen liepen parallel”, zegt J. Duivesteijn. Zijn broer (nu directeur van het Architectuurmuseum in Rotterdam) maakte zich als wethouder sterk voor de culturele factor in de stadsvernieuwing.

Aan die plezierige parallellie met het gemeentebestuur is nu een eind gekomen. A. Duivesteijn vertrok in juni 1989 als wethouder na een slepend conflict met zijn PvdA-collega G. van Otterloo over de kosten voor een nieuw stadhuis. En met de noodzaak flink te bezuinigen op haar begroting heeft wethouder Van den Berg (VVD) geen geld over voor het museum. Het gemeente-archief kan volgens haar voorzien in de behoefte aan herinnering.

“Krankjorem”, vindt Duivesteijn. Van den Berg gaat daarmee volgens hem geheel voorbij aan de recentere plannen met het gebouw. “Er is veel behoefte aan de culturele functie, vooral bij de allochtone bewoners in de wijk.” Zonder subsidie van de gemeente kan hij het museum niet openen. “We kunnen straks niet eens de elektriciteitsrekening betalen.”

Hij vindt het onbegrijpelijk dat de gemeente een gebouw laat neerzetten en er vervolgens niks mee wil doen. Verkopen? “In de vrije sector raken ze het toch niet kwijt. Wie wil nou een theater in de Schilderswijk?”