Nieuwe Kamergebouw ontbeert duistere hoekjes

Parlementen verhuizen zelden en als ze het doen, is het tijd voor bespiegelingen over vroeger. De stap van Binnenhof naar Plein is geografisch niet groot. Maar bij het verlaten van de oude balzaal van Willem V laten we een wereld vol herinneringen achter ons.

In de jaren vijftig was de Tweede Kamer nog een onbekende vergaderplaats. Je wist dat hij bestond en misschien had je een vaag beeld aan de hand van een krantefoto of een illustratie in een boekje over staatsinrichting - maar echt beseffen hoe zij eruit zag gebeurde pas als je voor het eerst over de rand van de tribune de zaal inkeek. Er was nog geen televisie: parlementariërs waren nog geen dagelijkse huisgenoten.

De enige bekenden waren de fractievoorzitters: regenten die de zaak goed in dehand hadden. Burger vooraan bij de socialisten, Oud achteraan bij de liberalen, Romme achteraan bij de KVP, Schouten ook achteraan bij de ARP en Tilanus ongeveer middenin het clubje van de CHU. Je kende ze van de kleine pasfoto's in de krant - de verrassing voor de nieuweling op de perstribune was dat ze ook echt bestonden. Romme rozig als een speenvarken, een spaarzaam spreker en dan nog in raadselen. Oud altijd vol staatsrechtelijke precedenten en met een stem bijna even hoog als zijn kuif. Schouten klonk als een gereformeerde kerkklok. Tilanus: altijd vriendelijk. Burger: bijna nooit vriendelijk.

De fractievoorzitters waren de baas en ze regelden met vaste hand de carrières van hun ondergeschikten. De pikorde was duidelijk, nieuwkomers moesten lang meelopen voor ze iets mochten doen. Wie goed zijn best deed mocht na een jaartje of zo wel eens op het spreekgestoelte. Romme, door een gangpad gescheiden van Schouten, moet zich eens naar zijn AR-collega hebben gebogen met de vraag: Jan, die krullebol daar voor ons, is die van jou of van mij?

Bij kabinetsformaties gaven de fractievoorzitters hun eigen persoonlijke advies aan de koningin. Toen in de tweede helft van de jaren zestig de openbaarheid ook in het formatieproces toesloeg, was dat aardig voor de journalisten en de kiezers - maar toch het meest voor het parlementaire voetvolk dat eindelijk vernam wat de bazen adviseerden. De adviezen werden fractie-adviezen en ook de back benchers mochten hun zegje doen als het om een regeerakkoord ging.

Ook de perstribune had nog iets plechtigs. De Kamerdebatten waren de exclusieve ontmoetingen van de verzuilde opvattingen. En wat de ministers te zeggen hadden was niet een herhaling van wat iedereen allang wist, maar bevatte vaak nieuws. De positie van parlementair redacteur stond hoog aangeschreven.

De kopieermachine bestond nog niet: je moest echt luisteren om het nieuws te vernemen en een lopend verslag te schrijven dat vlak voor sluitingstijd werd opgehaald door koeriers. Er werd niets onder embargo verstrekt - de fracties hadden trouwens ook nog geen voorlichters.

In de jaren vijftig waren de rangen en standen nog streng gescheiden. Niet door video-camera's en elektronische pasjes - maar door een ongeschreven sociale code. Als journalist had je niet het lef om achter de groene gordijnen te komen. Je plaats was boven en de rest was verboden gebied. Van een beveiligingsdienst had nog niemand gehoord. Door de nauwelijks bewaakte deuren kon je het gebouw makkelijk binnenlopen.

En zo kon het gebeuren dat op een regenachtige middag, toen de beminnelijke minister-president Jan de Quay (1959-1963) zijn beleid weer eens stond te verdedigen, plotseling een groepje Amerikaanse toeristen langs het stenografentrapje omhoogstommelde. Gekleed in veelkleurig regenplastic kwamen zij vlak voor de regeringstafel tot stilstand, oog in oog met de stomverbaasde premier. Je kwam het gebouw makkelijk binnen en je raakte er ook makkelijk de weg kwijt.

Halverwege de jaren zestig begon de parlementaire ambiance snel te veranderen. Er kwamen openbare commissievergaderingen - in de grote zaal die niet langer het exclusieve domein was van Kamerleden. De ruimte achter de groene gordijnen werd bekend gebied. Er kwamen fractiemedewerkers en voorlichters die teksten en standpunten verspreidden nog voor ze waren uitgesproken. Vondeling zat de Kamer voor in een gewoon pak en niet meer in rok zoals Van Thiel en Kortenhorst. De Kamerbewaarder riep niet meer aan het begin van de vergadering: “De Voorzitter” en we hoefden niet meer op te staan als hij binnentrad. De zaal kreeg een betere verlichting want de tv eiste dat. Cals was de eerste premier die op vrijdagavond alle Nederlandse huiskamers binnendrong. Toen zijn kabinet viel (in de nacht van Schmelzer, oktober 1966) werd dat door de beeldbuis een nationale gebeurtenis.

Vooral door het nationale meebeleven werd die nacht een waterscheiding. Toch was de val van het laatste kabinet-Drees (acht jaar eerder) historisch veel belangrijker. In december 1958 eindigde het roomsrode bestand dat de hele na-oorlogse herstelperiode had beheerst. Maar de betekenis van die crisis drong pas langzaam door want nog niemand kon het parlementaire debat thuis via de beeldbuis meemaken.

Een klein deel van de dramatische gebeurtenis is op film vastgelegd - maar niet het belangrijkste. De mededeling van minister Hofstra (financiën) dat hij zou aftreden als het amendement-Lucas (KVP) werd aangenomen alsmede de stemming over dat amendement viel buiten het bereik van de filmcamera. Pas na de schorsing kwam er ijlings een camera van Polygoon in de zaal zodat het nageslacht alleen maar de verklaring van premier Drees kan horen en zien.

De nieuwe zaal is vergaderzaal en tv-studio tegelijk. Het clair obscur van Thorbecke, Kappeyne, Kuyper, van de nacht van Staal, de nacht van Kersten en van al die andere mijlpalen - het is nu echt geschiedenis geworden. Zelfs de tastbare herinnering gaat verdwijnen: geen brievenbakje meer naar de tribune en ook geen krukje meer voor freule Wttewaall die te klein was om de microfoon op het spreekgestoelte op eigen kracht te bereiken.

Het sentiment van Stemerdink en de zijnen valt te begrijpen, maar niet te onderschrijven. In 1795 kwam ons eerste parlement (de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek) bijeen in de balzaal van Willem V. Bijna tweehonderd jaar later heeft het parlement nu eindelijk zijn eigen onderdak. Wat nooit wilde lukken (reeds halverwege de vorige eeuw zijn er tekeningen gemaakt voor een soort Nederlands "Paleis van Westminster'), is eindelijk voor elkaar gekomen.

Maar helaas: de nieuwe wandelgangen, commissiekamers en restaurants zijn te glad, te open, te kil. Ze scheppen het misverstand dat de parlementaire politiek tot in alle hoeken en gaten open, helder en toegankelijk is. Het oude gebouw is een doolhof van gangetjes, nissen, trappen en hoekjes waar achter de hand gesmoesd kan worden: een samengeraapte architectuur die een getrouw beeld geeft van de andere kant van de politiek - het onmisbare gedoe achter de schermen.

Het nieuwe gebouw met de gladde gangen en de kale commissiekamers doet eerder denken aan een luchthaven of een ziekenhuis dan aan een parlementaire huisvesting. Het suggereert een ideaal dat nooit werkelijkheid zal kunnen worden: dat het parlementaire bedrijf alleen maar rationeel is en geen behoefte heeft aan duistere hoekjes.