Klassieker Parijs-Roubaix toonbeeld van lafhartigheid; Een winnaar zonder vijanden

ROUBAIX, 13 APRIL. In de vroegste jaren van de legende onder de klassiekers werd de aankomst van de eerste renner op de wielerbaan van Roubaix aangekondigd met trompetgeschal. Dan stroomde het stadion vol met nieuwsgierigen om de winnaar tijdens diens laatste ronden toe te juichen. Gisteren scandeerden de duizenden Fransen rondom de betonnen piste de naam van de koploper al ver voordat deze aan zijn laatste meters was begonnen. Als was het om langs telepathische weg Gilbert Duclos-Lassalle aan te moedigen in zijn door Olaf Ludwig bedreigde solo.

In de streek met de waarschijnlijk oudste en rijkste wielertraditie werd de oudste en populairste profrenner van het land onthaald als een kampioen uit oude tijden. Het werd in het noorden een intocht voor een renner uit het zuiden. Het was tenminste een Fransman, de zeventiende Franse winnaar in de negentigjarige geschiedenis van de klassieker, een oude van bijna 38, en een sympathieke. Daar zijn zelfs de concurrenten van Duclos-Lassalle het over eens.

Al veertienmaal vertrok Duclos-Lassalle sinds 1978 voor de helletocht. Elfmaal voltooide hij tot gisteren de wedstrijd. Maar meer dan twee tweede plaatsen (1980 en '83), een vierde en een zesde waren niet voor hem weggelegd. Niettemin geldt hij als een specialist voor het beulswerk. In 1980 won hij de rittenkoers Parijs-Nice nadat hij in een sneeuwstorm van een dag rondom St.Etienne favorieten als Hinault van zich af had geschud. En in 1983 was hij de snelste in Bordeaux-Parijs, de verdwenen monsterklassieker van meer dan 600 kilometer. Solo's van ruim veertig kilometer zijn hem op het lijf geschreven.

Duclos-Lassalle heeft weinig vijanden. Of het moeten natuurliefhebbers zijn die zijn politieke pleidooi (hij is nummer 17 op de lijst van de partij Chasse &e Pche Tradition in zijn dorp) voor jachtpartijen veroordelen. In 1983 werd zijn hobby hem bijna fataal. Zijn jachtgeweer ging onverwachts af, waardoor Duclos-Lassalle hagel in zijn hand kreeg. Pas na een paar peesoperaties kon hij zijn beroep van wielrenner weer oppakken en aan een indrukwekkende staat van dienst als "knecht" gaan werken.

Hennie Kuiper was in zijn actieve rennersperiode bij de Peugeot-ploeg in de beginjaren tachtig een en al bewondering voor Duclos-Lassalles beroepsernst en altijd goede humeur. Wijlen Theo Koomen was zo onder de indruk van de solo die de Fransman in een van zijn eerste Parijs-Roubaix begon, dat hij in zijn microfoon gewag maakte van twee koplopers: Duclos en Lassalle. Greg LeMond had gisteren voorgoed zeurpieten als Eddy Merckx, die hem verwijten slechts drie weken per jaar hard te fietsen, de mond kunnen snoeren. De Amerikaan was klaar voor een verbetering van zijn eigen Parijs-Roubaix-record uit 1985, toen hij vierde werd. Maar de sterkste renner van gisteren verleende zijn ploeggenoot in het achtervolgende peloton weliswaar noodgedwongen maar niet zonder plezier steun met verdedigend werk.

Zowat iedereen en met name LeMond gunde Duclos-Lassalle de overwinning. Iedereen had zoals LeMond de Fransman willen feliciteren met een spontane zoen. LeMonds verklaring klonk vanzelfsprekend. In de Tour de France van 1990 had Duclos-Lassalle zijn bijna overdadige plichtsbesef jegens zijn kopman getoond door gewoonweg om te draaien om de in moeilijkheden verkerende LeMond op sleeptouw te nemen. De goede Gilbert bevond zich op dat moment nota bene in een kopgroep, die op weg was naar zijn geboorteplaats Pau. Duclos-Lassalle bespaarde de latere Tour-winnaar veel energie in diens achtervolging op de losgeslagen Chiappucci. Deze had de erecode geschonden door te demarreren bij een sanitaire stop van een concurrent, LeMond in dit geval.

De objectieve toeschouwer moet in tegenstelling tot de chauvinisten een tweeslachtig gevoel hebben overgehouden aan de negentigste editie van de Hel van het Noorden. Want op de bewonderenswaardige solo van Duclos-Lassalle, de even tactische hoogstandjes van LeMond en de desperate jacht van Ludwig in de laatste kilometers op de koploper, was Parijs-Roubaix weer een toonbeeld van lafhartigheid, waar krijgshaftige specialisten van weleer als De Vlaeminck en Moser hun gezicht voor afgewend moeten hebben.

Liever Duclos-Lassalle dan een concurrent, was de stilzwijgende afspraak. Met alle bewondering voor de atletische prestatie voor Durand in de Ronde van Vlaanderen en Duclos-Lassalle in Parijs-Roubaix, topsport is toch het meest gebaat bij overwinningen van groten. Geen organisator of potentiële sponsor zal enthousiast blijven wanneer tweederangs renners triomferen. Dan is de sport niet geloofwaardig meer.

Misschien is het de schuld van het kapitaal. Veronderstellen de renners dat ze toch wel goed blijven verdienen bij een paar mindere prestaties. Misschien is het de invoering van ranglijsten en puntenstelsels. Daardoor worden klassementsrenners verwekt. Verdedigers. Als in etappekoersen. Vorig jaar won Fondriest het wereldbekerklassement zonder een overwinning. Voor de ploegleiders telt meer het ploegresultaat dan het individuele. Trots riep TVM-teambaas Priem dat hij weer goed had gescoord voor het wereldbekerklassement voor ploegen. Hij en zijn collega's stellen daarom liever zoveel mogelijk kopmannen op. “Vroeger had een ploeg maar één kopman en acht, negen knechten”, wist Rob Harmeling, die voor het eerst als beschermd renner van zijn ploeg mocht starten maar daaronder zo gebukt ging dat hij van de zenuwen in de brandnetels viel.

“Elke keer dat je finisht verdien je ten minste vijf punten”, weet Harmeling die rond de dertigste positie in Roubaix aankwam. “Iedereen loert op zijn eigen kansen. En als je dan boven de honderd komt, worden de punten duur. Dan riskeer je niets meer. Dan let je op of er niet een ander met een hoog puntenaantal wegrijdt. De kopmannen rijden verdedigend en er is iemand om hen uit de wind te zetten.”

In de douches naast de wielerbaan heerste bij de verliezers een stemming van onverschilligheid. Nico Verhoeven van PDM: “Als je probeert weg te komen, springen ze aan je wiel, maar niemand neemt over. Dan ga je toch niet je krachten verspillen voor een ander.” Sean Kelly van Festina: “Ik zat alleen. Dan kan ik moeilijk voluit rijden met dertig man achter mij aan.” Edwig van Hooydonk van Buckler: “Niemand was echt goed vandaag. Wil je winnen dan moet je een superdag hebben.” Zijn "knecht' Gerrit Solleveld: “Ach, morgen is het weer maandag. Dan moet ik om acht uur op om de vuilniszakken buiten te zetten.”

Moe waren ze niet. “Ik ben er wel eens erger aan toe geweest”, gaf Verhoeven toe. Voor hem, voor Nijdam, voor Van Hooydonck, voor Ludwig is het seizoen voorlopig voorbij. De vlakke klassiekers zijn voorbij. Dat besefte Ludwig wel degelijk. De Duitser was een der weinigen die een teleurgestelde indruk maakte. Zijn manager Peter Post: “Ze begrijpen niet dat alle kansen op een klassieker-overwinning verkeken zijn.”

Mogelijk beseffen ze niet dat de nood voor de Nederlandse ploegen hoog is. Zowel Raas, Gisbers als Post zijn nog wanhopig op zoek naar een sponsor voor volgend jaar. Mocht een er kandidaat zijn dan zou hij zijn aandacht weleens kunnen verleggen naar Frankrijk, waar de dreigende crisis door de successen van Durand en Duclos-Lassalle lijkt afgewend.

Roger Zannier, sponsor (Z) van Duclos-Lassalle en LeMond, stopt aan het einde van dit seizoen na zes jaar. “Dat heb ik van te voren gezegd. En daar houd ik me aan. Het is jammer voor de renners.” Zannier was opgelucht: “Ik vind het mijn taak een opvolger te zoeken. Ik heb nog niets. Maar dank zij Gilbert zal het wel lukken.” Een paar meter verder glunderde het gezicht van het Franse wielrennen, Gilbert Duclos-Lassalle. Oud maar nog niet versleten.