Zwakte economie geen reden om regeerakkoord op te geven

Nu we een enorm surplus hebben op de buitenlandse handel en genoeg reserves om twintig Hogesnelheidslijnen aan te leggen, is er geen reden om nuttige investeringen uit te stellen

Deze week kwam een conflict tussen premier Lubbers en minister van financiën Kok aan het licht over de begroting van 1993. De afspraak die CDA en PvdA hebben gemaakt over het terugdringen van het financieringstekort, blijkt voor Lubbers niet langer heilig. Als bijdrage aan de discussie over de begroting, die de komende week zal woeden in het kabinet, acht antwoorden op klemmende vragen.

Moet Nederland de afspraken voor het financieringstekort opgeven omdat de economie er zo zwak voor staat?

Premier Lubbers is bang dat door een zwakke groei van de economie de ontvangsten van de belastingen dit jaar en in 1993 erg zullen tegenvallen. Dan wordt een oude afspraak over het financieringstekort uit het regeerakkoord een steeds knellender dwangbuis. Hij heeft in principe gelijk dat bij een heuse recessie het beter is om niet strak vast te houden aan een regel voor het tekort, aangezien de regering dan op een gevaarlijk moment extra zou moeten bezuinigen om de afstand tussen belastingontvangsten en overheidsuitgaven niet te groot te maken.

Daarom is uit wetenschappelijke kring altijd gepleit voor afspraken over de uitgaven in het regeerakkoord in plaats van een precies jaar-op-jaar pad voor het tekort. Voor 1993 is er nog geen reden om de stormbal te hijsen, het regeerakkoord op te geven en daarmee de geloofwaardigheid van de coalitiepartners op het spel te zetten. Het Planbureau voorspelde deze week een groei van 2,5 procent voor de produktiegroei van de bedrijven. Dat cijfer is precies het gemiddelde van de afgelopen twintig jaar (negen jaar hoger, negen jaar lager, twee jaar ook precies 2,5). Het moet dus mogelijk zijn om een begroting te maken gebaseerd op de stijging in de belastingontvangsten die hoort bij zo'n gemiddelde groei in onze economie. Ook de rentestand - belangrijk voor de betalingen op de staatsschuld - is precies gelijk aan het gemiddelde van de afgelopen twintig jaar. Een extra probleem voor 1993 is uitsluitend dat een deel van de belasting die volgend jaar meetelt, betrekking heeft op de zwakke economische groei van het lopende jaar. Maar gelukkig is minister Kok wijs genoeg geweest om daarmee al heel vroeg rekening te houden.

Wat moet de regering doen als de economische vooruitzichten nog verder verslechteren?

De somberheid over de economie is vaak het grootst op het moment dat het herstel inzet. In augustus, wanneer het kabinet het begrotingsoverleg moet afsluiten, kan de economie er slechter voorstaan dan het Planbureau nu denkt, maar ook beter. Het kabinet bespaart zich veel ergernis door nu de cijfers van het Planbureau voor 1993 definitief te kiezen tot richtsnoer bij de begroting en daarvan niet meer af te wijken. Waarom zouden ministers kostbare vergadertijd verspillen aan speculaties over de laatste economische gegevens, terwijl er nog zoveel valt te doen aan onderwerpen waarvoor ons kabinet wel verantwoordelijk is, zoals de reorganisatie van de sociale zekerheid en meer efficiency in de overheidssector? Nu het Planbureau heeft besloten om steeds in maart of april prognose te maken voor het volgende begrotingsjaar, zou het kabinet kunnen afspreken om die vroege cijfers te gebruiken bij het overleg. In de loop van de tijd vallen mee- en tegenvallers tussen de prognose van maart en die van augustus, dan vanzelf tegen elkaar weg.

Moet het financieringstekort na volgend jaar nog veel meer dalen?

Ons financieringstekort is na een zwerftocht van twintig jaar die begon tijdens de kabinetten van Den Uyl weer bijna terug waar het wezen moet, namelijk op een niveau dat geen extra lasten legt op de schouders van toekomstige belastingbetalers. De beste manier om dat te meten is door te kijken naar de verhouding tussen staatsschuld en nationale economie. Die bereikte een piek in 1989 en zal volgens een vertrouwelijk advies van de Centrale Economische Commissie dalen van 80,8 procent in dat jaar tot 78,1 procent in 1993 en 76,7 procent in 1994. Voor een deel komt die daling voort uit de hogere inflatie, want als het leven duurder wordt stijgt het nationaal produkt in guldens, maar de uitstaande staatsschuld wordt er niet groter van. Weinig macro-economen zullen de droom delen van sommige ambtenaren op het ministerie van financiën dat Nederland moet streven naar een overschot op de begroting en echt staatsschuld moet gaan aflossen. Het gebruikelijke recept om de last van de staatsschuld te verminderen is een combinatie van een bescheiden tekort - dat hebben wij nu ongeveer bereikt - en een zekere mate van geldontwaarding.

Leidt belastingverlaging tot "inverdien-effecten'?

Op die term rust sinds minister Ruding een zwaar taboe. Natuurlijk is het wel zo dat verstandige verlagingen van de belasting wel degelijk helpen voor de economische groei. De discussie in Nederland over belastingverlaging gaat met horten en stoten. Tegen het einde van de jaren tachtig raakte men onder de indruk van het risico dat bedrijven en burgers zouden vertrekken naar het buitenland als onze belastingen zoveel hoger bleven dan elders. De politici bereikten toen een consensus over het plan-Oort. Nu lijkt er een tweede golf van aandacht te komen voor de ongunstige vergelijking voor wat betreft inkomstenbelasting en btw tussen Nederland en andere landen. Verstandige politici zouden daarvan willen profiteren door ruimte te maken voor "Stevens' en voor de al eerder afgesproken btw-verlaging. "Stevens' moest een plan maken dat zogenaamd niets kost (zonder enig "inverdieneffect' dus), zodat in feite die voorstellen geld opleveren, want enige inverdieneffecten bij belastingverlaging zijn er altijd. Andersom worden de negatieve effecten van een belastingsysteem dat zwaarder drukt dan in omringende landen sterker naarmate de Europese integratie toeneemt. Hoe makkelijk bedrijven kunnen kiezen tussen verschillende landen, des te meer knelt het dat onze belasting- en premiedruk, zowel voor de lagere als voor de hogere inkomens, ongunstig afsteekt bij het buitenland. Ook voor btw en accijnzen geldt dat het beste tarief niet alleen afhangt van wat wij hier in Nederland sociaal en rechtvaardig vinden, maar evenzeer van wat praktisch mogelijk is. Een btw-verlaging in Nederland is daarom slecht nieuws voor de winkeliers in Düsseldorf die nu nog iedere zaterdag 75 bussen uit Nederland ontvangen, maar helpt niet alleen onze bedrijven, maar ook het besteedbare inkomen in Nederland.

Wanneer is er geld voor de Hoge Snelheids Lijn?

Kan Nederland zich de zware investering voor de Hoge Snelheids Lijn veroorloven? Als die lijn een goed idee is, dan moeten we die zo snel mogelijk aanleggen. Voorzover de staat daar geld in steekt, betekent dat een hogere staatsschuld en moeten toekomstige belastingbetalers daarvoor de rente opbrengen. Maar waarom zouden die daar kwaad over zijn wanneer wij nu extra lenen voor een project dat voor hen in de toekomst waardevol is? Alle conventionele analyses in de Miljoenennota over tekort en staatsschuld gingen er tot nog toe van uit dat de overheid geld leent voor lopende, consumptieve uitgaven. Dan is het inderdaad verkeerd om de financiering van zulke vluchtige uitgaven te veel op de schouders te leggen van toekomstige belastingbetalers en hen verantwoordelijk te maken voor de rente op een almaar hogere schuld. Nu gaat het echter met de HSL om echte investeringen voor de toekomst.

Zijn extra leningen voor infrastructuur in strijd met het regeerakkoord?

Ja, wanneer de staat zelf extra leent, of wanneer bij voorbeeld de Nederlandse Spoorwegen geld lenen met een volledige overheidsgarantie. Anders is het, wanneer pensioenfondsen bijdragen aan de financiering van de HSL en een deel van het risico dragen. In dat geval telt kapitaal van de pensioenfondsen niet mee bij de berekening van ons financieringstekort. Investment banker Rob Meuter heeft gesuggereerd dat de pensioenfondsen de HSL zouden kunnen financieren op voorwaarde dat overheid, NS - en wellicht Schiphol als derde belanghebbende - verantwoordelijk blijven voor politieke risico's tijdens de aanleg. In die jaren moet de rente op de leningen van de pensioenfondsen worden bijgeschreven bij de hoofdsom. Zodra de treinen rijden, ontvangen de fondsen hun vergoeding die is gekoppeld aan het aantal treinen en/of passagiers. Bij zo'n verdeling van risico's, namelijk politieke risico's voor de gemeenschap, commerciële risico's voor de belegger - kunnen de pensioenfondsen de gehele HSL financieren en hoeft niets te gebeuren dat in strijd is met het regeerakkoord of met EG-regels.

Is het toch beter om voorzichtig te zijn en eerst het "Aardgasfonds' te vullen?

Als Nederland bijna failliet was, of de gulden heel erg onder druk stond, was dat misschien zinvol. Nu wij echter een kolossaal surplus hebben op de buitenlandse handel en genoeg internationale reserves om twintig Hogesnelheidslijnen aan te leggen is er geen logische reden om nuttige uitgaven uit te stellen tot het "aardgasfonds' gevuld is. Iets anders is het om de bestaande begrotingsregels opzij te zetten en extra consumptieve uitgaven of uitkeringen zogenaamd te financieren uit toekomstige opbrengsten uit de verkoop van aardgas. Dan zijn we bezig de discipline van het regeerakkoord opzij te zetten. Zeker achteraf is het altijd makkelijk om vast te stellen dat het regeerakkoord niet de best mogelijke afspraken behelsde, maar politici die het regeerakkoord willen schrappen maken het leven moeilijker voor hun opvolgers. Nederland moet nu eenmaal werken met coalitieregeringen, en de ervaring heeft geleerd dat het een goed idee is om lastige financiële afspraken vast te leggen in een betrouwbaar regeerakkoord. Wat is het papier van het volgende regeerakkoord waard, wanneer ministers nu de weg kiezen van de minste weerstand? Alleen als de economische groei duidelijk negatief wordt - maar dat is nog niet het geval - wordt het tijd om na te denken over een nieuw regeerakkoord, maar dan zou het essentieel zijn om nu reeds harde afspraken te maken voor een of twee jaren na 1994, omdat anders elke geloofwaardigheid van toekomstige afspraken kapot gaat.

Hoe belangrijk is het bestrijden van inflatie?

Dat is een vraag voor de Bundesbank in Frankfurt die verantwoordelijk is voor de Duitse inflatie en daarmee, vanwege de vaste wisselkoers tussen gulden en Duitse Mark, ook voor de inflatie in Nederland. Nederlandse ministers kunnen maar weinig doen aan de Nederlandse inflatie en ook De Nederlandsche Bank staat machteloos, gegeven de afspraak dat ons geld in een vaste verhouding moet blijven staan tot de Mark. Als politici in Den Haag nu opeens zoveel nadruk leggen op het bestrijden van de inflatie, bedoelen ze misschien dat veel kiezers niet blij zijn met hogere huren en duurder openbaar vervoer. Maar weet iemand een andere manier om de miljarden aan subsidies voor volkshuisvesting en stadsvervoer te reduceren dan door een hogere prijs te vragen aan de gebruikers? Als we zo scherp zien dat de metro in Moskou spotgoedkoop was tot schade van de Russische economie, moeten we eerlijk genoeg zijn om ook te kijken naar de prijsstelling van de metro in Amsterdam. En besluiten we dan toch om volkshuisvesting of openbaar vervoer zwaar te subsidiëren, dan wordt de discussie alleen maar vertroebeld door zoveel nadruk te leggen op de inflatie, want die ligt in essentie vast door de keuze voor een onverbrekelijke band met de Duitse Mark. Sinds 1983 (de laatste verandering in de wisselkoers tussen gulden en Mark) was het inflatieverschil tussen Nederland en Duitsland jaar in jaar uit kleiner dan 1 procent. Het is rekenkundig correct dat de helft van de prijsstijgingen in Nederland vorig jaar te wijten viel aan hogere huren, extra benzine-accijns en andere overheidsacties, maar bij een stabiel monetair beleid verdwijnt zo'n hobbel na enige tijd weer uit de gemeten inflatie. Kern van de zaak is nog steeds dat het kabinet subsidies wil verlagen, daarom huren en spoorkaartjes duurder maakt en dan niet verbaasd moet zijn wanneer tijdelijk de prijsstijging wat tegenvalt.