Vrouwenstudies (1)

Het artikel van de heer Bommeljé over "Het misverstand vrouwenstudies' in de Boekenbijlage van 28 maart geeft mij aanleiding tot een korte reactie.

De op zichzelf interessante literatuurbespreking van de heer Bommeljé mondt uit in conclusies die niet worden gedragen door de argumenten en derhalve onzorgvuldig zijn. Bovendien verloopt het betoog sluimerend van een boekbespreking naar een gebrekkige analyse van de positie van de vrouwenstudies in Nederland. In het licht van de gemaakte oordelen, die eigenlijk geen plaats hebben in een dergelijke literatuurbespreking, missen basale gegevens. Met name het ontbreken van kwantitatief materiaal is storend: hoeveel wetenschappers zijn verbonden aan een vakgroep vrouwenstudies gerelateerd aan het totaal aantal wetenschappers? Hoeveel geld gaat er (relatief) om? (Hoeveel vrouwen zijn er so wie so als wetenschapper aangesteld?) Bommeljé"s kritiek zweeft, doordat iedere vergelijkingsmaatstaf ontbreekt. Waarom lukt het bij voorbeeld andere eveneens jonge, studies als beleidswetenschappen, bestuurskunde en dergelijke wel een breed terrein van afnemers te vinden? Wellicht omdat deze aansluiten bij bestaande ("masculiene'?) structuren in de samenleving (die nu juist onderwerp van kritiek zijn in vrouwenstudies).

Daarbij komt dat alle sociale wetenschappen worden gekenmerkt door interne strijd, worden geplaagd door grensdebatten en dergelijke. Zelfs als legitimatie op basis van een "uniek geacht kenobject' wetenschapsfilosofisch discutabel is, dan nog is het een (wetenschaps-)sociologisch normaal verschijnsel binnen de wetenschappen. De paradox die ontstaat, is dat Bommeljé vrouwenstudies haar legitimiteit ontzegt, omdat het zoveel lijkt op andere specialismen binnen de (sociale) wetenschappen!

Wellicht is de introverte oriëntatie van vrouwenstudies beter te verklaren in termen van "uitsluitingsprocedures' dan dat de daarin werkzame wetenschappers enkel met elkaar zouden willen debatteren. Dat laatste lijkt mij aanmerkelijk onwaarschijnlijker dan de gedachte dat het juist de buitenwacht is die niet genegen is in een debat te investeren.