VLOEKEN

"Zo'n wonderlijke club'. 75 jaar Bond tegen het vloeken door dr. J.H. van de Bank en Hans Werkman 108 blz., geïll., Buijten & Schipperheijn 1992, f 16,90 ISBN geen

Denk vooral niet dat de Bond tegen het vloeken dit jaar zijn 75-jarig bestaan met klaroenstoten zal vieren. Men hoopt een nieuw kantoorgebouw in gebruik te nemen en misschien wordt vóór het eind van het jaar zelfs het record-aantal van 13.000 donateurs bereikt. Maar zodra dat in het jubileumboekje wordt vermeld, haasten de auteurs zich op te merken dat zoiets ""wat te triomfantelijk' klinkt. De lezer moet vooral bedenken dat de Bond ""zichzelf niet met vreugde in stand houdt' en dat in deze kring geen plaats is voor triomfantalisme. ""Evenals u zijn wij ons ervan bewust dat het werk van de Bond gebrekkig en zondig mensenwerk is', schrijft voorzitter dr. B. J. Wiegeraad in het voorwoord, ""waarvoor we steeds opnieuw vergeving nodig hebben.'

In het boekje, naar het woord van een toeschouwer uit protestantse kring Zo'n wonderlijke club genaamd, ontvouwt zich een wereld van bescheidenheid en nederigheid - zo bescheiden en nederig, dat het bijna bedremmeld aandoet. Intens gelukkig, als defensieminister Ter Beek toestemming geeft voor de verspreiding van de affiches met de papegaai (""Vloeken is aangeleerd, word geen naprater!') in kazernes en militaire tehuizen. En al sinds 1921 blij en dankbaar dat de Nederlandse Spoorwegen die affiches - overigens tegen betaling - toelaat op de stations. Terwijl de grote boze wereld steeds duisterder wordt, klampt de Bond zich met een dappere glimlach vast aan ieder sprankje zonlicht. Ook het kleinste wapenfeit is reden voor hoop: vorig jaar is de eerste regionale werkgroep tegen het vloeken opgericht, met Goeree-Overflakkee als werkterrein.

Al vanaf de oprichting, in 1917, heeft de Bond zich met kruimels tevreden moeten stellen. Nooit heeft de Helderse kantoorbediende, die via een ingezonden stuk in De Standaard het initiatief tot een kruistocht tegen ""deze nationale zonde' nam, kunnen rekenen op massale steun van de grote protestantse organisaties. In hun gedenkboekje geven de schrijvers (de theoloog dr J.H. van de Bank en de christelijke literator Hans Werkman) daarvoor geen sluitende verklaring. Blijkbaar hadden de kerken, de christelijke bonden van werkgevers en werknemers en de bevriende politieke partijen andere zaken aan hun hoofd. Pas sinds de EO en het Reformatorisch Dagblad machten van betekenis zijn geworden, worden de Bond regelmatig substantiële donaties toegestopt.

Maar intussen brokkelt de maatschappelijke acceptatie langzaam maar zeker af. Vijftig jaar lang was er tenminste nog de morele steun van de samenleving, de concensus die zei dat vloeken afkeurenswaardig en vaak zelfs strafbaar was. In veel Nederlandse gemeenten gold jarenlang een vloekverbod op de openbare weg. Sinds een jaar of twintig gaan de meeste gezagsdragers er echter schouderophalend aan voorbij. Op aandrang van de Raad van State zijn de vloekverboden uit de gemeentelijke politieverordeningen geschrapt. Klachten over blasfemie worden nu zonder uitzondering geseponeerd. Eén van de laatste keren dat zo'n zaak nog in behandeling werd genomen, in de jaren zeventig, werd in het vonnis geconcludeerd ""dat de maatschappelijke opvattingen over vloeken verschoven waren en dat het woordje "god' niet meer was dan een stopwoord'. Daarmee is de mogelijke toorn van het Opperwezen definitief verklaard tot een irrelevantie.

Gelaten maken Van de Bank en Werkman daar melding van. Hun enigszins dorre, jaarverslag-achtige proza vertoont geen spoor van opstandigheid. ""Het zal er in de toekomst niet gemakkelijker op worden' - dat is zo ongeveer de meest emotionele opmerking die uit hun pen vloeide. Ze zien trouwens over het hoofd, dat "god' dezer dagen als stopwoord behoorlijk uit de mode begint te raken. De krachttermen van tegenwoordig verwijzen eerder naar geslachtsdelen en Engelstalige uitwerpselen dan naar een Hogere Macht. Als het zo doorgaat, zijn God en Jezus Christus over enkele jaren voor de gemiddelde vloeker helemaal niet meer nodig. Dan kan de Bond toch nog, al zal het niet met vreugde zijn, wegens gebrek aan werkzaamheden worden opgeheven.