Verzekeringsconcerns en beleggers

Institutionele beleggers beschikken in Nederland over een vermogen van rondom 600 miljard gulden. Dit bedrag is gedeponeerd bij pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Vier grote partijen, te weten ABP met 150 miljard, ING met 90 miljard, alsmede PGGM en Aegon met ieder 40 miljard gulden beheren hiervan ruim de helft. Zo op het oog een onaantastbare machtspositie, maar is dat werkelijk zo?

De Robeco Groep is Nederlands grootste beleggingsmaatschappij die zijn aandelen vooral verhandelt via de beurs. Het totaal belegd vermogen van Robeco bedraagt circa 42 miljard gulden. In 1990 raakte Robeco via z'n onroerend goedfonds Rodamco in moeilijkheden. De gegarandeerde inkoop van aandelen - gevolg van een "open end fund' - kon niet meer waar worden gemaakt. Anders waren liquiditeitsproblemen als gevolg van daling van de onroerend goed-prijzen onvermijdelijk.

Het ABP kwam Robeco te hulp en investeerde onlangs voor circa één miljard gulden in Rodamco-aandelen. Kritische analyses over het handelen van het management tekenen hierbij aan dat ABP door deze transactie minimaal 250 miljard gulden heeft verloren. Naast ABP kwam ook de Rabo Robeco als reddende engel te hulp. Verkoop van aandelen van deze beleggingsinstelling wordt sinds vorig jaar door deze bank sterk gepousseerd.

Er was en is nog veel rumoer over de fusie van Nationale Nederlanden en NMB Postbank, nu over de ING Groep. Volgens een onderzoek van Barkema, Doeme en Steins Bisschop in hun boek "Analyse van een fusie', verloren de aandeelhouders van Nationale Nederlanden één miljard gulden ten gunste van de aandeelhouders van de andere fusiepartner. Tevens stelden zij dat de fusie op korte termijn geen waarde toevoegt. De nieuwe voorzitter van de raad van bestuur van Nationale Nederlanden, Jacobs, stelde zich hier recent tegen te weer en probeerde aan te tonen dat wel degelijk juist is gehandeld en perspectief voorhanden is. Maar evenals bij de transactie ABP/Robeco bleven ook hier vragen openstaan.

De institutionele beleggers investeren bijna tachtig procent van hun vermogen in onderhandse leningen, obligaties en hypotheken. Investeringen in onroerend goed en aandelen zijn ieder goed voor circa tien procent. Dit beleid is in toenemende mate onderwerp van openbare discussie. De overheid heeft in Nederland nauwelijks geld voor infrastructurele ontwikkelingen en lonkt met een scheef oog naar de grote bedragen, die het ABP en de PGGM ter beschikking hebben.

Het aandelenbezit gekoppeld aan beschermingsconstructies van Nederlandse ondernemingen komt daarnaast internationaal steeds meer onder druk te staan. Verzekeringsmaatschappijen als Nationale Nederlanden en Aegon bezitten vaak vijf tot tien procent van Nederlandse concerns. Het commitment in de gang van zaken bij ondernemingen blijft daarbij beperkt. Slechts bij uitzondering gaat men verder. In ABN-AMRO (een geduchte concurrent!) heeft ING een belang van 17 procent.

In België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Japan en Zwitserland bestaan grote verweven aandeelhoudersnetwerken die vijandelijke overnames praktisch onmogelijk maken. Nederland heeft dit niet en tot nu toe blijven de verzekeringsmaatschappijen - vanuit hun positie begrijpelijk - zich vooral opstellen als beleggers en meestal niet als actieve aandeelhouders met een lange termijn-inbreng. Het is de vraag of grote Nederlandse beleggers hun afstand ten opzichte van overheid en bedrijfsleven op deze wijze kunnen volhouden. De druk om agressiever te worden en meer te investeren in Nederlandse ontwikkelingsmogelijkheden, lijkt steeds meer toe te nemen. Want er zijn vrijwel geen andere financieringsbronnen meer om te investeren.

De concentratie van de financiële conglomeraten in Nederland is gigantisch. De Nederlandsche Bank toont zich hier bij monde van de directeur Wellink bezorgd over. De beurswaarde van ING beloopt circa twaalf miljard gulden en is daarmee het grootste honderd procent Nederlandse concern. AVCB, de grootste schadeverzekeraar, ontstond uit een fusie van Centraal Beheer en Avero. Inmiddels is bekend dat de Rabo voor vijftig procent in AVCB zal gaan deelnemen. AMEV is samengegaan met de Belgische AG Groep, onder de naam Fortis en kocht met de VSB de grootste Nederlandse spaarbank.

Wij stelden reeds eerder de vraag of onze verzekeringsmaatschappijen en grote institutionele beleggers een onaantastbare marktpositie hebben. Het antwoord moet ontkennend zijn. Als belangrijkste argumenten kunnen worden genoemd: ING en Aegon hebben een kleine Europese thuismarkt en een grote afhankelijkheid van de USA. Dat laatst genoemde land zal echter minstens tien jaar nodig hebben voor structureel economisch herstel. In Europa zijn verzekeringsmaatschappijen als Alliantz (Duitsland) en Generali (Italië) veel sterker. Aegon en zeker Stad Rotterdam zijn te klein om zelfstandig voort te kunnen bestaan.

Het ABP, maar ook het PGGM zijn teveel onderdeel van de financiële problemen van de overheid. Zelfs bij het arbeidsvoorwaardenbeleid wordt getracht een deel van de reserves aan te spreken. Dit legt een zware hypotheek op een onafhankelijk beleggingsbeleid. Maar het grootste gevaar ontstaat voor verzekeraars die nu ook gedeeltelijk bankier zijn geworden. Als bankier zullen zij worden aangesproken als het minder goed gaat met de BV Nederland, want dan is het kiezen of delen, marktaandeel verliezen of meer risico lopen en dus blijven investeren.

Het management van Nederlandse beleggingsinstellingen gaat zware tijden tegemoet. De vele concentraties hebben ertoe geleid dat de meeste concerns en instellingen tegen een stootje kunnen. De bestuurders van de institutionele beleggersinstellingen zullen zich er echter op moeten prepareren dat zij in de toekomst buitengewone prestaties zullen moeten leveren. Daarbij zullen vele publieksgroepen hen met argusogen volgen. Dit vraagt om een mentaliteitswijziging die nog maar moeizaam op gang komt in het vroeger zo beschermde milieu.