Sparen om een albatros te bekijken

Voorstelling: Een zwarte Pool van Karst Woudstra door Het Nationale Toneel. Regie: Albert Lubbers. Decor/kostuums: Rien Bekkers. Spel: Diane Lensink, Elja Pelgrom, Hans Ligtvoet, Herman Gilis. Gezien: 8/4, Theater a/d Haven, Den Haag. Nog te zien: aldaar t/m 30/4 en elders t/m 24/5.

Het eerste dat opvalt aan Een zwarte Pool, het nieuwe stuk van Karst Woudstra, is de hedendaagse, bijna modieuze toon van de schrijver. Die verrast, omdat Woudstra een eenling is en in het geheel niet gevoelig voor de waan van de dag. Een leven heeft hij niet, zo lijkt het, hij heeft standpunten en voorkeuren. Voor "ouderwets', psychologisch toneel bij voorbeeld en voor somberheid zonder cynisme. Hij is tegelijkertijd hartstochtelijk en mystiek, een ongebruikelijke combinatie van eigenschappen die soms irriteert maar ook vertedert en intrigeert.

En nu is er dan de eerste zin uit Een zwarte Pool (“...je beste vriendin, en dan flikt ze je zoiets. Kutwijf.”), die regelrecht naar de grachtengordel en Amsterdam-Zuid voert. De vervloeking wordt uitgespuwd door Diane Lensink als Lilly, aan het begin van een avondje-met-vrienden. Ze is op en top design, evenals de bank (van decorontwerper Rien Bekkers) waarop ze zit en evenals de rest van het interieur. Dat is kaal, op een enkele lamp en een kamerscherm na: deze bewoners hebben geen bric à brac nodig om hun bestaan te vullen, zelfs de schilderijen hebben ze onlangs de deur uit gedaan. Hun werk en persoonlijkheid zelf zijn boeiend genoeg.

Maar niet heus. Geld maakt niet gelukkig, is de boodschap van Een zwarte Pool. Dat is enigszins teleurstellend, vanwege de banaliteit van de mededeling maar ook vanwege de aanvechtbaarheid ervan. De Derde Wereld denkt daar heel anders over, zeg ik weleens. Of Oost-Europa - en daar komt de Pool vandaan die, in ruil voor een zwart loon, het toch al luxueuze leven van Lilly en haar man nog verder vergemakkelijkt. Hij is de idealistische protagonist van een in zelfreflectie doorgedraaid kringetje. Hij spaart voor een reis naar de Galapagos-eilanden om daar de met uitsterven bedreigde albatros te zien, zijn rijkdom bestaat vooralsnog uit dromen.

Dromen. Ondanks alles hebben Lilly en de haren die ook, maar in hun geval duiden ze op armoede. Dat wordt langzaam duidelijk tijdens Woudstra's variant van Edward Albee's Who's afraid of Virginia Woolf. Net als in dat stuk fungeert in Een zwarte Pool een bezoekende echtpaar als katalysator van de problemen van het ontvangende koppel. Lilly en Seiffert ontvangen Marguérite en Daan. Daan onderhoudt al zeventien jaar een relatie met Lilly, met instemmend medeweten van Seiffert. Sinds kort is de relatie verbroken. Lilly gruwt van Seiffert, omgekeerd niet, lijkt het. Of liever: Seiffert - notaris, in goede doen - wil liefde. Vermoedelijk daarom komt hij thuis met besmeurde kleren en schaafwonden: hij is in een steeg te grazen genomen. Waarom blijft zijn en Woudstra's geheim.

Ik begrijp iets niet aan dit stuk. Modern milieu, alles moet kunnen. Het overspel is dan ook frank en vrij, zelfs de tuttige Marguérite is van de onthulling halverwege de avond niet onder de indruk. Drankzucht en onvervulde maar expliciete verlangens bepalen de toon. Desalniettemin blijft onduidelijk wat Seiffert scheelt. Gaat hij naar de hoeren? Naar de pisbakken? Scharrelt hij achter het station? En, de belangrijkste vraag: so what? Seifferts geheim is een anachronisme in dit stuk, een aan Julien Greens Sud ontleend dramatisch element, geïmplanteerd in een tragedie anno 1992.

Dat maakt Een zwarte Pool een gemankeerde voltreffer. Woudstra schrijft voortreffelijke dialogen, gespeend van iedere toneelmatigheid. De spelers kunnen er in de regie van Albert Lubbers dan ook luchtig en natuurlijk mee uit de voeten. Lensink is niet zozeer krols als wel bronstig, zo agressief als zij lucht geeft aan haar gefrustreerde driften. Hans Ligtvoet is een geloofwaardige onverschillige botterik, met de charme van een handelsreiziger, en Herman Gilis als Seiffert ontspoort tegen het einde op bewonderenswaardige wijze. Hij durft lelijk te worden.

Het mooiste is Elja Pelgrom - en dat is in gelijke mate aan haar rol als aan haar spel te danken. Zij toont een treffende mengeling van naïviteit en emanicpatie, ze is een goedbedoelende salon-activiste die haar geweten sust door haar kleren eigenhandig en milieuvriendelijk te verven. Haar belangstelling voor de Pool en zijn land getuigt nog het best van Woudstra's haarscherpe observatievermogen. Hoe het nu met de abortus zit daar, wil ze weten, en met het katholicisme. En zijn de communisten nog lastig? Ze is hilarisch - en zo speelt Pelgrom haar ook.