Schaken was voor Reshevsky zoiets als fietsen

Toen ik las dat Samuel Reshevsky vorige week zaterdag na een hartaanval was overleden, had ik dezelfde gedachte als bij de dood van Euwe. Zo onverwacht, in de kracht van zijn leven. Reshevsky was tachtig jaar en allerminst van plan zijn schaakloopbaan te beëindigen. Vorig jaar nog won hij een prachtige partij van Smislov, die in bijna alle schaaktijdschriften werd afgedrukt.

Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag werd in New York in november een groot feestmaal georganiseerd. Oude en nieuwe vrienden en vijanden - Reshevsky is bij heel wat incidenten betrokken geweest en lang niet altijd had hij het gelijk aan zijn kant - waren gekomen om eer te bewijzen aan de man die voor de oorlog met Lasker en Capablanca speelde en nog in 1967 een kandidatenmatch met Kortchnoi uitvocht.

Alleen de bestuursleden van de Amerikaanse schaakbond waren er niet, die hadden een interne vergadering die ze belangrijker vonden. Het zal Reshevsky misschien geërgerd hebben, maar zeker niet verbaasd. Hij was er aan gewend dat hij van schaakbond of regering geen steun kon verwachten en dat hij altijd alles alleen had moeten doen.

Een van zijn grootste teleurstellingen moet in 1950 zijn geweest. Botwinnik was wereldkampioen. De schaakmachine van de Sovjet-Unie, die door de overheid gesteund werd op een manier zoals nog nooit in de geschiedenis vertoond was, in geen enkele sport, had in de jaren na de oorlog alle concurrentie weggevaagd. Van de rest van de wereld had alleen Reshevsky een kans. Bij het wereldkampioenschap van 1948, in Den Haag en Moskou, was hij slechts gedeeld derde geworden, maar hij voelde zich de sterkste ter wereld.

Aan het kandidatentoernooi van Boedapest 1950 mocht hij niet meedoen, niet door machinaties van de Russen, maar doordat zijn eigen Amerikaanse State Department hem niet naar een communistisch land wilde laten reizen. Bronstein werd toen de uitdager van Botwinnik. Drie jaar later probeerde Reshevsky het opnieuw in het kandidatentoernooi in Zwitserland. Hij werd tweede, met Bronstein en Keres, achter Smislov. Het was de laatste keer dat hij een serieuze kanshebber voor het wereldkampioenschap was, al bleef hij nog lang heel sterk, getuige zijn kandidatenmatch van 1967.

Een schaakcarrière van vijf en zeventig jaar, begonnen als wonderkind. Hij werd geboren in Polen en vanaf zijn zesde jaar was reisde hij met zijn ouders het land door om simultaans te geven. Later ook in andere landen. In Nederland was Euwe, tien jaar ouder, een van zijn simultaantegenstanders. Het matrozenpakje waarin Reshevsky placht aan te treden is nog in de roman De Verdediging van Nabokov terecht gekomen. In zijn boek Reshevsky on Chess (Zo schaakt Reshevsky, vertaling C.B. van den Berg) schreef hij, of misschien was het Fred Reinfeld, die vaak als ghost-writer wordt genoemd: ""Professoren namen de maat van mijn schedel en psychoanalyseerden me.''

Als ze hem vroegen hoe het kwam dat hij zo goed kon schaken, kon hij geen antwoord geven. Schaken was als zingen of fietsen voor hem, een natuurlijke bezigheid. Toen hij acht jaar was, ging hij met zijn ouders naar de Verenigde staten. Hij speelde in 1922, elf jaar oud, een meestertoernooi in New York, huilde als hij verloren had en zong na zijn overwinning op Janowski.

Een maand later werden zijn ouders beschuldigd van kinderexploitatie en er werd een voogd benoemd. Reshevsky leerde lezen en schrijven, hij trok zich tijdelijk terug uit de schaakwereld en studeerde in 1934 af aan de universiteit van Chicago. Daarna speelde hij in de grote Europese toernooien. De oorlog, die het internationale schaken stillegde, kwam voor hem op het moment dat hij zijn grootste successen had kunnen halen.

In Reshevsky on Chess is hij bitter over het karig loon van de beroepsschaker. De prijzen in de Amerikaanse toernooien waren laag, soms werden ze door "misverstanden' nog kleiner dan afgesproken en toen hij een toernooi in Tulsa gewonnen had, kreeg hij in plaats van de verwachte geldprijs alleen wat hartelijke woorden. Over het Semmering-toernooi van 1937 schrijft hij: ""De aanwezigheid van Rudolf Spielmann, de winnaar van 1926, als toernooileider, had een ontnuchterend effect op de deelnemers. De acht spelers die waren uitgekozen om aan dit toernooi mee te doen, hebben zich wel moeten afvragen, wat er elf jaar later van hen zou zijn geworden, als hun successen als grootmeester verbleekt zouden zijn!'' In 1944 voelde hij zich aan vrouw en kind verplicht examens als accountant te doen en voortaan nog maar af en toe te schaken.

Fischer zette Reshevsky op zijn lijstje van de tien beste schakers aller tijden. De reden dat Reshevsky nooit wereldkampioen was geworden, lag volgens Fischer in zijn gebrekkige studie van de openingen. Als hij zich er niet toe beperkt had een paar kolommen van Modern Chess Openings uit zijn hoofd te leren en zelf een serieuze studie van de openingen had gemaakt, was hij volgens Fischer verder gekomen.

In Amerika had Reshevsky nooit veel last gehad van zijn oppervlakkige openingsvoorbereiding. Hij werd zes keer kampioen (afgezien van de twee keer dat hij zijn titel in een match met succes verdedigde), voor het eerst in 1936, voor het laatst in 1969/70. Gedurende een periode van meer dan tien jaar kon hij in het Amerikaans kampioenschap spelen zonder een nederlaag te lijden. En misschien viel het ook wel mee met dat gebrek aan studiezin. Bij een toernooi in Reykjavik in 1984 vertelde hij me dat hij al die tijd zijn hotel niet was uitgeweest. Hij had op zijn kamer openingsvarianten bekeken. De organisatoren hadden lang geaarzeld voor ze hem hadden uitgenodigd, want ze vroegen zich af of een man van 72 jaar nog wel mee zou kunnen komen. Reshevsky won dat toernooi.

Zeker een ernstige handicap voor Reshevsky was zijn gewoonte om altijd in verschrikkelijke tijdnood te komen. Hijzelf schreef dat het niet erg was. Doordat hij zo lang had nagedacht begreep hij de stelling goed en kon hij aan het eind snel spelen. Bovendien werden zijn tegenstanders vaak zenuwachtiger dan hij, waardoor zij de fouten maakten, hoewel ze nog tijd genoeg hadden.

Rationalisatie. Vaak ging het inderdaad zo. Dan wist Reshevsky als door een wonder de dans te ontspringen en werd er gezegd dat hij geluk had gehad. Een bevriende journalist schreef ter verdediging van Reshevsky dat geluk in het schaakspel van meer waarde is dan een vergunning om te stelen. Maar talrijk zijn de voorbeelden dat Reshevsky een gewonnen stelling in tijdnood verknoeide.

Tijdnood is een verslaving, misschien een fysieke verslaving aan de opiumachtige stoffen die in de tijdnoodfase door het schakersbrein schijnen te worden afgescheiden. Zo nam Botwinnik hem een keer lelijk te pakken in het toernooi dat zowel voor hem als voor Reshevsky het belangrijkste van hun leven was, Den Haag/Moskou 1948. Het was in de vierde ronde. Als Reshevsky gewonnen had, had hij alleen bovenaan gestaan.

(zie diagram)

Wit Botwinnik - zwart Reshevsky. Wit staat zeer slecht. Pion a3 is zwak en Pc3 en Ta2 hangen onaangenaam in de lucht. In tijdnood van Reshevsky waagt Botwinnik een gokje. 26. Pc3-d5 Pf6xe4 27. Ta2-e2 f7-f5 28. g2-g4 Ld6-c5? Met 28...Pg5! 29. Txe6 Pxf3+ had zwart een gewonnen eindspel bereikt. 29. g4xf5 De6xf5? En nu kon met 29...Lxd4 30. fxe6 Lxf2+ nog remise behaald worden. 30. Dd4xe4 Df5xh3 31. Pf3-h2 Tc8-c6? Verlies van een tweede stuk, maar zwart was al verloren. 32. Pd5-f4 en hier overschreed zwart de tijd. Met dit drama wordt een van de grootsten uit de schaakwereld geen recht gedaan. Op Reshevsky moet ik nog terugkomen.