KLOOSTERS IN FRIESLAND MOESTEN VOORAL FRIES ZIJN

De Friese huizen van de Duitse orde. Nes, Steenkerk en Schoten en hun plaats in het middeleeuwse Friese kloosterlandschap door J.A. Mol 416 blz., geïll., Fryske Akademy 1991, f 50,- (voor leden en donateurs f 47,50) ISBN 90 6171 739 6

In de vastentijd van 1472 drong een troep gewapende mannen het klooster van Schoten binnen. Ze plunderden de voorraadkamers, pakten het kerkzilver en alle andere kostbaarheden in zakken, sloegen een priesterbroeder dood en sommeerden de prior hun zijn administratie te overhandigen.

Het waren geen ordinaire rovers die deze inval deden, maar dorpelingen uit het omringende Schoterland en Stellingwerf. Zij werden aangevoerd door de plaatselijke gezagsdragers. Zij wilden een einde maken aan het slechte financiële beheer van de prior over de kloostergoederen. Volgens hun visie hadden hun voorouders het klooster gesticht en met goederen begiftigd met de bedoeling dat de monniken zielzorg zouden uitoefenen en voor hun zielen zouden bidden. Wanbeheer bracht die zieleheilsbemiddeling in gevaar.

De kloostertjes waarover dit boek handelt, behoorden tot de Duitse Ridderorde, maar vertoonden sterke overeenkomsten met Friese kloosters van andere orden. De huizen van Nes bij Akkrum en Schoten bij Oudeschoot waren priesterconventen. Steenkerk bij Luinjeberd werd bevolkt door koorzusters. Het vormde samen met Nes een dubbelconvent zoals er in Friesland veel waren. De kloosters waren gesticht op initiatief van adellijke plaatselijke families. Er werden priesters opgeleid om een aantal parochies in de omgeving te bedienen. De relatie met de plaatselijke bevolking was veel nauwer dan de orderegel van de Duitse orde voorschreef. De Friese huizen van de Duitse orde voegden zich naadloos in in de Friese kloostertraditie. Daarmee waren zij binnen hun orde uitzonderlijk.

De Duitse orde was aan het eind van de twaalfde eeuw ontstaan als een militaire orde van ridders die de pelgrims in het Heilige Land moesten beschermen. Ten behoeve van die pelgrims dreef de orde ook een hospitaal in Acco, een kustplaats iets ten noorden van het huidige Haïfa. Na de val van de kruisvaardersstaten legde zij zich toe op de strijd tegen de heidenen aan de oostgrenzen van het Duitse Rijk. Daaruit ontstonden de door de orde bestuurde staten Pruisen en Lijfland. Verspreid over het Duitse Rijk en aangrenzende gebieden had de orde kloosters of commanderijen die het beheer voerden over goederen die aan de orde geschonken waren. Ze vormden onderdeel van een centraal bestuurde en hiërarchisch opgebouwde geestelijk-militaire organisatie. Zij droegen geld af aan de ordeleiding en onderhielden een aantal ridderbroeders, die ingezet konden worden in de strijd tegen de ongelovigen.

UNIEK

De Friese huizen droegen wel mede de lasten van de militaire organisatie, maar ridderbroeders werden er niet gevonden. Volgens de auteur hangt dat ten nauwste samen met een typisch Friese afkeer van ridderlijke idealen. Ridders behoren immers tot de entourage van graven en hertogen, en die hebben nooit over de vrije Friezen geheerst. In Nes en Schoten leefden alleen priester- en lekebroeders. De verhouding van Nes tot het vrouwenconvent Steenkerk was binnen de Duitse orde uniek. De weinige vrouwenconventen die de orde telde werden al vroeg onafhankelijke instellingen onder een eigen abdis. Als gevolg van de onmondige positie van de vrouw in het Friese recht, typerend voor een samenleving zonder sterk centraal gezag, gebeurde dat hier niet.

De inval in het klooster Schoten viel samen met pogingen van de ordeleiding om de ridderlijke idealen nieuw leven in te blazen. De Friese huizen moesten zich nauwer aansluiten bij de traditie van de Duitse orde. Ordeleden hoorden adellijke telgen te zijn, die kuis en vroom moesten leven, maar daarbij de voorrechten van hun stand niet hoefden op te geven. Priesterbroeders waren nodig voor de geestelijke verzorging van de ridderbroeders, maar verder secundair.

De dubbelzinnigheid tussen plaatselijk hecht gewortelde praktijk en orde-ideaal vormt een rode draad door dit boek, waarop Hans Mol afgelopen november cum laude promoveerde. Op grond van karig bronnenmateriaal geeft hij een subtiele reconstructie, niet alleen van de institutionele geschiedenis van drie Friese kloostertjes, maar tevens van de spanning tussen deze tegenstrijdige idealen. Zijn vlotte stijl maakt het boek een plezier om te lezen.

De dubbelzinnigheid in de positie van deze kloosters bepaalde mede hun lot tijdens de Reformatie. In 1580 werd in Friesland de katholieke eredienst verboden. Kloosters werden voortaan overbodig geacht. Nu konden de commanderijen van de Duitse orde met succes een beroep doen op hun status als steunpunten in de strijd tegen de heidenen - in de zestiende eeuw waren dat de Turken. Zo beschouwd waren ze minder overbodig dan de contemplatieve kloosters. Schoten, dat in de laatste jaren van zijn bestaan hervormd was in de geest van de orde, bleef gespaard. Voor de vorm althans, want in feite verschafte het na de Reformatie een inkomen aan protestantse edellieden. Nes, dat zich tegen hervormingen had verzet, werd zonder pardon genaast. De goederen van dit convent werden aangewend voor de bekostiging van de strijd tegen Spanje en het onderhoud van gereformeerde predikanten.