"Jonge Turken' hebben de buik vol van Sovjet-Russische geschiedschrijving; Terug naar de bronnen

De historicus stond in de Sovjet-Unie ten dienste van het ideologische apparaat van de partij. Drie jonge historici uit Sint-Petersburg hebben nu een tegenoffensief ingezet. Ze willen de Russische geschiedenis herschrijven. Vragen zijn er genoeg: hoe werkte de terreur? in hoeverre deed Stalin alles in z'n eentje? wat was de rol van de intelligentsia? "Onze hoogleraren zijn altijd ideologische historici ten dienste van de partij geweest en zijn dat in hun hart gebleven. In de loop van de perestrojka zijn ze alleen omgedraaid en anti-ideologische historici geworden.'

De jongens van de Associatie hebben er genoeg van. Aan hen is de historiografie, de geschiedenis van de geschiedschrijving, niet meer besteed. Ze voelen zich rijp voor een volwassen en onbevangen beleving van hun vak. Weg met al die eenduidige interpretaties van de geschiedenis, hoe zuiver op de graat ze ook bedoeld mogen zijn. Die kunnen ze zo langzamerhand wel dromen.

Toen zij nog aan het begin van hun studie stonden aan de geschiedenisfaculteit in Sint-Petersburg, werden ze immers ook al doodgegooid met allerhande historiografische zekerheden, die van de verschillende facties binnen de partij. Indertijd mochten ze van hun professoren alleen vrijelijk nadenken als ze eerst uit het hoofd hadden geleerd dat de Russische geschiedenis uniek was en Lenin een groot man. En nu? Nu worden ze doodgemoedereerd met het tegendeel bestookt, niet zelden door dezelfde mensen. Nu is er alleen oog en oor voor een geschiedschrijving waarin de oktober-revolutie en haar erfenis als niet meer dan een "misdadige vergissing' worden beschreven, als een periode die op zich staat en zo snel mogelijk uit de rest van de Russische geschiedenis moet worden weggesneden.

Een fundamentele breuk met het verleden? Ben je gek! Voor de jongens van de Associatie is het slechts oude wijn in nieuwe zakken.

Het moet nu dus maar eens afgelopen zijn met die historiografische fixaties in de Russische geschiedwetenschap. En in een moeite door met al die "veteranen' van boven de vijftig, die denken dat ze ongegeneerd van het ene op het andere been mogen gaan staan. Nee, dit is geen wetenschap meer, dit is gewoon politiek. Gedegen bronnen-onderzoek, daar is nu behoefte aan. De jeugd is aan de beurt.

Grote plannen

Joeri Basilov, Aleksei Markov en Pjotr Samsonov, de oprichters van de Associatie van jonge historici en allen rond de 25 jaar oud, hebben grootse plannen met hun vak. De vereniging is daarbij hun eerste wapen, ook al is het nog maar een mini-clubje dat pas een half jaar bestaat. Maar uiteindelijk dient in Sint-Petersburg het nieuwe leven van de Russische geschiedschrijving te beginnen.

In het kamertje van Aleksei Markov - drie bij vier, met om de hoek een keukentje voor collectief gebruik - leggen ze het me allemaal uit. Met een inkomen achthonderd roebel per maand hebben ze geen cent te makken, maar hun enthousiasme is onweerstaanbaar en aanstekelijk. Hun onderlinge wedijver illustreert dat ze het serieus menen. Zonder onderlinge intellectuele pesterijtjes kunnen jonge historici immers niet leven.

Het idee om de "Associatie van jonge historici' op te richten, is eigenlijk het resultaat van een diepe frustratie die zijn wortels heeft in de universitaire cultuur van het oude Leningrad. Alle drie hebben ze tijdens hun studie het gevoel gehad dat ze op de historische faculteit met een waardeloos vak bezig waren. Alle glasnost en perestrojka ten spijt. Geschiedenis was ook in hun studententijd, die in 1986 begon, nog een veredelde beroepsopleiding ten dienste van het ideologische apparaat van de partij.

De sfeer onder historici aan de universiteit was in die eerste glasnost-periode zoals die daarvoor was. Als je de ideologische toets der kritiek kon doorstaan, mocht je in de tweede fase doorgaan voor een dissertatie. Was je niet tot op het bot betrouwbaar, dan werd je doorgeschoven naar een leraarsbaantje. Geschiedenis bleef volgens Aleksei Markov gewoon het vak voor de toekomstige "partijcommentatoren' die vooral tot taak hadden het juiste citaat van Lenin op te zoeken, teneinde de laatste wending van de partij te kunnen duiden.

Pas na de rehabilitatie, begin 1988, van Nikolaj Boecharin, de ""lieveling van de partij'' die in de jaren dertig door Stalin werd geliquideerd, begon er iets te veranderen. Via Boecharin, de ooit vermaledijde representant van de "rechtervleugel' in de partij, konden de aanhangers van Gorbatsjovs perestrojka met terugwerkende kracht alsnog hun gelijk halen.

Boecharin was voor hen het bewijs dat de leninistische partij in haar hart wel had gedeugd en dat alle ellende dus aan Stalin lag. Dat leek een belangrijk breukpunt. Maar voor Joeri Basilov en zijn studiegenoten was het amper een echte cesuur. Juist onder de historici op de universiteit voltrok het proces van verandering zich namelijk heel langzaam. Het historiografisch breukvlak van 1988 was niet in de eerste plaats hun werk, het was vooral een aangelegenheid van de filosofen die via Boecharin zeer voorzichtig en vaak ook onbewust de fundamenten van het sovjet-denken ter discussie gingen stellen. Historici vulden het debat in die tijd slechts aan met kleinere publikaties in kranten en tijdschriften en niet met monografieën, laat staan met pogingen tot synthese.

Zijn hele studie bleef Joeri Basilov zich dan ook in een ""diepe crisis'' voelen. ""Dat is pas veranderd toen ik na m'n doctoraal als bibliothecaris kon gaan werken en op archieven stuitte die altijd gesloten waren voor onderzoek.'' De archieven uit de spez-chran ("speciale bewaring') bleven na 1988 weliswaar in principe dicht, maar op gezette tijden kon Joeri in sommige afdelingen neuzen.

Hij stuitte daarbij op interessant materiaal over de levendige relaties die in de jaren twintig hebben bestaan tussen de Russische communisten en de Duitse "nationaal-bolsjewisten' zoals bijvoorbeeld Hermann Remmele, Otto Strasser en Ernst Niekisch, figuren die later óf in de stalinistische KPD óf in Hitlers NSDAP terecht zouden komen, dan wel in beide. Een en ander opende Joeri's ogen: er bestond kennelijk een ideologische en psychologische band tussen communisme en nazisme. Het lezen van enkele artikelen uit de Historikerstreit die medio jaren tachtig in de Bondsrepubliek had gewoed, deed de rest. Joeri Basilov stortte zich op Duitsland. Hij raakte gefascineerd door de parallellen tussen de mislukte moderniseringsprocessen in Duitsland en Rusland.

Strijd

Dit onderzoek, dat binnenkort wellicht beloond wordt met een studiebeurs van (inderdaad) de Volkswagen-stichting in de Bondsrepubliek, deed hem genezen van de neiging in de Russische geschiedschrijving om alles meteen in een strikt historiografisch kader te plaatsen. Net als bij de andere initiatiefnemers van de Associatie, had hij zijn buik vol van die ontembare behoefte om het vak altijd maar te beoefenen volgens de richtlijnen van het politieke moment.

Dat uitgangspunt betekende weliswaar niet dat er nooit werd gedebatteerd. Zeker niet. Binnen de vaak als monolithisch beschreven sovjet-samenleving was er wel degelijk sprake van een historiografische strijd. Sterker, er gebeurde eigenlijk nauwelijks iets anders. ""Vóór Chroetsjov was de geschiedschrijving nog louter gericht op een vorm van Russische zelf-identificatie. Ten tijde van de Koude Oorlog was een marxistisch beeld alleen niet meer voldoende, we hadden behoefte aan een unieke positie voor Rusland dat zich toen omsingeld voelde. Maar daarna werd het beeld toch breder'', aldus Aleksei Markov.

Na het twintigste partijcongres in 1956 - het congres waar Chroetsjov in een geheime rede Stalin ontmythologiseerde - onstonden er verschillende historiografische scholen. De slavofiele stroming, al dan niet verbonden met de orthodoxe communisten, wilde de Russsische geschiedenis gelijk stellen aan de partijgeschiedenis. De Franse Annales, geïntroduceerd door communistische historici als Joeri Afanasjev, iemand die sterk onder invloed stond van Le Goff. De kwantitatieve en daarom als "positivistisch' bestreden economische geschiedschrijving van Voloboejev. En uiteraard de marxisten.

Die laatste groep werd onderverdeeld in klassiekere sovjet-adepten zoals Danilov - een historicus uit de Chroetsjov-generatie die eind jaren zestig werd weggepromoveerd en pas onder Gorbatsjov zéér voorzichtig zijn kop weer opstak - en de "revisionisten' à la Roj Medvedev, auteur van onder meer Laat de geschiedenis oordelen.

Met name Medvedev presenteerde zich in de eerste dagen van de perestrojka als een vooruitgeschoven post in het geschiedkundige kamp. Hij had in het Westen immers reeds vóór het Gorbatsjov-era enkele kritische studies over het stalinisme gepubliceerd. Niet alleen de dissidentenbeweging heeft daarover altijd het hare gedacht - hoe had Medvedev kunnen doen wat niemand anders kon - ook uit wetenschappelijk oogpunt stelde zijn werk volgens Aleksei Markov veel minder voor dan het leek.

""Roj Medvedev was gewoon een speelbal in een partijstrijd. Hij werd daarbij gedekt door de KGB-vleugel van Joeri Andropov. Die was toen chef van de staatsveiligheidsdienst en joeg toen wel op andere dissidenten.'' Niet voor niets vonden Medvedev's boeken, waarin hij het stalinisme niet als consequentie maar als een aberratie van het leninsme beschreef, een weg naar het Westen. Die redenering paste keurig in het straatje van de autoritair-communistische hervormer die Andropov wilde zin.

Bovendien hadden al die debatten, ook na 1988, maar één doel: de actuele politieke strijd van dat moment van argumenten voorzien. ""Glasnost is in Rusland altijd een middel geweest voor de politieke elite om haar onderlinge conflicten uit te vechten'', aldus Aleksei Markov.

Aanpak

Inmiddels dreigt deze tweedeling in de geschiedschrijving benauwend te worden. Want wie domineert nog altijd het historische klimaat in Rusland? Precies, de generatie der vijftigers! De vakgenoten die groot zijn geworden in het zwart-wit-denken dat de sovjet-historiografie eigen was. ""Afanasjev en zijn leeftijdgenoten zijn altijd ideologische historici ten dienste van de partij geweest en zijn dat in hun hart gebleven. In de loop van de perestrojka zijn ze alleen omgedraaid en anti-ideologische historici geworden. Maar in wezen zijn ze voortgegaan op de traditie van de historicus als partij-criticus'', is de kritiek van Aleksei Markov. Volgens hem is het dan ook geen toeval dat de Amerikaan Richard Pipes, wiens boek The Russian revolution momenteel in het Russisch wordt vertaald, tegenwoordig in Rusland zo bewonderd wordt. Zijn werk past eigenlijk in precies dezelfde traditie. ""Pipes werkt eveneens op basis van ideologische schema's. Mij bevredigt die aanpak niet meer'', aldus Markov.

Deze omkering van waarden, waarbij goed fout wordt en vice versa, is dan ook precies het punt waarop de drie jonge brutale enthousiastelingen nu hun ambities willen gaan botvieren. ""We moeten terug naar de bronnen'', aldus Markov. Hij wil niet tot in lengte van dagen voortborduren op het werk van Pipes, Robert Conquest en de andere Westerse historici waarvan de Russische geschiedwetenschap de afgelopen jaren zo veelvuldig gebruik heeft gemaakt. ""We moeten ons nu eindelijk bevrijden van al die zwart/wit-concepties, die schema's waarin louter en alleen de accenten zijn omgedraaid'', meent Joeri Basilov.

Maar wat dan wel? Joeri Basilov: ""We moeten nauwgezet de organisatie van de macht bestuderen. In Leningrad bijvoorbeeld. Dat was tenslotte de stad van de oude bolsjewiek Zinovjev, die in de jaren twintig en dertig door Stalin werd weggewerkt en vervolgens ter dood werd veroordeeld. Daarna kwam de populaire Kirov. Ook vermoord. Zjdanov (cultuurpaus en paladijn van Stalin) volgde. Die wisselingen zijn allemaal politiek bestudeerd. Maar hoe waren de verhoudingen tot Moskou nu precies? Hoe kon Zjdanov de stad uiteindelijk onder controle krijgen? Hoe werkte de terreur? Wie deed er mee, wie niet en wie leefde er langsheen? Met andere woorden, in welke mate moet het beeld dat Stalin alles in zijn eentje vanuit Moskou regelde, genuanceerd worden? Want de werkelijke stalinistische macht is natuurlijk een veel gecompliceerder fenomeen geweest dan alleen de persoon Stalin.

""Wat was bijvoorbeeld de rol van de sovjet-intelligentsia? Dat kun je allemaal niet onderzoeken op de klassieke, historiografische manier. We moeten nu gebruik gaan maken van álle technieken: oral-history, radio en televisie, liederen enzovoorts. Bovendien moeten we ons nu eerst op allerlei deelonderwerpen storten: op de partij, de economie, de wetenschap, de kunst, het dagelijks leven onder het stalinisme. We moeten mentaliteits-geschiedenis gaan schrijven. Het historische beeld van onze sovjet-maatschappij moet een mozaïek worden. Dat is essentieel. Pas daarna kunnen we gaan kijken wat voor historiografische consequenties dit zou kunnen hebben.''

Mythejagers

Het klinkt allemaal vertrouwd in de oren. Wat de jonge Petersburgse historici ambiëren, is ook onder hun Westerse vakgenoten trend: niet meer het grote gebaar maar debunking via de micro-geschiedenis. ""We moeten nu eindelijk eens gaan werken zoals Ranke al geschreven heeft: "wie es eigentlich war'. Het finale idee, dat Lenin een slecht mens was en een idioot, is geen interessant historisch oordeel'', aldus Joeri Basilov.

En Aleksei Markov: ""Want door die nimmer doorbroken historiografische cultuur is onze terminologie nog altijd te masochistisch. Alles wordt tegenwoordig simpelweg meteen totalitair genoemd. Als we niet proberen van die eenvoudige categorieën af te komen, dan zullen we ons nooit kunnen bezighouden met historisch onderzoek op deelterreinen, met subculturen die wel degelijk bestaan hebben. Bijvoorbeeld: het heldendom speelt in onze Russische geschiedenis een belangrijke rol, helden zijn altijd sociale fenomenen geweest. Dus is het interessant om sociale subculturen te onderzoeken: welke normen bestonden daar, welke mythes werden er in leven gehouden en wie werden er wel of niet tot het heldendom verheven?

""Ook binnen de partij kun je zo op onderzoek uit gaan. Zelfs binnen de KGB kan het. Want dat de KGB een eensgezinde organisatie was, is ook zo'n mystificatie uit het begrippenkader van het totalitarisme. Als het om het Brezjnev-tijdperk gaat, of om het breukpunt 1985, is de term totalitarisme eigenlijk alleen maar grappig. We moeten juist toe naar een historisch debat over modernisatieprocessen in het algemeen. We moeten vergelijkend onderzoek aandurven waarbij ook de historische ontwikkelingen in Duitsland, Iran en Spanje worden betrokken.''

Zonder het met zoveel woorden te willen zeggen, hebben Basilov, Markov en Samsonov hiermee overigens indirect wel degelijk theoretische pretenties. Als hen lukt wat ze willen, zal hun werk onvermijdelijk moeten leiden tot een ander en minder manicheïstisch beeld van het eigen communistische verleden. Precies zoals het in Duitsland gegaan is. Ook daar moest de geschiedschrijving eerst door een periode van vernietiging heen alvorens men met een vorm van historisering kon beginnen. Ook in Duitsland kon Sebastian Haffner zijn recalcitrante Anmerkungen zur Hitler pas schrijven nadat zijn collega's eerder nauwgezet en veelal schuldbewust het nazistische vuil hadden opgerakeld.

Het verlangen van de jongens in Petersburg grenst dus bijna aan hoogmoed. Met haar vergaande ambities, heeft de Associatie van jonge historici in Sint-Petersburg zich immers met een programma opgezadeld waarover de Duitse na-oorlogse geschiedschrijving maar liefst veertig jaar heeft gedaan.

Foto: van links naar rechts: Joeri Basilov, Aleksei Markov, Pjotr Samsonov