John Major! Wie had dat ooit kunnen denken?

LONDEN, 11 APRIL. “Wie had dat ooit kunnen denken?” waren de eerste woorden die John Major sprak toen hij in november 1990 als kersvers partijleider het van Margaret Thatcher geërfde Conservatieve kabinet toesprak in de vergaderkamer van de ambtswoning, 10 Downing Street. En volgens een venijnig, van snobisme doortrokken portret van Major in de Sunday Times vorige week zou hij zich al eerder over de splendeur van de ambtswoning tegen intimi hebben laten ontvallen, dat dit niet was “voor ons soort mensen”.

Wie had dat ooit kunnen denken? John Major heeft in de aanloop tot de verkiezingen, zoals dat de leider van een politieke partij betaamt, steeds volgehouden dat hij “ijskoud en steevast” overtuigd was dat zijn partij opnieuw zou winnen. Het leek het fluiten in de wind van een man die vooral vurig hoopte op erkenning van méér dan alleen zijn eigen partijleden, dat hij de titel van Brits premier verdiend had. Maar Norma Major had het spel eigenlijk tegelijkertijd al weggegeven, door in een damesblad te onthullen dat ze nog steeds geen plannen had gemaakt om haar huishouden naar Downing Street te verplaatsen, “niet voor we weten of dat iets permanents wordt”. En ze liet zich met John portretteren, staande in het huis in Huntingdon, met staaltjes voor nieuwe gordijnen dáár.

De columnist Julian Critchley, Conservatief parlementslid voor Aldershot en schenenschopper-uit-behoefte, had voor Major de verliezer al de baan buiten de politiek bedacht: filiaalhouder van een provinciale kantoorboekhandel. "Meneer Grijs', "kameleon-man', de "chauffeur met Mrs Thatcher op de achterbank', was, zo meenden waarnemers, niet de figuur om in een nek-aan-nek verkiezingsstrijd vuur uit de campagne te slaan en de kiezers te enthousiasmeren. Elke keer als die trouwhartige uilebril met zijn zeepkist en zijn onkarakteristieke Barbour-jas “bye!” riep tegen een menigte in een winkelstraat, hoorde je de campagnewaarnemers zuchten. Telkens als hij zich bij het bezoek aan weer een computerwerkplaats uitliet in termen van "very remarkable indeed' werd de herinnering levend aan de manier waarop Neil Kinnock met mensen omging: intiem, direct, enthousiasmerend, uitbundig. En toch: wie had dat ooit kunnen denken? Het is John Major en niet Neil Kinnock die voor een nieuwe regeringsperiode die goudgegalonneerde ambtswoning achter Whitehall betrekt en het is Norma, en niet Glenys, die het first-lady-schap op zich neemt.

Het is de inhoud van de politiek en niet de persoon van de leider die de uitkomst van verkiezingen dient te beïnvloeden. Desondanks: de persoon van de leider wordt geacht een rol te hebben gespeeld in het verlies van Labour en de verbijsterende overwinning van de Conservatieven. Neil Kinnock ontpopte zich als Mozes: de man die zijn volk het beloofde land wijst, maar dat zelf nooit zal mogen betreden. De figuur van John Major onttrekt zich aan een bijbelse metafoor, of het moest misschien die van Job zijn. Opnieuw: wie had dat ooit kunnen denken?

Pag.5: Victorie van solide Major

Hoe het zij, die saaie Major, die solide, ogenschijnlijk fantasieloze ijveraar voor een klasseloze maatschappij, heeft de Conservatieven een overwinning bezorgd in een situatie waarin de partij zelfs volgens de Financial Times niet verdiende te winnen. Wat zegt de uitslag van deze verkiezingen van 9 april 1992 nu over de Britse kiezer? Dat hij - in de woorden van Neil Kinnock - de thuislozen, de zwakken en de kinderen is vergeten? Of dat hij zijn vertrouwen uiteindelijk liever stelt op een man met een bril en een oprechte uitstraling (zie ook de voorkeur voor Labours John Smith) dan in een roodharige verbale virtuoos met wapperende gebaren, wiens gegoochel met woorden weinig wol doet vermoeden?

“Op donderdag vraag ik deze natie om oog te hebben voor hoe ik dit land heb gediend, om te kijken naar mijn idealen voor de toekomst en om dan haar vertrouwen te stellen in mij en in mijn partij, die dit land zo goed en zo waarachtig hebben gediend”, zei Major deze week. Zevenenvijftig procent van de natie, meer dan de helft, besloot zijn stem niet aan de Tories te geven, slechts drieënveertig procent zei “ja” op Major's appèl. “Al die verworvenheden”, zei mevrouw Thatcher, van nu af aan de koningin-moeder van de Tory Party, over haar hervormingen naar marktgerichtheid en individuele verantwoordelijkheid en naar het terugrollen van de bemoeienis van de staat. “Uiteindelijk waren de mensen niet bereid die los te laten.”

Al die verworvenheden? Bijna drie miljoen werklozen, 80.000 gezinnen die door de hoge rentedruk hun hypotheek niet meer kunnen betalen en op straat worden gezet, kleine bedrijven die met een snelheid van duizenden per kwartaal failliet gaan, een auto-industrie die bijna op de knieën is gedwongen en een bedrijfsleven dat niet voldoende capaciteit heeft om zelfs in een recessie aan de binnenlandse vraag te voldoen? Was het een wonder dat Labour dacht dat het dit keer écht de verkiezingen ging winnen?

Als John Major zichzelf morgen tracteert op een fry up for breakfast, eieren, bacon, tomaat én een worstje, flitst het misschien opnieuw door hem heen: wie had dat ooit kunnen denken? En wie weet is het die hoedanigheid, die van de nederige voorstander van de klasseloze maatschappij, die zich serieus bezint over de route waarlangs ons-soort-mensen dan wel de top bereikt, die verklaart waarom het de Conservatieven onder John Major zijn die tot ver in de jaren negentig in Groot-Brittannië de dienst uitmaken.