Een Chinese boomklimmer

Twee jaar geleden gaf iemand mij een Chinese plant cadeau waar ik nooit van gehoord had: een Belamcanda chinensis.

Aangezien het in de herfst was waren er geen bloemen te zien, alleen maar wat iris-achtige bladeren en merkwaardige opengebarsten zaaddozen met trossen glanzende zwarte zaden die aan grote bramen deden denken. De gangbare naam in het Engels is blackberry lily (braamlelie?), hoewel zij in feite behoort tot de irisfamilie, zo vertelde de gever mij, en hij voegde er aan toe dat hij deze plant zelf uit zaad had gekweekt. Ik kan me de aantrekkelijkheid daarvan voorstellen, de zaden schreeuwden om zo te zeggen om geplant te worden. In dezelfde pot stond ook een Ceratostigma willmottianum; het leek mij heel goed dat deze twee Chinese planten bij elkaar hokten.

Vorige zomer bloeide de belamcanda uitbundig, oranje bloemen voortbrengend met zwarte vlekjes. Dat klinkt afzichtelijk maar het is niettemin mooi, heel teer en op een of andere manier zeer Chinees. Elke bloem duurt maar een dag, daarna rollen de bloemblaadjes zich op in een nauwe spiraal, in voorbereiding op de produktie van die bramen. De plant bleef in haar pot en ik besteedde er niet veel aandacht aan; haar tweede uur van triomf kwam toen ik in een boekhandel stond en aarzelde tussen twee grote en dure planten-encyclopedieën. De ene bevatte de belamcanda en de andere niet, en dat is de reden dat ik tenslotte de encyclopedie van de Royal Horticultural Society kocht en niet die van de Readers' Digest.

Toen kwam ik een boek tegen over Chinese tuinbloemen (1), vol Chinese namen en bronverwijzingen. Goed zo, alweer een kans om de belamcanda te testen. En jawel, daar was zij, een echte Chinese tuinplant ""hoewel niet als zeer waardevol beschouwd in de Chinese tuin.'' In China groeit zij in het wild en zij wordt medicinaal gebruikt. ""Zij is bekend als She Kan (in de moderne transcriptie shegan), een naam uit de klassieken,''luidde de behulpzame toelichting: ""Onder deze naam wordt zij genoemd in een gedicht van Sz'ma Siang-ju (Sima Xiangru, 179-117 v.Chr) in 120 v. Chr.''

Een plant genoemd door de grote Sima Xiangru in mijn eigen tuin! Maar de moed zonk me in de schoenen bij de gedachte dat ik het gedicht nu ook zou moeten lezen: zijn fu-gedichten (de Engelse omschrijving luidt "rhyme-prose') zijn berucht, een voorbeeld van iets dat alleen de meest perverse sinologie-student niet uit de weg probeert te gaan; de reden is hun grote lengte en het feit dat ze vol staan met kleurrijke beschrijvingen waarin uit effectbejag steeds vreemdere woorden op elkaar worden gestapeld. In de woorden van Arthur Waley: ""Zo'n glinsterende stroom van woorden is daarna nooit meer uit de pen van enige schrijver ter wereld gevloeid en naast hem is Euphues timide en Apuleus kil.''

Bij het verder gaan begonnen er twijfels bij mij op te komen aan de kennis van zaken van de heer Li: om te beginnen bleek de Chinese naam van de plant niet te worden uitgesproken als shigan maar als yegan, het enige voorbeeld van deze uitspraak voor het eerste karakter. Nou ja, een detail; maar er was meer. De yegan komt voor in een gedicht dat Sima Xiangru onder de aandacht bracht van Keizer Wu van de Han dynastie (""Wat spijtig dat ik niet mocht leven in dezelfde tijd als de schrijver hiervan!'' riep de keizer uit, om daarop te horen te krijgen dat de dichter springlevend was); het gedicht heet Zixu fu, vertaald door Burton Watson (2) als "Sir Fantasy', en het gaat over de jacht. Het is een zeer lang gedicht, heel boeiend om in het Engels te lezen, maar een zware opgave in het Chinees. Watson zei dat het lezen van deze fu gedichten uit de Han dynastie iets is als het lezen van "Jabberwocky', en ik ondervond al gauw hoe waar dat is.

Ik begon met de Engelse versie door te kammen; aan plantennamen geen gebrek ("Mallows, henbane, cattails, and bulrushes,/ Marsh roses and bog rhubarb,/ Water lilies, cress and mare's tail,/ Wormwood and swamp cabbage./ All manner of plants are here,/ Too numerous to be counted'), maar van de yegan geen spoor. Vervolgens ging ik op zoek in de Chinese tekst en daar vond ik haar inderdaad, maar met de raadselachtige aantekening, van een commentator uit de 5de eeuw: "De yegan ziet er uit als een vos en klimt in bomen."

Het zijn zulke toelichtingen die het lezen van Chinese poezie tot zo'n opwindende bezigheid maken. Bij wijze van toegift werd hier voor "klimmen' een nogal ongebruikelijk woord gebruikt, ontleend aan een uitdrukking van Mencius: ""in een boom klimmen om een vis te vangen'', het Chinese equivalent van ""blaffen onder de verkeerde boom''. Maar het klopt wel veel beter, ook volgens het woordenboek is de yegan een soort marter, die in de boeddhistische geschriften wordt genoemd, ""een wild beest dat lijkt op een donkergele hond, het eet mensen en klimt in bomen''.

Geen wonder dat ik in de Engelse vertaling van het gedicht geen belamcandas had kunnen vinden; de yegan treedt er in op onder de gedaante van een "lemur' (Ned. "maki'). Ongetwijfeld had die commentator uit de vijfde eeuw al evenmin een duidelijk idee van de yegan; Watson klaagt over de moeilijkheid van het vertalen van zulke termen in het Engels en zegt dat hij geprobeerd heeft, ""op basis van aanwijzingen verschaft door de commentatoren, om een min of meer equivalent Engels woord te vinden, hoewel het heel goed mogelijk is dat ik in mijn onwetendheid het oude China bevolkt heb met schepselen die daar nooit bestaan hebben.'' Zijn scrupules sieren hem; de Chinese commentatoren hadden daar minder last van.

Ondanks dit alles is het mij toch nog gelukt de juiste boom te vinden om onder te blaffen en een authentieke verwijzing te vinden naar de belamcanda, namelijk in een gedicht van Liu Xiang (77-6 v.Chr). Ook Liu Xiang had contacten met de Keizer - hij was in feite geparenteerd aan de keizerlijke familie - maar raakte al vroeg in zijn leven in moeilijkheden toen hij de Keizer een methode om goud te maken aanbeval die helaas niet effectief bleek maar wel bakken vol geld kostte. Liu Xiang werd ter dood veroordeeld, kreeg gratie, rees tot een hoge positie onder de volgende Keizer, viel opnieuw in ongenade en werd tenslotte gerehabiliteerd. Hij is voornamelijk bekend als bibliograaf maar hij schreef ook, met enig recht heb je het gevoel, een serie gedichten getiteld "Negen weeklachten' (Jiu tan), en het is in een daarvan dat de Chinese bramenlelie tenslotte haar lang verwachte entree maakt.

Zij verschijnt in het 7de gedicht, Min ming, "Grieved by his fate' in de vertaling van David Hawkes (3), waarin de goede oude tijd in gloedvolle termen wordt beschreven en bitter gecontrasteerd met de gruwelen van het heden: moordenaars aan de macht, ministers zo bedeesd dat ze op het slagveld sterven van angst, vluchtende eenhoorns en beren ravottend in de paleistuinen. Zelfs de goede bloemen moeten het ontgelden, ten koste van minderwaardige: "Iris, melilotus, and freesia are uprooted;/ Wild bean and zingiber are carefully hoed." Met "freesia' wordt hier de yegan bedoeld, Belamcanda chinensis.

Eindelijk! Niet een gele pitbull die zich van boom tot boom slingert, maar echt de plant zelf - en, wat een opluchting na dit alles, een goede plant, waarvan het cultiveren een symbool is van de zaken op orde en onder controle hebben.

Het zou mij diep hebben teleurgesteld als het zoiets laags was geweest als zingiber of wilde boon. De belamcanda mag dan in China geen hoog aangeschreven tuinplant zijn geweest maar zij heeft tenminste haar plaats, hoe bescheiden ook, in de literatuur.

(1) H.L.Li, The Garden Flowers of China, Ronald Press, New York, 1959.

(2) Burton Watson, Chinese Rhyme-Prose: Poems in the Fu Form from the Han and Six Dynasties Periods, Columbia, New York, 1971.

(3) David Hawkes, Ch'u Tz'u: The Songs of the South, Oxford UP, 1959.