DE CULTUURPESSIMISTISCHE BEVLOGENHEID VAN OSWALD SPENGLER

Oswald Spengler en "Der Untergang des Abendlandes'. Cultuurpessimist en politiek activist door Frits Boterman 402 blz. geïll. Van Gorcum 1992, f 57,50 ISBN 90 232 2695 X

Onheilsvisioenen zijn van alle tijden, al zijn ze in de ene periode talrijker dan in de andere. De eerste decennia van de twintigste eeuw kenden in dit opzicht een hoogconjunctuur, met bijvoorbeeld Ortega y Gasset, Werner Sombart, Martin Heidegger en natuurlijk Oswald Spengler. Die laatste was ongetwijfeld de bekendste, ook al reikte de vertrouwdheid met zijn Der Untergang des Abendlandes vaak niet verder dan de titel. Die titel, bijna een slagzin, gaf een pakkende naam aan een wijdverbreid cultureel onbehagen. De kolossale studie van de Duitse cultuurfilosoof - twaalfhonderd pagina's lang - was zo tegelijkertijd symptoom en diagnose van de alom gevoelde beschavingscrisis.

Het eerste deel van Der Untergang verscheen in 1918, het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog: het tweede deel in 1922 toen Europa nog allesbehalve een uitweg had gevonden uit de enorme chaos die de oorlog had veroorzaakt. Verbijstering over het enorme aantal slachtoffers van de oorlog, de angst dat de bolsjewistische revolutie naar West-Europa zou overslaan en de aanhoudende politieke instabiliteit in de Middeneuropese landen vormden een klimaat waarin onheilspellende profetieën gretig aftrek vonden. De westerse cultuur ging ten onder, het bewijs was overvloedig.

Spenglers voorspellingen over de opkomst der massa's en de vermorzeling van de individuele vrijheid en de menselijke waarden als gevolg van de voortschrijdende technische ontwikkeling vonden bij menig cultuurcriticus gehoor. Ook in Nederland. In zijn lange bespreking voor De Gids uit 1921 bekende Johan Huizinga dat hij, ondanks allerlei bezwaren tegen de door Spengler gehanteerde historische methode, misschien wel aan diens onheilstijding moest geloven. Toch vond hij Spenglers boodschap te negatief, te pessimistisch. Huizinga bleef bij dat laatste oordeel, ook toen hij zich in 1935 met In de schaduwen van morgen, zijn eigen diagnose van de Europese cultuurcrisis bij het koor van de onheilsprofeten had gevoegd. Desalniettemin was Spenglers boek volgens Huizinga nuttig geweest. ""Thans', schreef hij in 1935, ""is het besef van midden in een hevige en met ondergang dreigende cultuurcrisis te leven tot in breede lagen doorgedrongen. Spenglers Untergang des Abendlandes is voor talloozen in de geheele wereld het alarmsein geweest. Dit betekent niet, dat al de lezers van het beroemde boek zich tot de daar geboden inzichten hebben bekeerd. Maar het heeft hen vertrouwd gemaakt met de mogelijkheid van daling der huidige cultuur, waar zij te voren nog bevangen waren in een onberedeneerd vooruitgangsgeloof.' Spenglers "ondergangstheorie' bleef hem evenwel "te zelfverzekerd'.

FAUSTISCH

Zelfverzekerd was Spengler zonder twijfel. Dat bleek al uit de openingszin van zijn magnum opus. ""In dit boek wordt voor het eerst de poging gewaagd, geschiedenis van tevoren te bepalen', schreef hij. In 1911, drie jaar voor het begin van de Eerste Wereldoorlog, was hij aan Der Untergang des Abendlandes begonnen. Het was een studie over de opkomst en ondergang van de grote historische culturen. De drijvende kracht achter deze cultuurcycli was volgens Spengler het noodlot, ""het onafwendbare "Schicksal', een irrationele kosmisch organische levenskracht die zich als het ware openbaarde in de cultuur met al haar vormen en uitingen'.

Der Untergang des Abendlandes eindigde met Spenglers voorspelling van de onafwendbare ondergang van wat hij de "faustische' cultuur van het avondland noemde. "Faustisch' betekende in zijn vocabulair zoveel als dynamisch en expansief, het moest de "Hang zum Unendlichen' van de westerse cultuur aangeven. Overtuigd van zijn eigen gelijk noteerde de dichter-profeet aan het slot van zijn boek: ""Wij hebben niet de vrijheid dit of dat te bereiken, maar slechts de keuze het noodzakelijke te doen of niets. En een taak die de noodzakelijkheid der geschiedenis heeft opgegeven, wordt uitgevoerd, met de enkeling of tegen hem. Ducunt fata volentem, nolentem trahunt [De gewillige leidt het lot, de onwillige sleept het mede].'

Spengler koesterde weinig hoop over hetgeen het historische lot in petto had. Dat het avondland ten onder ging, stond voor hem vast. De laatste fase van de westerse cultuur zou slechts oorlogen en barbarij brengen. Europa wachtte een nieuwe "Romeinse tijd'. Een "Imperium Germanicum' zou de cultuurcyclus van het avondland afsluiten. Daarna volgde een primitieve cultuurloze oertoestand, identiek aan het beginpunt. Spengler maakte van de nood een deugd. De westerse mens, orakelde de cultuurfilosoof, deed er verstandig aan zijn historische lot te omarmen. Zijn sombere toekomstvisioen eindigde aldus met een heroïsch "amor fati'.

ACTIVIST

Spenglers werk is veelvuldig onderwerp van studie geweest. Aan deze literatuur is nu een nieuwe titel toegevoegd: Oswald Spengler en "Der Untergang des Abendlandes'. Cultuurpessimist en politiek activist heet de studie waarop de Asterdamse historicus Frits Boterman op 10 april jl. promoveerde. Het is een lijvig proefschrift geworden. Anders dan in de reeds bestaande literatuur het geval is, heeft Boterman niet de speculatieve cultuurcyclische geschiedfilosofie van Spengler centraal gesteld. De critici van Spengler, meent hij, hebben die speculaties, als algemene beschavingstheorie, veel te serieus genomen. Daarnaast vindt Boterman dat Spengler te lang eenzijdig beschouwd is als een wegbereider van het nationaal-socialisme. In plaats van zo'n ideeën-historische of politiek-ideologische invalshoek, koos Boterman voor een biografisch en sociaal-cultureel perspectief. Hij wil laten zien dat Spenglers cultuurfilosofie en zijn politieke ideeën karakteristiek waren voor de generatie radicaal-conservatieve Duitse intellectuelen waartoe de filosoof behoorde. Het gaat hem terecht niet om de wetenschappelijke waarde van Spenglers geschiedfilosofische speculaties, maar om de bedoelingen - op politiek en persoonlijk vlak - van de filosoof.

Boterman heeft goede argumenten voor deze benadering. Ten eerste trad Spengler als criticus van zijn tijd naar buiten. Hij heeft nooit gepretendeerd eeuwige waarheden te debiteren. Die bestonden in zijn wereldbeeld eenvoudigweg niet. Ten tweede beschouwde Spengler zichzelf als een profeet, een ziener die, na de Eerste Wereldoorlog, probeerde zijn visioenen langs politieke weg te verwezenlijken. Spengler moet volgens Boterman niet zozeer als een serieuze geschiedfilosoof beschouwd worden maar als een intellectueel en politieke activist die een oplossing wilde aanreiken voor de problemen van zijn eigen tijd. Wat dit oplevert, is een studie waarin vooral Spenglers politieke activiteiten na 1918 uitvoerig en nauwgezet worden belicht. Botermans analyse en kritiek op Spenglers geschiedtheoretische systeem, het meestbezongen thema in de "Spengler-Forschung', steekt daarbij enigszins mager af.

Boterman heeft een bijzonder gedetailleerd boek geschreven. Hij kent uitstekend de weg in het duistere labyrint van de Duitse filosofie. Ook heeft hij gebruik gemaakt van een grote hoeveelheid archiefmateriaal van Spenglers correspondentie en van diens ongepubliceerde manuscripten. Helaas wordt de lezer wel gehinderd door de loodzware academische architectuur van het boek. Ieder hoofdstuk kent een eigen inleiding en slotbeschouwing; vragen, centrale vragen en kernvragen buitelen over elkaar heen. Talrijk zijn ook de opmerkingen van het genre ""voordat deze kwestie behandeld wordt, zal eerst aandacht besteed worden aan...' Tijdens het ontwerpen van een studie zijn zulke bouwtekeningen handig, voor de lezer zijn het moeizame, omslachtige passages. En dat is jammer voor zo'n gedegen studie over zo'n opmerkelijke denker, een studie waar bovendien met veel enthousiasme aan gewerkt is, getuige Botermans opmerkingen over de "poëtische charme' en de "cultuurpessimistische bevlogenheid' van Spenglers filosofie.

AUFSTEIGER

Die twee laatste kwalificaties betreffen het eerste deel van Der Untergang des Abendlandes. Het boek was geboren uit frustratie. Spengler, geboren in 1880, groeide op in een kleinburgerlijk gezin. Hij bleek een echte intellectuele "Aufsteiger' te zijn met grenzeloze ambities. Ambities die hij als docent aan een gymnasium niet bevredigd zag. Dat was niet helemaal aan zijn eigen pretenties te wijten. Spengler werd docent in een tijd waarin het in de humanistische traditie geschoolde "Bildungsbürgertum' een geleidelijke en onafwendbare statusdaling doormaakte. De industriële samenleving had de geprivilegieerde positie van de "Bildungsbürger' aangetast. Techniek en natuurwetenschappen waren belangrijker geworden dan de humaniora.

Bovendien werd de humanistische traditie van binnenuit ondermijnd. Het was Nietzsche die deze grootscheepse aanval op het burgerlijke waardenpatroon aanvoerde. Lezing van diens Also sprach Zarathustra bracht de jonge Spengler tot het inzicht dat hij uitverkoren was dichter-profeet van zijn tijd te zijn, "eine Art Messias'. Lezing van Nietzsches werk overtuigde hem er eveneens van dat de culturele waarden van de burgerlijke elites achterhaald waren. Daarmee nam Spengler afstand van zijn eigen "Bildung' en van zijn maatschappelijke functies als docent. Maar evenmin moest hij iets hebben van het anti-burgerlijke protest van de bohème van kunstenaars en schrijvers: hij was geschokt door hun culturele anarchisme en hun ostentatief decadente gedrag.

Spengler ging gebukt onder intellectuele zelfhaat. Wederom geïnspireerd door Nietzsche zocht hij een uitweg in een nieuwe wilsethiek. Daadkracht, macht en hardheid waren de waarden die zijn respect afdwongen. Teruggetrokken en levend van wat journalistiek schnabbelwerk begon Spengler aan zijn Untergang des Abendlandes. Vanaf 1914, onder druk van de oorlogsomstandigheden kregen Spenglers wereldhistorische speculaties nationalistische trekken. Hij stelde zijn filosofie in dienst van de Duitse natie. Hij hoopte, zo bleek uit zijn voorwoord uit december 1917, dat zijn boek niet helemaal onwaardig naast de militaire inspanningen van de natie zou staan.

Spengler was ervan overtuigd dat de oorlog het begin zou inluiden voor het verwachte "Imperium Germanicum'. De ondergangs- of "Zivilisations'-fase van de westerse cultuur zou een imperialistisch tijdvak worden, gekenmerkt door oorlogen, "Riesenkämpfe', tussen de westerse staten. Duitsland had de beste uitgangspositie in deze periode van "Cäsarismus'. De Duitsers waren immers de nieuwe Romeinen. Tot ver in 1918 was Spengler ervan overtuigd dat Duitsland de oorlog zou winnen. De nederlaag, een jaar later nog eens bezegeld met het Verdrag van Versailles, verraste hem volledig. In de desillusionerende naoorlogse periode, die gekenmerkt werd door revolutiepogingen van links en rechts, begon hij zijn politieke activiteiten.

COUPPOGING

Spengler werd een van de activisten van de zogenoemde "revolutionair-conservatieve' beweging, een uiterst vaag complex van anti-democratische groeperingen. Terecht stelt Boterman dat deze "Konservatieve Revolution' meer was dan enkel een tegen de Weimar-democratie gerichte strijdkreet. Het is geen geringe verdienste dat hij een deel van deze beweging gedetailleerd in kaart heeft gebracht. De "Konservative Revolution' beschikte over een wijdvertakt netwerk van contacten onder de academische elite, de industriële en militaire top en de bureaucratie - de bastions van de autoritaire negentiende-eeuwse "Obrigkeitsstaat'. Het was een politiek zeer actieve club. Spengler, die inmiddels naam had gemaakt met de publikatie van het eerste deel van Der Untergang des Abendlandes, trad nu uit zijn intellectuele isolement. Hij vond gehoor bij een groep politiek actieve grootindustriëlen uit het Ruhrgebied met pleidooien voor een Pruisisch socialisme. Dat was inderdaad een soort "nationaal socialisme', waarin de staat geleid zou worden door een elite van "Tatsachenmenschen' voor wie politiek de "rücksichtslose' uitoefening van macht betekende.

Deze activiteiten culmineerden eind 1923 in een couppoging. Gesteund door delen van de Reichswehr, Beierse paramilitaire organisaties en industriële belangengroepen zou met het conservatieve Beieren als machtsbasis een rechts-autoritair regime in Duitsland worden gevestigd. De coalitie waarmee Spengler zich had verbonden was in 1923 echter niet de enige groep met plannen voor een putsch. Hitler trad met zijn NSDAP net even doortastender op. De Hitler-Ludendorffputsch van 8 en 9 november 1923 werd echter door de Münchense politie onderdrukt. De republiek overleefde de aanslag, niet in de laatste plaats omdat de Reichswehr de democratische regering in Berlijn steunde. Volgens Spengler was nu ook de kans op succes van de anti-democratische "nationale beweging' voorlopig verkeken: de mislukte Hitlerputsch had hun couppoging verijdeld!

Verrassend genoeg distantieert Boterman zich niet van Spenglers lezing van de gebeurtenissen in München. Ook hij is ervan overtuigd dat eind 1923, met de inflatiecrisis, toenemende werkloosheid en Franse troepen in het Ruhrgebied, de kans op omverwerping van de Weimar-democratie groter was dan in de voorgaande jaren.

Zeker, de republiek werd bedreigd. Maar bleef de regering-Stresemann werkelijk in het zadel omdat Hitler met zijn strapatsen, de rechts-nationale beweging in de wielen reed, zoals Boterman met Spengler stelt? Tenslotte was de anti-democratische beweging nog onverminderd actief, de politieke en economische problemen waren niet op slag voorbij en de Reichswehr mocht in dit geval dan de kant van Berlijn hebben gekozen, een garantie voor haar toekomstige gedrag bood dat zeker niet. De vraag is of de auteur hier niet Spenglers politieke inzicht overschat. Had de chef van de Reichswehr, Von Seeckt, het niet bij het rechte eind toen deze na een onderhoud met Spengler in augustus 1923 waarin ook de putschplannen ter sprake waren gekomen aan zijn vrouw schreef, dat de filosoof "ein politischer Narr' was die beter samen "mit dem Abendland' had kunnen ondergaan? Spengler, een cultuurfilosofische malloot in de politiek!

VERGUISD DOOR DE NAZI'S

Het spreekt voor zich dat Spengler een blijvende argwaan koesterde tegen Hitler. Die hield hij tenslotte verantwoordelijk voor het mislukken van zijn eigen politieke plannen. Spengler steunde het nazisme voorzover dat een anti-democratische beweging was. Van het antisemitisme en de rassenleer, noch van Hitlers mobilisatie der massa's moest hij iets hebben. Natuurlijk nam de cultuurpessimist ook afstand van de illusoire heilsverwachting van het nazisme. Veel meer was Mussolini Spenglers model voor een Duitse Caesar.

Toch was het Hitlers partij die uiteindelijk een einde maakte aan de Republiek van Weimar. Opnieuw vluchtte Spengler in zijn apocalyptische ondergangsvisioenen. Tevergeefs probeerde Goebbels zijn medewerking te verkrijgen. Een deel van de nazitop vond Spenglers cultuurfilosofie bovendien te pessimistisch. Ze was onbruikbaar voor de opbouw van de nazi-heilstaat. Vanaf 30 juni 1934, toen behalve de SA-top ook enkele vrienden van Spengler uit de sinds Hitlers machtsovername compleet overrompelde "conservatief-revolutionaire' beweging werden vermoord, trok de filosoof zich, vrezend voor zijn leven, terug uit de openbaarheid. Nog even leek hij het negentiende-eeuwse cultuurideaal, dat hij nog voor de Eerste Wereldoorlog dood had verklaard, nieuw leven in te willen blazen. Veel te laat zag hij in dat dit ideaal tijdens de door hem zo gehate democratie meer kans had gehad, dan nu, onder het plebejische bewind van de nieuwe barbaren.

Boterman houdt Spengler terecht medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling van een geestelijk klimaat waarin het nazisme kon gedijen. Zijn conclusie dat de tragiek van Spenglers leven is, dat deze zijn bijdrage aan de afbraak van de Weimar-democratie na 1933 niet meer ongedaan kon maken, deel ik echter niet. Spengler was een elitaire nationalist, ook na 1933. Zowel zijn openlijke als stille verzet tegen de nazi's vormden een protest van een anti-democratische concurrent. Spengler was nooit een verdediger van de democratie, ook niet na Hitlers machtsovername. Doodgezwegen en verguisd door de nazi's overleed Spengler op 8 mei 1936 aan een hartaanval.

MOEDER

Blijft ten slotte het psychologische raadsel-Spengler. Hoe is het mogelijk dat iemand zich zo fanatiek en langdurig inzet voor wat hij ook zelf als een even onvermijdelijke als ellendige, harde en barbaarse toekomst beschouwde? Een toekomst die men heroïsch diende te ondergaan, zoals, schreef hij eens, ""die Romeinse soldaat, wiens beenderen men voor een poort in Pompeï had gevonden en die stierf, omdat men hem bij de uitbarsting van de Vesuvius vergeten had af te lossen; een soldaat kortom, die plichtsgetrouw op zijn verloren post bleef, zonder hoop, zonder redding'. Boterman zoekt de verklaring in de studie Het drama van het begaafde kind. Een studie over narcisme van de psychologe Alice Miller. Spengler zou een narcistische storing hebben gehad. Hij leed aan zelfoverschatting als gevolg van gebrek aan aandacht van zijn gefrustreerde moeder. Zijn persoonlijke falen projecteerde hij op zijn omgeving. Haat, rancune en de verkondiging en heroïsche aanvaarding van de ondergang camoufleerden onbewust zijn gevoelens van machteloosheid. Dat Spengler een tegelijk megalomaan en depressief man was, is evident. Voor de hardnekkigheid van de onheilsvisioenen van Spengler lijkt me de geboden verklaring echter wat mager. Het is me bovendien te gemakkelijk: geef je moeder maar weer de schuld! Botermans boeiende studie over Spengler was beter af geweest zonder deze korte excursie op het glibberige pad van de psychohistorie.