CAREL HENDRIK GRAAF VERHUELL & JULIUS CONSTANTIJN RIJK; Twee gemankeerde Hollandse zeehelden

Admiraal van Napoleon. Het leven van Carel Hendrik graaf VerHuell 1764-1845 door prof.dr. L. Turksma 223 blz., geïll., Walburg Pers 1991, f 39,50 ISBN 90 6011 745 X

Julius Constantijn Rijk. Zeeman en minister 1787-1854 door J.R. Bruijn, H.J. den Heijer en H. Stapelkamp 128 blz., geïll., De Bataafsche Leeuw 1991, f 39,90 ISBN 90 6707 269 9

Voor de jonge Julius Constantijn Rijk was een baantje bij de marine dè manier om aan geld te komen, voor de jonge Carel Hendrik VerHuell paste het in de familietraditie, zij het dat vader hem aanvankelijk bij het landleger had gestald. Na lang jengelen mòcht Carel dan naar zee, maar toen hij deze bij Harderwijk voor het eerst zag, viel het hem zwaar tegen.

Beide knapen gingen ongetwijfeld naar zee in de hoop de voetsporen van De Ruyter en Tromp te drukken, maar de marine was in de Bataafse en Franse tijd veroordeeld tot kustbewaking en stilliggen. In 1810 werd ze ingelijfd bij de Franse marine. Na 1815 kon de marine wat spelevaren in de Middellandse Zee en cruises ondernemen naar de Oost en de West.

Kon je in zo'n marine dan nog een leuke loopbaan ontwikkelen? Nee. Onze beide zeehelden wilden wel, maar konden niet. Het grootste deel van hun leven hebben beiden aan de wal doorgebracht, als ambtenaar, Kamerlid of minister. De één in dienst van Napoleon, de ander in dienst van het Oranjehuis, maar beiden bleven kleine pionnen op het bord.

De slotvraag, wat moet je met deze boeken, kan ik niet beantwoorden, maar voor de schrijvers ligt dat duidelijk anders. Turksma lijkt zijn held te willen rehabiliteren, want als "collaborateur' in een jammervolle periode van onze vaderlandse geschiedenis dreigde hij vergeten te worden, de auteurs over Rijk zijn dank zij deze krant op hun onderwerp gekomen. In januari en februari 1986 vestigde wijlen prof. dr. A. Korthals Altes de aandacht op Rijks dagboeken, die zich nog in particulier bezit bevonden. Aan de Leidse universiteit zijn die zes delen inmiddels nagevlast, en dit boek is één van de resultaten.

VerHuell en Rijk verschilden één generatie, maar hadden wel met elkaar te maken (ofschoon in Turksma's boek de naam Rijk niet voorkomt). In 1803 diende Rijk onder VerHuell in het "Bataafsch flottielje' en was van 1809 tot 1814 zelfs zijn adjudant. Blijkbaar dankte Rijk veel aan VerHuell: als hij minister van Marine is zal hij VerHuell nog opnemen in de Militaire Willemsorde als dank voor bewezen diensten tijdens de Slag bij de Doggersbank in 1781. Het lintje werd pas in 1843 uitgereikt. Zestig jaar te laat, schampert Turksma, maar het blijkt één van de eerste daden van Rijk als minister geweest te zijn. En dat terwijl hij VerHuell sinds 1814 niet meer gezien heeft.

In die Slag bij de Doggersbank wist de 17-jarige VerHuell zijn aangeschoten schip in veiligheid te brengen, en zulk moed, beleid en trouw openden vooreerst een glanzende carrière binnen de marine. In de zomer van 1792 werd hij bevelhebber der schepen, vanaf december 1794 adjudant-generaal van de vlootvoogd Van Kinsbergen. Toen Willem V hem het jaar erop vraagt mee te gaan naar Engeland, waarheen de stadhouder uitweek gezien aanhoudende binnenlandse troebelen, weigerde hij: VerHuell wilde Van Kinsbergen, de vloot en zijn gezin niet missen, en bovendien had hij aan de Vierde Engelse Zee-oorlog een grondige hekel aan de Britten overgehouden.

INVASIEVLOOT

Voor VerHuell brak een tijd van duimendraaien aan. Pas in 1803 kon hij weer aantreden, toen het staatsbewind hem aanzocht (twee eerder gevraagde figuren lieten het afweten) om ""commissaris-generaal voor de zaken der marine bij den Eersten consul Bonaparte'' te worden. Napoleon wilde een "Bataafs' hoofdofficier hebben voor de Nederlandse vloot, en, van staatswege uitgerust met de rang van schout-bij-nacht, maakte VerHuell zijn opwachting bij Napoleon. Beide heren konden uitstekend met elkaar overweg en hadden grote achting voor elkaar.

Napoleon had behoefte aan een grote vloot voor zijn geplande invasie van Engeland, en Nederland was verplicht daaraan mee te doen. VerHeulls eerste taak was het opbouwen van de nieuwe vloot op de werven van Texel en Vlissingen en in no-time was er een armada van driehonderdzestig schepen uit de grond gestampt. Tweede taak was deze vloot over te brengen via Oostende naar het invasiekamp te Ambleteuse, 70 km bezuiden Duinkerken. Door vlak onder de kust en achter zandbanken langs te varen slaagde VerHuell wonderwel in zijn taak en wist ondanks schermutselingen met de Britten de verliezen te beperken. Deze onderneming leverde hem zijn reputatie op (""hij wist de vloot te behouden'', ja, maar voorlopig wel voor de Fransen) en maakte hem extra dikke maatjes met Napoleon.

Het flottielje heeft te Ambleteuse werkeloos liggen toekijken: de invasie ging almaar niet door en werd zelfs nog voor het verlies van de Slag bij Trafalgar tegen Nelson al op 29 september 1805 geheel afgeblazen. De vloot werd in 1807 buiten dienst gesteld, waarop de schepen weer naar Holland terugvoeren.

Rijk monsterde af bij de invasievloot en ging twee jaar de Groningse en Oostfriese wateren bevaren; VerHuell bleef bij Napoleon, die hem eerst met tweeëneenhalf jaar minis-terschap, vervolgens evenlang met een gezantschap bedacht. Hij onderhield een levendige pendeldiplomatie tussen Den Haag en Parijs. Na de inlijving van het vaderland bij het Franse keizerrijk op 9 juli 1810 werd VerHuell vice-admiraal in de Franse marine en bevelhebber-generaal der reden en havens van het Noorden.

Drie jaar later was Nederland van de Fransen bevrijd en de vloot voerde weer de Nederlandse driekleur, behalve de scheepsmacht van VerHuell. Hij weigerde het nieuwe bewind te erkennen: als militair had hij er niets mee te schaften. Hij bleef trouw aan Napoleon of diens opvolger, daar had hij zijn eed aan gezworen. De erfprins (later Willem II) stuurde nog wel een mannetje naar VerHuell om hem op andere gedachten te brengen, doch deze was van zo geringe rang, dat VerHuell zich er beledigd door achtte. Daarmee had VerHuell het voorgoed verkorven bij de Oranjes.

Het eigenaardige feit deed zich nu voor dat, terwijl ook de kop van Noord-Holland bevrijd was, de oorlogsbodems in het Nieuwediep en het fort Lasalle (later Erfprins geheten) met een hoofdzakelijk Frans garnizoen de politieke situatie weigerden te erkennen. VerHuell stuurde Rijk naar Parijs om zelf aan Bonaparte te vragen wat hij nu moest doen. Volhouden, zei deze, ik kom je zo ontzetten. Maar hij kwam niet opdagen, erger nog, hij werd verbannen, en op 20 april zagen VerHuell en zijn garnizoen van negenhonderd man de waarheid onder ogen. Ze erkenden koning Lodewijk XVIII als souverein en hesen de witte lelievlag van de Bourbons.

CHAMBRES DES PAIRS

Op 4 mei 1814 gaf VerHuell de vloot en het fort over en stapte een week later over op een schuit die hem naar Frankrijk bracht. Een verdere loopbaan in Nederland kon hij wel vergeten. Ook Rijk vertrok naar Frankrijk, waar hij in de marine gelijk aan de slag kon. Dat duurde maar kort: de nieuwe regering in Den Haag had geen behoefte aan "repressie en epuratie' maar wilde wel een kwalitatief goed corps zee-officieren opzetten. Loyaliteit aan het oude stadhouderlijke bewind was geen criterium, zodat voor de meeste van de 489 officieren (in 1815) de dienst onafgebroken doorliep. Rijk kon terugkomen in de rang van luitenant eerste klas.

VerHuell naturaliseerde zich tot Fransman, en werd in oktober van dat jaar inspecteur-generaal der Franse marine, in de rang van vice-admiraal. Toen Napoleon het nog eens probeerde, heeft VerHuell zich niet aan zijn kant geschaard. In 1816 werd VerHuell gepensioneerd, maar in 1819 trad hij toe tot de Chambre des Pairs, een soort eerste kamer, een baantje dat hij ruim een kwart eeuw behield. Toen in 1836 de Arc de Triomphe de l'Etoile werd onthuld, bleek ook zijn naam te zijn uitgehouwen. Tot zijn dood in 1845 heeft hij zich geregeld sterk gemaakt voor de protestanten in Frankrijk. Hij ligt op Père-Lachaise begraven. Graf en monument zijn een "concession perpétuelle', maar er zijn geen nakomelingen meer om het graf ook te onderhouden.

OPMARS

Zo moeizaam als de betrekkingen van VerHuell en de Oranjes waren, zo soepeltjes waren die van Rijk, die een levenlang een protégé van het hof was. Prins Frederik hield hem geregeld de hand boven het hoofd, denkelijk omdat beiden lid waren van de vrijmetselarij (evenals VerHuell); sinds 1845 was hij grootmeester-nationaal voor de "oppergraden', op de prins na was hij daarmee de hoogste in rang. Had VerHuell hem in 1812 al eens aan het opmeten van de zeebodem bij Texel gezet, zulk hydrografisch werk pakte hij weer op in 1814. Hij zou zelfs één van de grondleggers van de moderne aanpak worden en zijn wetenschappelijke belangstelling voerde tot lidmaatschappen van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap en tot dat van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten. Maar hoe goed hij ook ingevoerd was, hij had zijn hart toch aan de actieve dienst verpand.

Dolgraag had hij meegevochten tegen de opstandige Belgen. Met het toentertijd grootste linieschip "De Zeeuw', waarover hij het commando voerde, kruiste hij voor de Belgische kust en zelfs in de Schelde, maar een schot heeft hij niet gelost. De martelaarsrol was weggelegd voor Jan van Speyk, de laatste zeeheld. Gevaren heeft Rijk nog wel geregeld, naar Sint Petersburg, naar Engeland en Amerika om de vorderingen op het terrein van stoomaandrijving te observeren, en naar de West, waarvan hij twee jaar gouverneur-generaal is geweest en waar de toestand toen al net zo deplorabel was als nu. In zijn opmars zette hij nu rasse schreden: 1841 directeur-generaal voor de Marine, 1842 schout-bij-nacht, 1843 minister van Marine, 1844 vice-admiraal.

Maar weer zat de tijd niet mee. De staatsschuld was enorm en hij moest werken met een gelijkblijvende begroting. Zesenzestig vaartuigen en vijf werven vielen onder zijn beheer, en ondanks druk tot sluiting van enkele daarvan wilde hij niet als "sloper van de marine' de geschiedenisboekjes ingaan. Zijn ministerschap was gericht op bestendiging van de situatie, vermindering van de bureaucratie en verbetering van de pensioenen. Er is wel verbaasd gereageerd op zijn aanblijven gedurende de grondwetsperikelen van 1848, maar Rijk kon zich een aftreden financieel eenvoudigweg niet veroorloven. Bovendien was hij buitengewoon gehecht aan de koning, die op zijn beurt grote belangstelling had voor de marine en dol was op vlootschouwen en parades. Willem II ""was bij uitstek de man van het grote gebaar, van de chevalreske allure, van de vorstelijke luister'', aldus de Utrechtse emeritus hoogleraar J. C. Boogman ooit schreef.

Met de dood van deze vorst in 1849 te Tilburg was voor Julius Constantijn Rijk de lol van zijn ministerschappen af: hij vroeg ontslag om gezondheidsredenen (jicht). Daarna is hij nog twee jaar Kamerlid geweest, tot de dood hem halen kwam. Zijn broeders van de vrijmetselarij richtten een mooi monument op op zijn graf op Oud Eik en Duinen, dat er nog steeds welverzorgd bijstaat.

REGELNEEF

VerHuell wordt gekenschetst als ""gehoorzaam, doortastend, efficiënt, naïef en onpolitiek'', type ijzervreter, Rijk wordt omschreven als ""daadkrachtig, eerzuchtig, zelfingenomen''. Hij had lef en trots, maar was ook een ongelofelijke regelneef. Voelde VerHuell zich vooral na vijftigste miskend en gefrustreerd, Rijk had op het goede paard gegokt en schijnt veel genoegen aan zijn leven beleefd te hebben. Dat weerspiegelt zich ook in de boeken: het verhaal van Rijk wordt plezierig verteld, chronologisch, logisch en helder, en met voldoende historische zijlijnen om de ontwikkelingen in een kader te zetten.

Turksma daarentegen heeft in zijn boek over VerHuell het officiële en privéleven uiteengerafeld en heeft een kaartenbak leeggeschud. Hij is de lijn vergeten en veronderstelt veel te veel achtergronden bekend, waardoor de logica van het één en ander verdwijnt. De zaken die hij achterin het boek nog eens samenvat als de belangrijkste feiten in 's mans leven zijn in de lopende tekst maar moeilijk terug te vinden. En als Ver-Huells brief van 22 december 1805 aan Napoleon hem zo is nagedragen, zouden de lezers dan misschien mogen weten wàt er in die brief stond?

Zowel VerHuell als Rijk waren gedreven zeelui met een passie voor de marine, maar ook licht gefrustreerd dat er zo weinig meer te knokken viel. Een zeker opportunisme is geen van beiden vreemd, maar dat is logisch als je baan je enige inkomstenbron is. Liever waren ze beiden op zee gebleven in plaats van op het pluche te belanden. Is VerHuell een èchte militair - rechtlijnig, formeel, dol op insignes - Rijk was flexibeler en minzamer, al laten de schrijvers niet na op te merken dat minzaamheid in woelige tijden eerder een gebrek is dan een gave.