Bulldozers tegen de straathandel

Het is donderdagmiddag, het begin van het Algerijnse weekeinde. In de Rue Larbi Ben M'hidi, in het centrum van Algiers, glinsteren de wit en geel geschilderde negentiende-eeuwse Franse gevels zachtjes in de zon.

Vrouwen met en zonder islamitische hoofddoek of sluier, en mannen met of zonder islamitische baarden verdringen elkaar op de trottoirs. Langs de stoepranden zitten honderden "trabendistes' met hun stapeltjes uit het buitenland gesmokkelde waar te wachten op koopgrage klanten. Zij bieden schoenen aan, lakens, stukjes zeep, goedkoop speelgoed en buitenlandse sigaretten. De verkoop daarvan levert ze per dag een inkomen op van zo'n twintig tot dertig gulden. Het is niet veel, maar altijd nog meer dan de tien gulden per dag die de overheid de meeste van haar ambtenaren betaalt. Als die overheid tenminste betaalt, want daar schort het in Algerije nogal eens aan.

Bij de trappen die naar het Paleis van Justitie leiden, staan een paar baardige FIS-aanhangers, "Frérots' (een samentrekking van de woorden "frères dévots', vrome broeders). Zij hebben hun eigen, zeer specifieke handeltje religieuze parafernalia uitgestald op de smalle balustrade van de trappen. Twee gesluierde dames tonen interesse voor de flesjes parfum, terwijl een andere klant zich een siwaak aanschaft, een stevig takje om de tanden schoon te wrijven. De profeet Mohammed was dol op parfum en gebruikte zelf ter gebitsreiniging dat soort takjes: vromer kan het bijna niet.

Ze staan niet ver van de plek waar op 26 maart 1962 een schandalige schietpartij uitbrak die 46 slachtoffers eiste. De Organisation de l'Armée Secrète (OAS), bereid Algérie Française tot de laatste druppel bloed te verdedigen, riep op die dag zijn tienduizenden aanhangers in de wijk Bab el-Oued op te komen demonstreren in wat toen nog de Rue d'Isly heette. Zij kwamen, met spandoeken en al, officieel om bloemen te leggen bij het standbeeld van generaal Bugeaud, die ruim honderd jaar eerder de onverzettelijke Algerijnse emir Abd el-Kader had verslagen.

Sinds de slachtpartij die toen uitbrak is er veel veranderd. Bugeaud heeft plaats gemaakt voor emir Abd el-Kader op zijn stijgerende paard. De Rue d'Isly kreeg de naam van Larbi Ben M'Hidi, de man die in 1954 in Algiers het startschot gaf voor de acht jaar durende Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. En de fanatieke aanhangers van l'Algerie Française in Bab el-Oued hebben het veld geruimd voor de fanatieke aanhangers van de islamitische republiek Algerije, die op deze plek de afgelopen maanden met evenveel verve voor hun ideaal demonstreerden als de Franse "colons' voor de hunne.

Halverwege de Rue Larbi Ben M'Hidi en niet ver van emir Abd el-Kadar op zijn stijgerende bronzen paard, bevindt zich het café Le Croissant Rouge. Het is een van de vele kroegen die de Algierse binnenstad rijk is. Aan de toog wordt bier of Ricard gedronken. Door de zijramen van het etablissement kijkt men de "Galeries Algériennes' binnen, in de tijd van Algérie Française beschouwd als een toppunt van warenhuiselegantie. Het is opgezet in opulent moorse stijl, met moorse trappen en liften van mahoniehout. De liften doen het al jaren niet meer en de schappen zijn half leeg.

in Le Croissant Rouge levert dat bittere commentaren op. ""C'est un Scandale, monsieur'', roept een van de bejaarde klanten en bestelt nog een dubbele Ricard met ijs. ""Het stomste wat de Fransen hebben gedaan is hier in paniek weg te vluchten. Waarom zijn zij na de onafhankelijkheid niet gewoon gebleven? Wij hadden ze echt niet weggejaagd. Les Anglais zijn toch ook in Zimbabwe gebleven? Daar gaat het nu heel goed.''

Hij kan dat weten, want zijn zoon doet iets op de Algerijnse ambassade in Harare en hij is er vorig jaar geweest. ""Het is daar heel mooi'', zegt hij, ""met aangeharkte plantsoenen en een vuilnisdienst die werkt. Niet zo'n smerige troep als hier. Deze straat is echt een schandaal.''

Hij wijst door de open deuren naar de overkant van de straat, waar opengebarsten zakken vuilnis de trappen ontsieren die naar de haven, de baai van Algiers en de Middellandse Zee leiden.

Le Croissant Rouge is net zo Frans gebleven als de rest van de Algrierse binnenstad. Onder het afbladderende witte stuc is buiten nog de oude naam te lezen "Le Croix de Malte', het Maltezer Kruis. Ingelijst aan de muur hangt een decreet van de Franse gouverneur-generaal uit 1952, tegen openbare dronkenschap en het tappen aan minderjarigen.

Ooit, zo zegt een andere oude klant, werd het café gedreven door een struise blonde Française, la grosse Jeanne. Ergens achter uit een la haalt de huidige uitbater een stapeltje foto's waarop Jeanne blakend van welstand voor het café staat, omringd door vrolijk zwaaiende Franse en Algerijnse klanten. ""C'est un scandal'', meent de oude. ""Wij hebben Jeanne nog gevraagd waarom ze weg wilde. Waarom ze niet bleef. Zij had toch een goed leven hier? Niemand deed haar kwaad. Maar nee, zij was niet tegen te houden. Zij pakte haar koffers, rende de trappen af naar beneden en stond daar tussen duizenden andere Fransen twee dagen en nachten te wachten op de boot naar Marseille. Het was echt schandalig.''

Hij schudt zijn hoofd. ""Monsieur, het was vreselijk. Dat was helemaal niet onze bedoeling. Wij wilden onze onafhankelijkheid, leven als vrije burgers in ons eigen land in plaats van als tweederangsburgers onder de Fransen. Wij waren niet tegen de Fransen, wij waren tegen het koloniale systeem. Dat hebben die Fransen nooit begrepen. Die hebben in ons nooit wat anders dan onbeschaafde wilden willen zien.''

Half Algiers, vertelt de eigenaar van de Croissant Rouge, heeft na het vertrek van de Fransen maanden leeg gestaan. Wij hebben al die maanden gedacht, vaak tegen beter weten in, dat in ieder geval een deel van die Fransen terug zou komen. Ik had Franse vrienden, monsieur, ik beschouwde Jeannet als mijn eigen zuster. Algiers was een dode stad geworden en niemand heeft die stad ooit weer tot leven weten te brengen. Ah, monsieur, mag ik u een Ricard aanbieden?''

Tot voor kort was de Rue Larbi Ben M'Hidi het enige voetgangersparadijs in de binnenstad van Algiers. Er stonden bankjes waarop oude mannen van de zon genoten. Bomen zorgden voor schaduw. En voorts was er de toenemende straatmarkt, die van de Rue Larbi Ben M'Hidi een van de gezelligste straten van Algiers maakte.

Tot de eigenaars van de winkels langs de Larbi Ben M'Hidi over dat verschijnsel begonnen te klagen. ""C'est un Scandal'', zeiden zij. ""Door oneerlijke concurrentie van al die werklozen, die met hun gesmokkelde handel geld proberen te verdienen, blijft de betere klant uit onze winkels weg.''

Bij de gemeenteraad van Algiers-Centrum, beheerst door het islamitische heilsfront FIS, vonden zij echter geen gehoor. Dat gemeentebestuur besloot vorig jaar de straathandel definitief toe te laten en gaf een groot aantal vergunningen voor het uitoefenen van het beroep uit. Dat leverde het FIS veel goodwill op bij de straathandelaren en hun klanten: in de Rue Larbi Ben M'Hidi is de straat pro-, de winkelier anti-FIS.

De gouverneur van de provincie Algiers is ook tegen het FIS en hij is op dit moment druk doende de straathandel te worgen. Zijn methode is even simpel als doeltreffend. Het fraaie plaveisel van het voetgangersparadijs wordt sindsdien met veel kabaal door bulldozers en drilboren open gebroken. Bij het grote ruiterstandbeeld van emir Abd el-Kader is het een chaos van blokken beton. Op de twee laatste nog overeind staande bankjes rond het pleintje zit een aantal bejaarden afkeurend naar het werk te kijken. Kinderen klauteren schreeuwend en joelend over het puin. Twee "trabendistes' met flossige islamitische baarden roepen iets naar de bestuurder van een wals, die dampend asfalt over de voormalige voetgangerspromenade te verspreiden. Het werk is bijna klaar. Dan kan het autoverkeer bezit nemen van de Rue Larbi Ben M'Hidi en kunnen de winkeliers, zoals zij opgetogen vertellen, eindelijk hun auto voor hun eigen winkel parkeren. Weg straathandel en idem zoveel Algerijnen die menen dat het FIS dit soort zaken in het leven beter regelt.

""Wat moet ik nu beginnen”, klaagt er een, ""ik heb geen baan, werk is niet te krijgen, hoe willen ze dat ik overleef?” Hij wijst op het stapeltje uit China geïmporteerde plastic sandalen voor zich. “Zelfs die nering nemen ze van me af, de heren van het gezag. Un scandal, monsieur? C'est ça un scandal!”