Buitenlands beleid van Turkije wordt steeds zelfbewuster

ATHENE, 11 APRIL. President Mitterrand, die begin volgende week Turkije bezoekt, staat daar een keizerlijke ontvangst te wachten, waarbij die van De Gaulle in 1968 tot voorbeeld zal dienen. De inzinking die de Frans-Turkse betrekkingen sindsdien ondergingen, voornamelijk ten gevolge van Parijs' pro-Armeense opstelling, lijkt voorbij. De solidariteit met de Koerden die Mitterrands echtgenote Danielle aan de dag legt vormt nog een probleem, maar zij zal bij het staatsbezoek niet van de partij zijn.

Het doorgaan van het bezoek is voor Ankara des te welkomer na het uitbreken van de crisis in de betrekkingen met Duitsland. Hier en daar kan men horen dat Frankrijk als bondgenoot van Turkije de aloude rol van de Duitsers zou kunnen overnemen. De Franse merites op dit gebied zijn eigenlijk nog historischer en gaan terug op de verbintenis van Frans I en Suleyman de Grote in de zestiende eeuw.

De Turkse pers blijft intussen tegen de Duitse politici en diplomaten fulmineren. Ook zij krijgen nu te horen dat zij de Koerden tegen Ankara opzetten, dat zij een "verdeeld' Turkije nastreven zoals zij tevoren Joegoslavië hebben helpen verdelen, en dat alles vooral omdat zij jaloers zouden zijn op de versterkte rol die Ankara in Azië kan gaan spelen na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

Maar op andere niveaus lijkt de Turks-Duitse crisis over haar hoogtepunt heen, hoewel de Turkse pers het naderende bezoek van Mitterrand nog wel aanstipt als symbolisch voor een verandering van bondgenoot. Aanvankelijk stelden de Turkse kranten het voor alsof Duitsland totaal geïsoleerd stond in de EG met zijn kritiek op het Turkse optreden tegen de Koerden, maar intussen heeft ook het Europees parlement daarover een scherpe veoordeling uitgesproken. Diplomaten van de trojka Nederland-Portugal-Engeland hebben in Ankara om opheldering verzocht over wat er is voorgevallen in Cizre en andere stadjes. Mede doordat dit memorandum samenviel met het vierdaagse Suikerfeest, waarop geen kranten verschijnen, heeft het niet veel aandacht gekregen in Turkije, evenmin als een venijnig artikel in de zondagseditie van de New York Times, de meest serieuze krant in het land dat eerst wel waarderende woorden voor Turkije vond.

In dit stuk wordt de toenemende betekenis van Turkije en vooral zijn rol bij de gewenste liberalisering en democratisering van de islamitische republieken in de voormalige Sovjet-Unie breed uitgemeten, maar tevens wordt betoogd dat deze modelfunctie in het gedrang komt als Turkije zelf de democratie ondermijnt en de minderheden onderdrukt.

Ook Kohls rede in de Bondsdag was een mengsel van begrip voor Turkijes toenemende betekenis en kritiek op het optreden tegen de Koerden, al werden tegelijk de gevaren van het terrorisme aangestipt. Dit alles leidt ertoe dat de Turkse kranten steeds meer nadruk leggen op de stelling: “Europa heeft ons meer nodig dan wij Europa”. Zelfs premier Demirel probeerde op het hoogtepunt van het conflict met Duitsland dit Turkse zelfbewustzijn te versterken met de boutade dat “we ons niet meer zo moeten laten leiden door wat ze in het Westen van ons denken”.

Het is makkelijker gezegd dan gedaan. De gevoeligheid voor wat men over Turkije zegt in het sinds Atatürk geheiligde Westen is de laatste tientallen jaren, althans bij het niet-fundamentalistische bevolkingsdeel van Turkije, alleen maar groter geworden. Zij kan niet worden weggepraat binnen enkele maanden waarin belangstelling wordt aangekweekt voor de missie die de Turken in het noorden en oosten zouden hebben te vervullen, ook al wonen daar tientallen miljoenen andere "Turken'.

Men begint zich in Turkije weliswaar neer te leggen bij het vooruitzicht dat een Turks lidmaatschap van de EG nog lang op zich kan laten wachten. Men begint zich ook te realiseren dat die EG niet alleenzaligmakend is en dat er meer markten zijn. Maar men wil dit enorme vaartuig stellig niet achter zich verbranden en het minimumstreven blijft gericht op een douane-unie rond 1996.

En dat Turkije, naar in het Westen nog weinig wordt beseft, volgende maand voorzitter wordt van de Raad van Europa, de organisatie van 26 landen waaruit het nog enkele jaren geleden dreigde te worden verwijderd en waarbinnen het nog steeds voorwerp is van zoveel klachten en onderzoekingen inzake de mensenrechten, blijft een wonder waar Ankara zeer verguld mee is en dat het tot het uiterste wil uitbuiten.