Buitenland, hoezo?

BUITENLANDS beleid is een ingewikkelde optelsom van binnenlandse belangen en gevoelens en buitenlandse realiteiten.

De parameters van dit beleid waren voor Nederland lange tijd bekend: vrijhandel, mensenrechten, moralisme, Atlantisch bondgenootschap, Europese Gemeenschap. Maar sinds een klein jaar verkruimelt het hele bouwwerk in een adembenemend tempo. Het natuurlijke evenwicht tussen de diverse departementen is weg, het vertrouwde spel van kleine stekeligheden inzake competenties is allang geen spel meer en er is iedere week wel een illustratief incident te registreren.

Minister Van den Broek en zijn diplomaten leveren een achterhoedegevecht tegen de minister-president als het gaat om het Europese buitenland. De permanente EG-vertegenwoordiging in Brussel valt officieel nog onder Buitenlandse zaken, maar opereert verder allang als een vooruitgeschoven post van alle Haagse departementen. Minister Pronk heeft een deel van de buitenwereld in zijn portefeuille voor zover Nederland met die buitenwereld een “ontwikkelingsrelatie” onderhoudt. De scheiding tussen Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse zaken is ook zo'n vertrouwde parameter, die niet meer in overeenstemming met de internationale werkelijkheid is. Minister Ter Beek ziet zich genoodzaakt uit zijn defensie-cocon te stappen om consequenties te trekken uit de veranderde wereld. Van den Broek is vervolgens weer gepikeerd, omdat hier competenties in het geding zijn en collega Ter Beek voorts “gevaarlijke illusies” koestert.

HET GEHEEL heeft iets weg van Luigi Pirandello's surrealistische toneelstuk Zes personages op zoek naar een auteur. Toch is het wat al te gemakkelijk om alleen maar op gebrek aan ministeriële teamgeest en regie te wijzen. Natuurlijk grijpt Van den Broek te zeer naar het internationale en staatsrechtelijke houvast van gisteren, natuurlijk wordt een minister van ontwikkelingssamenwerking gelet op veranderde verhoudingen een anachronisme en natuurlijk is de verfrissende stap voorwaarts van Ter Beek geen bijdrage aan de eenheid van kabinetsbeleid.

Maar wezenlijk zijn dit soort details niet. Wezenlijk is veelmeer dat de traditionele parameters zijn verdwenen. Achter irritatie, verbetenheid en parmantigheid gaat de nodige radeloosheid schuil over grenzen, mogelijkheden en doelstellingen van een Nederlands buitenlands beleid. En dat is in het licht van de omwenteling in Europa maar al te begrijpelijk. Op Buitenlandse Zaken wordt intern de vraag gesteld of Nederland überhaupt nog een buitenlands beleid zal kunnen voeren en minister Ter Beek vroeg in zijn toespraak publiekelijk: “Is er nog toekomst voor het Nederlands buitenlands beleid?” Om vervolgens in alle eerlijkheid te antwoorden: “Niet veel”.

DIT MENGSEL van realisme en berusting maakt dat de meningsverschillen tussen de bewindslieden zich in een vacuüm afspelen. Had dit type geruzie zich voorgedaan in de jaren zeventig (gidsland) of tachtig (kruisraketten), dan had de natie op haar grondvesten getrild. Maar op een of andere manier lijkt het al zover te zijn als Ter Beek suggereerde: het doet er niet heus meer toe. En voor zover dat altijd al het geval was, het wordt nu ook zo ervaren en gezegd. Nederland wordt na het einde van de Koude oorlog en het einde van de post-dekolonisatie teruggeworpen op Europa en Europa is meer en meer binnenland. Buitenland, hoezo?