Architecten en monumentenzorg staan vaak op gespannen voet

Sinds 1988 is de monumentenzorg naar de gemeenten gedecentraliseerd: het lijkt erop dat het rijk daarmee zijn taken in de afgelopen jaren snel en grondig heeft beëindigd - precies in een periode waarin de kwalitatieve en kwantitatieve opgaven groter zijn dan ooit.

Het rijksbudget voor restauratie en onderhoud van monumenten is tussen 1983 en 1992 met vijfenvijftig procent gedaald tot 87 miljoen gulden, terwijl er een stuwmeer van aanvragen is dat in 1990 al een half mijard gulden groot was. Niet verwondelijk dus de gemeente Amsterdam deze week meldde dat ze met een restauratie-achterstand van bijna duizend monumenten kampt.

De problemen liggen echter bepaald niet alleen bij het geld. Zo zijn er ook strubbelingen met de beroepsethiek van architecten. Zodra een monument een nieuwe bestemming moet krijgen staat de monumentenzorg vaak op gespannen voet met de hedendaagse architectuur. De verbouwing van de Waag in Amsterdam door Philippe Starck is daar een sprekend voorbeeld van en soortgelijke operaties vinden binnen en vooral buiten Amsterdam, in publicitaire stilte voortdurend plaats. Architecten leren in hun opleiding dat ze de wetten van de fysica en de bouwverordening moeten gehoorzamen, maar ook dat hun ontwerp onafhankelijk en oorspronkelijk moet zijn. Kunst is in de Nederlandse onderwijsinstellingen nog altijd allerindividueelste expressie van allerindividueelste emotie waardoor de architect erin wordt bevestigd dat het lonender is als het ontwerp zich visueel onderscheidt, zich verzelfstandigt in zijn ruimtelijke context, dan dat het zich daarin aanpast. Bovendien is het architectuurhistorisch onderwijs in de opleidingen maar van marginale betekenis.

Als het om nieuwbouw in beschermde stadsgezichten gaat, staat de zaak er niet anders voor. De meeste architecten hebben hoogstens het niveau van een orkestmusicus, maar ze gedragen zich het liefst als solist. Woorden als imitatie, illusie, nostalgie hebben in de oren van architecten, opdrachtgevers en gemeentebestuurders een nare klank - ze hoeven slechts te worden uitgesproken om ruim baan te maken voor alweer een allerindividueelste expressie. Maar wat is er tegen imitatie? In onze samenleving wordt overal van alles geïmiteerd: auto-ontwerpen, kleding, gedrag - zelfs beroemde buitenlandse architectuur. En wat is nostalgie? Er is veel nostalgie in de samenleving. Dat wijst ergens op. Architecten zouden daarover moeten nadenken in plaats van dat ze zich boven die materie verheven achten. Weldenkende mensen haasten zich altijd te zeggen dat zij een beschermd stadsgezicht niet willen "bevriezen', maar ook dat woord is retoriek. Bevriezing suggereert dood, maar de vraag waar het feitelijk om gaat is of men iets wil bewaren of veranderen - niets meer of minder dan dat. In de Amsterdamse binnenstad hebben de bestemmingsplannen sinds 1980 de bestaande rooilijnen en bouwhoogten gehandhaafd en is met de Leefmilieuverordening, de Hinderwet en de aanwijzing van het beschermde stadsgezicht een beleid gevoerd dat per saldo de "dynamische' functies heeft afgeremd en de woonfunctie is gaan bevorderen. De Dienst Ruimtelijke Ordening slaat alarm, want de stedelijke "activiteitenmix' wordt bedreigd, en Amsterdam moet natuurlijk niet op Brugge of Venetië gaan lijken.

De relatie tussen het publiek en de monumentenzorg wordt niet gekenmerkt door spanning maar door paradoxen. Allerlei deskundige commissies hebben Nederland volgestouwd met monumenten van geschiedenis en kunst, maar intussen is de historische kennis in brede lagen van de bevolking afgekalfd. Dus staan de architecten in hun onwetendheid bepaald niet alleen. In de negentiende eeuw stimuleerde de overheid een "cultureel nationalisme' waarin de kunsten een middel vormden om de samenleving ideeel te integreren. Rembrandt en Vondel werden nationale helden, er kwam een Rijksmuseum van Geschiedenis en Kunst en het is niet toevallig dat in diezelfde tijd ook de rijksmonumenten ontstonden. Jozef Alberdingk Thijm wandelde in 1851 door Hoorn en noteerde dat aan alle oude gebouwen een verhaal vastzat. De geschiedenis van de stad bleef via die monumenten een levend onderdeel van de culturele context van de burgers, en om die burgers ging het bij Thijm: “Voed dat volk dan met de gedenkteekens dier geschiedenis: geen betere waarborg voor maatschappelijke orde, dan de steun van een nog sprekend verleden.”

De vaderlandse geschiedenis heeft in onze tijd geen samenbindende werking meer. Behalve dat de kennis ervan afneemt, is er ook sprake van wat historici "vergruizing' van het geschiedbeeld noemen. Tegelijkertijd zijn de monumenten populairder dan ooit, we hoeven alleen maar te kijken naar de jaarlijkse Open Monumentendag die zo'n driekwart miljoen mensen op de been brengt. Monumenten ontlenen hun maatschappelijke betekenis vandaag de dag blijkbaar niet zozeer meer aan hun inhoud, hun historische kwaliteiten, als wel aan hun beeld, hun visuele kwaliteiten. De integratie van monumentenzorg en welstandstoezicht is dus niet alleen een procedureel handigheidje maar ook een teken des tijds.

Een ander bewijs voor de groeiende "oppervlakkige' belangstelling is dat het cultureel erfgoed in de toeristenindustrie is ontdekt als een "produkt' dat aan "consumenten' verkocht kan worden. Dit toerisme is al lang niet meer voorbehouden aan degenen die met het Kunstreisboek op pad gaan. Natuurlijk bestaat er in monumentenkringen wantrouwen tegen deze commercialisering, maar daar staat tegenover dat een goed georganiseerde massabelangstelling veel positieve invloed kan hebben; de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten is daarvan een lichtend voorbeeld. Het zal de burger echter wel duidelijk moeten worden gemaakt waarom hij het ideële belang van de monumentenzorg moet steunen.

Het ene argument voor die steun ligt in de strijd tegen de verarming die het gevolg is van de nieuwbouw waarbij bij opdrachtgever en architect de commercie voorop staat. Deze strijd is niet reactionair of nostalgisch (al wordt hij gemakkelijk als zodanig afgedaan) want cultuurbehoud is net als natuurbehoud een gevecht voor een rijk gewaardeerd leefmilieu. Het andere argument ligt in de gedachte dat een monument en een beschermd stads- of dorpsgezicht meer zijn dan een collectie mooie particuliere eigendommen: ze vertegenwoordigen krachtens de wet een algemeen belang dat de gemeenschap via subsidies mede in stand houdt. Deze opvatting gaat in tegen de praktijk waarin oude binnensteden steeds meer de optelsom van particuliere belangen zijn gaan lijken: een bonte jungle van reclame, luifels, beschilderde gevels, op straat uitgestalde koopwaar en armoedige zitjes. De ruimtelijke kwaliteit in veel binnensteden is even ongenietbaar als een concert in een zaal vol hoestende luisteraars.

Er lijken in de komende jaren drie acties nodig:

De allereerste is dat de monumentenzorg gemoderniseerd moet worden. Zoals bij alle vernieuwingsbewegingen betekent dat: terug naar de bron, naar de vraag waar het ook alweer om ging. Enerzijds om monumenten met een A-status, die onder toezicht van deskundigen als meesterwerken moeten worden behandeld. En anderzijds gaat het om de grote groep van B-monumenten, die vanwege hun historische betekenis alleen als casco of als gevelbeeld in stand hoeven te worden gehouden en waarvoor de integratie van de monumentenzorg en het welstandstoezicht vruchtbaar kan zijn. Op korte termijn zal een wetswijziging nodig zijn die deze verschillen in zwaarte van bescherming (en de daaraan gekoppelde subsidievoorwaarden) legitimeert. De tweede actie is dat gemeentebesturen de taak krijgen om bepaalde plaatsen te "bevriezen' en dat architecten verplicht worden zich daaraan aan te passen. Natuurlijk zal dit restrictieve en normatieve optreden moeten worden vastgelegd in een openbaar en wettelijk document zoals het bestemmingsplan. Maar gemeenten moeten zich dan wel aan het bestemmingsplan houden in plaats van het als onderhandelingsstuk te gebruiken. De derde actie is dat de particuliere monumentenorganisaties zich de zorg voor het pubiek moeten aantrekken. Ze kunnen zich daarbij laten inspireren door de grote belangenorganisaties op natuurgebied.

Ten slotte zou minister 'd Ancona, die in haar aanstaande Cultuurnota de participatie in de samenleving zegt te willen bevorderen, een begin kunnen maken door het eigenaardige ontmoedigingsbeleid dat haar departement de laatste jaren tegen de particuliere monumentenorganisaties heeft ingezet te veranderen in waardering en steun voor al diegenen die met veel vrijwilligerswerk de zorg voor onder andere nationale topmonumenten op zich nemen. De particulieren moeten ervoor zorgen dat de monumentenzorg prominent op de lokale politieke agenda's komt te staan, net als in het verleden toen de rijksoverheid zich nog niet met de monumentenzorg bemoeide.

Dit artikel is een bewerking van een onlangs gehouden toespraak.