Archieven (1)

Met veel interesse las ik het Hollands Dagboek van rijksarchivaris dr. F.Ketelaar (zaterdag 4 april). Het viel me op met hoeveel enthousiasme en tevredenheid hij spreekt over het grote aantal bezoekers dat in Den Haag de archieven komt raadplegen. Hij acht - net als ik - de toegankelijkheid en de bruikbaarheid van een archief van groot belang.

Met groeiende interesse las ik dat hij in Australië lezingen gaat houden over ""...de ethische vragen aan de archivaris, die moet beseffen dat zijn archieven levende mensen betreffen, met grote consequenties voor selectie en openbaarheid''. Tenslotte lees ik ""...We moeten nagaan in hoeverre het gewenst is archiefbeleid en -praktijk binnen de Gemeenschap beter te coördineren''.

Inmiddels was niet alleen mijn interesse gestegen, maar ook mijn verbazing. Immers, zijn het archiefbeleid en de archiefpraktijk binnen de grenzen van Nederland dan zo eenvormig en goed gecoördineerd? Wat de heer Ketelaar zegt over de kwaliteit van de dienstverlening en de objectieve criteria voor toegang tot beperkt-openbare archieven spreekt mij allemaal zeer aan, maar met deze positieve instelling valt er niet alleen binnen de Europese Gemeenschap, maar ook in ons eigen land al heel veel werk te doen!

Want hoe is het gesteld met de openbaarheid en de toegankelijkheid van de Nederlandse archieven?

Mijn eigen ervaringen betreffen de dienstverlening van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis in Den Haag en die van het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam. Bij beide instanties kwam ik om navraag te doen naar bij hun mogelijkerwijs aanwezige gegevens over mijn vader, die ik niet heb gekend omdat hij in 1942 - ik was toen enkele maanden oud - ter dood is veroordeeld en in 1943 is gefusilleerd.

In Amsterdam is een straat naar mijn vader genoemd, de Krijn Breurstraat, en dat hij verzetswerk heeft gedaan is algemeen bekend. Ik beschik alleen nauwelijks over gegevens wat hij precies heeft gedaan. Mijn moeder die eveneens in 1942 werd gearresteerd zat tot het einde van de oorlog gevangen, en ik verbleef als baby het grootste deel van mijn eerste levensjaar eveneens in de gevangenis.

De informatie die in Den Haag op het Informatiebureau van het Rode Kruis over ons aanwezig was werd mij terstond en zonder problemen overhandigd; in Amsterdam bij het RIOD ging het echter heel anders. Men beschikte daar (wat ik niet wist, maar in 1982 hoorde van de staf van de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum, waar toen een tentoonstelling werd voorbereid van tekeningen die mijn moeder in het concentratiekamp Ravensbrück had gemaakt) over een map met gegevens over het verzetswerk van mijn ouders. Na inzage vroeg ik om kopieën van de papieren over mijn ouders. Van enkele briefjes kon ik die krijgen, maar niet van het belangwekkendste en meest informatieve document, het doodvonnis van mijn vader. Dit, naar mij werd gezegd, ""in verband met het belang van derden''.

Ik dacht toen nog dat er sprake was van een misverstand, en dat de vrouw die mij te woord stond wellicht de richtlijnen onjuist interpreteerde. Ik was ervan overtuigd dat zij naderhand door haar superieuren wel gecorrigeerd zou worden. Ik herhaalde mijn verzoek dus schriftelijk.

Het heeft echter acht jaar geduurd. Ik heb twee advocaten in de arm moeten nemen, er zijn ongeveer vijftig brieven gewisseld, tussentijds heb ik nog - door bemiddeling van de PPR-fractie en na een artikeltje in Het Parool - een gecensureerde kopie gekregen, en tenslotte ben ik in beroep gegaan bij het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, waaronder het RIOD ressorteert.

In 1989 vernietigde de minister van Onderwijs het besluit van het bestuur van de RIOD (in de laatste afwijzende brief van het RIOD staat overigens ook nog dat het onjuist is geweest dat ik überhaupt inzage heb gehad).

In februari 1990 ontving ik het document waar ik in maart 1982 om had gevraagd.

Misschien is dit een interessante casus voor de Rijkscommissie voor de Archieven, het gaat in elk geval wel over ""...ethische vragen aan de archivaris, die moet beseffen dat zijn archieven levende mensen betreffen''.

De belangen van de bewaarders en beheerders van een archief, van nabestaanden, van de overheid en van onderzoekers blijken ook hier in Nederland niet altijd parallel te lopen, en dat lijkt mij iets om bij het formuleren van objectieve criteria voor de toegankelijkheid van archieven rekening mee te houden.