Achter tripletten over de Franse kasseien

Parijs-Roubaix, kroniek van een legende. Pascal Sergent. Nederlandse vertaling: Bart Vanhoof. Deel 1: 1896-1939. ISBN 90-73833-01-9. Deel 2: 1943-1991. ISBN 90-73833-03-5. Uitg. Saga, Zedelgem, België.

ROTTERDAM, 11 APRIL. Het verslag van de negentiende editie van Parijs-Roubaix in La Vie au Grand Air van 13 april 1914 loog er niet om.

“Een afwachtende wedstrijd: De jongeren en de ouderen! De jongeren wagen zich niet op kop omdat ze schrik hebben, ze voelen zich niet zelfverzekerd genoeg en zijn onder de indruk van de erelijst van hun rivalen. De ouderen bekijken elkaar en willen geen inspanningen doen omdat die weleens nutteloos zouden kunnen uitvallen. Ah, waar is de tijd van de Koningen van de weg? Toen coureurs als Garin, Petit-Breton of Georget helemaal afgezonderd voorbij kwamen voor de rest, wanhopig in de achtervolging, trilde het publiek en discussieerde het over de kansen van de deelnemers. Diegene die een exploit gerealiseerd had was onmiddellijk beroemd. Hij was een held. Nu zijn de tijden veranderd. We mogen het niet verzwijgen, als we de toestand niet binnen de kortste keren recht trekken, zal de wielersport op de weg een gevaarlijke crisis kennen en dat moeten we tot elke prijs vermijden.”

De wedstrijd was in de sprint beslist. Zeven renners hadden zich op de wielerbaan gemeld voor de zes slotronden. Winnaar zou Charles Crupelandt worden, de beroemdste wielrenner uit de pioniersjaren. Hij won al in 1912, was in 1904 op achttienjarige leeftijd dertiende, in 1910 vijfde en 1913 derde. Van Charles Crupelandt, een renner van de streek, wordt verteld dat hij over een lange afstand een versnelling van 24x7 kon trappen. Uniek voor die tijd. De Fransman beëindigde zijn loopbaan omdat hij een been moest laten amputeren.

Crupelandt behoort tot de illustere winnaars van de "Pascale', de Paasklassieker Parijs-Roubaix. Hij wordt in één adem genoemd met Josef Fischer, de eerste en enige Duitse winnaar, Maurice Garin, Cyrille van Hauwaert, Octave Lapize, Rik van Looy, Eddy Merckx, Francesco Moser en Roger de Vlaeminck, met vier overwinningen recordhouder. Merkwaardige mannen met merkwaardige gewoonten. Kampioenen van de kracht en het doorzettingsvermogen. Geen kassei was hen teveel, geen modderpoel kon hen weerhouden.

Een wedstrijd bedoeld voor de Fransen. Maar de Vlamingen voelden zich er het beste thuis. Voor Nederlanders is het nooit echt een favoriete koers geweest. Alleen Peter Post, Jan Janssen, Hennie Kuiper en Jan Raas wonnen de klassieker. En Gerrit Schulte, Ab Geldermans en Adri van der Poel streden wel eens mee in het voorste gelid. Maar meer ook niet.

Of Mathieu Cordang. Hij vertrekt in 1897 als favoriet. Tienduizend toeschouwers zien hem samen met Maurice Garin op de wielerbaan van Roubaix verschijnen voor de eindsprint. Garin op kop. Achter hem een andere modderige massa: Mathieu Cordang. Het duo wisselt enkele woorden met elkaar totdat plotseling de Nederlander tot ieders verbazing onderuit gaat. Onoplettendheid? Vermoeidheid? Gladde baan? Niemand zal het ooit weten. In ieder geval wacht Garin niet. Cordang verliest een paar honderd meter. Met nog zes ronden voor de wielen begint de Nederlander aan de achtervolging. Cordang loopt zienderogen in op "de kleine schoorsteenveger', maar komt twee meter tekort. Cordang wordt geprezen door de plaatselijke favoriet Garin. Maar het heeft geen zin. Cordang huilt als een kind. De sterkste heeft verloren.

In 1904 eindigt de Nederlander Friederich Piechnick als 41ste en voorlaatste. De wielerbaan is al gesloten. Maar voor de laatkomers is er nog gelegenheid het aankomstformulier te ondertekenen tijdens de nachtcontrole in Café Mac mahon op de Boulevard de Paris. Piechnick is op de fiets uit Arnhem gekomen voor de wedstrijd die in Chatou, bij Parijs, startte. Hij zal op dezelfde manier terugreizen. De laatste renner die aankomt in Roubaix is de Belg Dutrieux. Het is dan half zes 's morgens, meer dan 24 uur na het vertrek.

De achtste editie had in vergelijking met de eerste wedstrijden een opmerkelijke gedaanteverwisseling ondergaan. Gangmakers waren niet langer toegestaan. Het is voorbij met de bonte stoet van wielrenners voorafgegaan door tandems, tripletten en motoren. Tijdens de vorige wedstrijd waren twee motoren op elkaar gereden, waardoor een twintigtal toeschouwers gewond raakte, onder wie de vrouw van een parlementslid.

Maurice Garin verloor in de eerste Parijs-Roubaix trouwens al zijn kansen op de overwinning door een botsing tussen de gangmakers. Een concurrerend tandem reed Garins triplet in de wielen. De berijders van de triplet waren de broers Accou en een mevrouw Accou. Door de val verliest Garin zijn bewustzijn, zijn hals en linkerschouder zijn bebloed. Maar de plaatselijke held gaat door en wordt nog derde.

De wedstrijd moest voortaan worden betwist onder voor iedere renner gelijke omstandigheden, vonden de organisatoren in 1904. Het verbod op gangmakers had tot gevolg dat de renners zelf al het reserve- en reparatiemateriaal moesten meenemen. Binnenbanden kruislings over de schouders, een zak aan het stuur met een Engelse sleutel, een spons, een paar flessen en voedsel.

Het verbod op gangmaking was aanleiding voor tal van andere soorten van koersvervalising. Begeleider strooiden spijkers en zelfs renners zouden zich hieraan bezondigd hebben. Daarnaast zouden sommige renners een deel van het parcours comfortabel in auto's hebben afgelegd. Mede daardoor besloot de organisatie de gangmaking weer voor een deel weer in ere te herstellen. Alleen per fiets. Maar dat zou weer tot gevolg hebben dat de gangmakers voor immense bedragen werden gekocht, verkocht, afgekocht en overgekocht. De meeste gangmakers waren andere renners die het lucratiever vonden een deelnemer uit de wind te houden dan zelf mee te strijden.

Maar strijd was er altijd. Nog vóór de moeilijkste kasseistroken van het noorden was de "helling van Doullens' de grote scherprechter. In 1968 verdween de beklimming echter uit het parcours. Er is natuurlijk veel meer veranderd sinds Théodore Vienne en Maurice Perez in februari 1896 het lumineuze idee opvatten een koers op de weg te organiseren tussen Parijs en Roubaix. Het duo had een jaar eerder met succes in het Parc Barbieux het Vélodrome Roubaisien laten bouwen. De baanwedstrijden bleken wekelijks meer dan 10.000 toeschouwers te trekken. En waarom zou de baan niet als aankomst kunnen dienen voor wegwedstrijd? Al was het bij wijze van proef alleen maar als een uitstekende voorbereiding op Bordeaux-Parijs, die een maand later gereden zou worden.

Louis Minart, hoofdredacteur van de sportkrant Le Vélo, wilde de organisatie voor zijn rekening nemen. Victor Breyer, de belangrijkste wielerredacteur, werd belast met de sportieve organisatie, waaronder de verkenning van het parcours. Op de fiets wel te verstaan. Breyer ging op weg. Tijdens de tocht werd hij vergast op een paar verschrikkelijke regenbuien. Daardoor was het met losliggende kasseien bezaaide parcours nog moeilijker te berijden.

Breyer komt volkomen uitgeput en verkleumd in Roubaix aan. Hij besluit een brief naar zijn hoofdredacteur te schrijven waarin hij vraagt het duivelse plan te schrappen. Maar Breyer komt de volgende morgen op zijn voornemen terug. Een weldadige nachtrust na een avond met veel eten en drinken hebben hem van mening doen veranderen. De wielersportvrienden van Roubaix hadden de bittere smaak die de journalist had overgehouden aan de Hel van het Noorden vakkundig weggespoeld.