Vertaling van Poesjkins De Bronzen Ruiter; Schelden op een standbeeld

Alexander Poesjkin: De Bronzen Ruiter. Vertaling en begeleidende essays van Hans Boland. Uitg. Papieren Tijger, 96 blz. Prijs ƒ 30,-

Het ”poëem', een lang verhalend gedicht met een enigszins verheven, het strikt persoonlijke ontstijgende thematiek, is in de Nederlandse literatuur nooit goed ingeburgerd. In Rusland is dat anders. Het ”poëem' is er een nog steeds beoefend genre waartoe een aantal van de beste werken van dichters als Poesjkin en Lermontov behoort. Als het ”poëem der poëmen' geldt De Bronzen Ruiter van Alexander Poesjkin. De Bronzen Ruiter heeft - op rijm en in viervoetige jambes - als thema de heerser of de staat die grootse visioenen en ambitieuze plannen heeft en deze ook uitvoert, tegenover het individu, de kleine mens, voor wie die plannen vaak onprettige, zoniet fatale gevolgen kunnen hebben. In De Bronzen Ruiter wordt hierover geen oordeel uitgesproken, Poesjkin veroordeelt de heerser niet voor het leed dat deze zijn onderdanen aandoet, hij zet de twee elementen tegenover elkaar en confronteert ze met elkaar.

Het grootse plan is de stichting van Sint Petersburg door Peter de Grote omstreeks 1700 op een plaats die buitengewoon ongezond en moerassig was. Bij het bouwen van de stad zijn tienduizenden lijfeigenen om het leven gekomen. Daar komt bij dat de Newa, aan de oevers waarvan de stad is gelegen, een zeer grillige rivier is die regelmatig hele wijken onder water zet of zelfs meesleurt naar zee. De stad is met grote regelmaat door overstromingen geteisterd. Een zo'n overstroming was in 1824 en deze is de directe aanleiding geweest voor het schrijven van dit gedicht.

De Bronzen Ruiter begint met een loflied op Peter de Grote en Sint Petersburg, op de stichter en zijn schepping. Dan volgt, heel kenmerkend, een bruuske overgang, in vijf regels die in de vertaling van Hans Boland luiden:

Het was een vreselijke tijd,

Fris in de geest nog voor te stellen...

Daarvan, mijn vrienden, wil ik nu

Het volgende verhaal vertellen -

Een droef verhaal vertel ik u!

Hierna begint het eigenlijke verhaal over de kleine ambtenaar Jevgeni, met wie de kleine man zijn intrede doet in de Russische literatuur, die bij een overstroming zijn verloofde verliest. Haar kleine houten huisje dat vlak aan de rivier stond, is met bewoners en al door het water meegesleurd. Jevgeni verliest zijn verstand, gaat door de stad zwerven, komt terecht op het plein waar het bekende ruiterstandbeeld van Peter de Grote staat (de bronzen ruiter uit de titel) en begint deze, zij het in voorzichtige bewoordingen, uit te schelden. In zijn waan denkt hij dat Peter hem op zijn paard achterna komt. Aan het eind van het gedicht wordt Jevgeni's lijk op een eilandje in de Newa gevonden.

Hoewel De Bronzen Ruiter alle elementen van een melodrama bevat, is het dit geenszins. Poesjkin is altijd te veel classicist geweest om sentimenteel te kunnen worden. Hevige emoties en gevoelens gaat hij niet uit de weg, maar deze worden met distantie behandeld. Distantie, beknoptheid en een volmaakte beheersing van de taal en het vers, dat zijn de dingen die opvallen in al Poesjkins beste werken. De beschrijving van de overstromingsramp en van Jevgeni die tevergeefs zoekt naar zijn Parasja en vervolgens gek wordt zijn gegoten in een stroom onvergetelijke verzen, in een volstrekt natuurlijke taal die schijnbaar toevallig metrisch en rijmend lijkt te zijn.

Poesjkins verstechnisch meesterschap is er misschien de oorzaak van dat zo weinig van zijn poëzie in het Nederlands is vertaald. Wie in Nederland kan zo moeiteloos de meest verschillende versvormen hanteren als hij? De laatste jaren zijn er weer enige nieuwe pogingen ondernomen. Enige jaren geleden is er een alleszins acceptabele nieuwe vertaling van Poesjkins ”roman in verzen' Jevgeni Onegin verschenen en nu heeft Hans Boland zich gewaagd aan een nieuwe vertaling van De Bronzen Ruiter. Van dit werk bestond reeds een vertaling van Aleida Schot die heel mooi is, maar nu nogal ouderwets aan doet. Er is daarom zeker plaats voor een nieuwe versie.

Helaas kan ik over deze vertaling niet enthousiast zijn. Hans Boland heeft een voorkeur voor het vertalen van vormvaste poëzie, dus met rijm en metrum, maar in al zijn vertalingen, of het nu twintigste-eeuwse werken van Achmatova of Goemiljov betreft of een klassiek werk van Poesjkin, doet zich hetzelfde bezwaar gelden: de vertaling loopt niet, het metrum hinkt te veel, het rijm is geforceerd en het Nederlands is vaak storend lelijk. Van Poesjkins meesterschap over de taal is in deze vertaling dan ook weinig te bespeuren. Laten we als voorbeeld het hierboven aangehaald citaat nemen waarmee de inleiding afsluit. Wat betekent ”Fris in de geest nog voor te stellen'? In het origineel staat gewoon ”de herinnering daaraan (dat wil zeggen aan die verschrikkelijke tijden - A.L.) is nog vers'. En hoe lelijk is in de twee laatste regels de herhaling van ”het verhaal vertellen', die het origineel niet heeft. En hoe elegant is hierbij vergeleken de vertaling van Aleida Schot:

Er braken sombere tijden aan,

Die diep zich in het geheugen griften...

Daarover wil ik, vrienden mijn,

U een en ander hier berichten.

Weet - mijn verhaal zal droevig zijn.

Storend is in deze vertaling vooral het overvloedig gebruik van enjambement, dat wil zeggen het afbreken van een versregel midden in een woordgroep, dus op een plaats waar een regel normaal eigenlijk niet afgebroken wordt. Bij voorbeeld:

(-)Nu dan kwam van

Visite thuis een jongeman.

Enjambement heeft een bepaald effect, en Poesjkin gebruikt het ook wel, maar lang niet in die mate als zijn vertaler voor wie het de gewone manier lijkt te zijn om het rijm rond te krijgen. Het kan trouwens nog erger:

(-)Hij bezag het on-

Heil neergezeten en verzonken

In droef gepeins. Elk plein een spaar-

Bekken en elke boulevard

Een brede stroom.

Het afbreken van een regel midden in een woord is iets dat, als ik mij niet heel erg vergis, in het hele oeuvre van Poesjkin niet voorkomt. Dit is niet eens meer Sinterklaasgerijm, dit is rijmdwangmatige armoe.

Ook met het metrum, een viervoetig jambe, zit het niet goed. Het Nederlands is soms regelrecht uit de maat:

En donkergroene tuinen ziet

Men alom op de eilandruggen.

Zou Boland werkelijk denken dat de klemtoon bij ”alom' op de ”a' valt, zoals het metrum eist? En dan het rare woord ”eilandruggen', waar in het origineel gewoon wordt gesproken van eilanden bedekt met tuinen.

En dan het Nederlands. De vertaler heeft een merkwaardige kijk op onze mooie moedertaal. Zo heeft hij het over een ”terrein van strijdgeweld' waar een ”slagveld' wordt bedoeld. Enigszins komisch is de vertaling van een van de beroemdste regels uit het gedicht die letterlijk luidt: ”Ik heb je lief, Peters schepping.' Maar wat rijmt er op ”schepping'? In deze vertaling is dat dan geworden ”Ik heb je lief, Peters creatie,' wat zo heerlijk rijmt op ”gratie' in de volgende regel. Maar denkt men bij ”creatie' niet eerder aan een opvallende jurk dan aan de stichting van een stad? Men heeft het toch ook niet over ”de creatie van de wereld'? En zo gaat het maar door, vierhonderdtachtig regels lang, met als toegift in de vierhonderdeenentachtigste en laatste regel - geheel in stijl, dat wel - een rare fout. Het lijk van Jevgeni is gevonden en bij Boland heet het dan:

(-)hij werd terstond

In Gods naam één twee drie begraven.

Dat is een rare regel die de indruk wekt dat Jevgeni een zeemansgraf krijgt en die ook volkomen uit de toon valt als slot van de zeer ingehouden, bijna zakelijke laatste strofe. Maar ”begraven worden terwille van God' (pro deo zouden we kunnen zeggen) betekent gewoon ”van de armen begraven worden.'

Laat ik er maar over ophouden. De vertaling van Poesjkins meesterwerk is mislukt.

Verward

Boland laat zijn vertaling vergezeld gaan van twee essays over Poesjkin en De Bronzen Ruiter, die tot het merkwaardigste proza behoren dat ik de laatste tijd onder ogen heb gehad. Ze zijn verward en weinig informatief, maar wat ze opmerkelijk maakt is volkomen oprechte woede, ja razernij van de schrijver jegens iedereen die ooit iets over Poesjkin heeft beweerd waar hij het niet mee eens is. Helaas is zijn polemische toon hier en daar wat puberaal, zoals wanneer hij Karel van het Reve aanduidt als ”Professor dokter Karel van het Reve in eigen persoon', alsof zijn slachtoffer hem persoonlijk groot onrecht heeft aangedaan.

Grote hoogten bereikt zijn toorn wanneer hij komt te spreken over baron van Heekeren, in 1837 Nederlands ambassadeur te Sint Petersbrug, en diens ”aangenomen zoon' (annex schandknaap) d' Anthès. Dit duo heeft een fatale rol gespeeld in het drama van Poesjkins laatste levensjaar, een drama dat culmineerde in een duel met d' Anthès waarbij de dichter het leven liet en waarna d' Anthès nog lang en gelukkig (hij schijnt het nog tot senator in Frankrijk te hebben gebracht) verder leefde. Boland zou de ellendelingen alsnog eigenhandig willen wurgen.

Hans Boland houdt van Poesjkin, zoveel is wel duidelijk, maar de manier waarop hij voor hem in het krijt treedt, werkt voornamelijk op mijn lachspieren.