Vertaalde Griekse gedichten; Heilige maagd, jonkvrouw, moeder

Romanos de Melode: Vier Byzantijnse hymnen en de Athistishymne. Uitg. Styx Publications Groningen, 139 blz.

Yannis Ritsos: De Jonkvrouw van de Wingerden. Uitg. Styx, 139 blz.

Kostas Montis: Brieven aan Moeder. Uitg. Styx, 140 blz.

Yorgos Theotokas: Athos. Uitg. Styx. Odysseas Elytis: Lof zij. Uitg. Bert Bakker, 168 blz.

Van de 34 bladzijden die Warren en Molegraaf toebedelen aan Byzantium in hun Spiegel der Griekse poezie van oudheid tot heden vallen tien toe aan de dichter-componist Romanos de Melode (edrijfsleven 490-560). Zijn aandeel opent met het volgende gedicht in de vertaling van J. van Biezen en J. W. Schulte Nordholt: “Waarom blazen de Grieken zichzelf op en stotteren ze?/ Waarom dromen ze van Aratos de driemaal vervloekte?/ Waarom dwalen ze achter Plato aan?/ Waarom beminnen ze de zwakke Demosthenes?// Waarom zien ze niet dat Homerus een ijdele droom is?/ Waarom babbelen ze over Pythagoras, die terecht tot zwijgen is gebracht?/ Waarom haasten ze zich niet om hen te vereren/ aan wie de Heilige Geest verschenen is?”

Inderdaad, waarom? Wie ruilt de in het gedicht genoemden graag in voor een stel Byzantijnse geestdrijvers? Volgens de legende verscheen behalve de Heilige Geest aan Romanos ook de Heilige Maagd in een droom voor Kerstmis, die hem gebood een boekrol te nuttigen De vrome kost bekwam hem zo goed, dat hij op kerstdag het preekgestoelte beklom en de aanhief, een lofzang op Maria die alles slaat wat ik uit de westerse traditie ken, het kleinood van de Orthodoxie. Die hymne, zo blijkt uit de inleiding van de Nederlandse vertaling ervan, is niet van Roman os, maar dat is nauwelijks een deeming feature voor de man, want een wel van hem afkomstige kersthymne biedt op het punt van verheerlijking ook het nodige dat een met rede begaafd wezen tegen de muren opdrijft.

Ook voor een niet-christen kan religieuze poezie genietbaar zijn. Als Romanos c.s. sterke weerstanden bij mij oproept, is dat vooral door een gemis aan innigheid, die ik ook zo vaak voel bij Byzantijnse ikonen: het goddelijke wil maar niet overkomen in menselijke dimensies. Toch is Romanos een knap kunstenaar met gewiekste vergelijkingen en argumenten binnen het potdichte systeem van zijn wereldvisie. Verder is hij literair historisch zo belangrijk dat de uitgave van zijn Byzantijnse hymnen en de Ak alleszins gerechtvaardigd is. Een deel van de latere Griekse poezie wordt door dit werk zo niet meer "invoelbaar', dan toch wel makkelijker te plaatsen. De inleiding van J. W. Aerts, die met Hero Hok werda en Henk Schoonhoven voor de vertaling tekent, had voor mij uitvoeriger gemogen.

Deze uitgave is onderdeel van de reeks Obolos, die tweetalige tekst edities uit alle periodes en regionen van de Griekse beschaving wil uitbrengen. Zes daarvan zijn tot nu toe verschenen bij Styx Publications Groningen in mooi uitgevoerde delen.

Theocratie

Wie de Orthodoxie van een van haar boeiendste kanten wil benaderen, an terecht bij een andere txpblikai: een reisverslag van Yorgos Theotokas uit 1961, vertaald en ingeleid door Hero Hokwerda. Theotokas is een van de intellectuele kopstukken van de "generatie van '30' en als zodanig bepaald niet iemand om zich met huid en haar over te leveren aan een theocratie. Maar hij is niet blind voor de koppige geestkracht die de "Heilige Berg' Athos in stand wist te houden. Met name zijn slotbeschouwing, waarin hij de falende ideologieen van onze eeuw met die geestkracht confronteert, is indrukwekkend. Als je die leest, ben je even bijna geneigd om "om te gaan'. Wie na die lectuur dergelijke aanvechtingen gevoelt, raad ik tot herstel van het mentale evenwicht Komrij's vertaling van Rhoidis' pausin Johanna aan. Als de aanvechtingen dat overleven, mag de aangevochtene zich met goed fatsoen als een religieus wezen beschouwen.

Komt bij Romanos de Maagd rijkelijk aan haar trekken, ook in een andere Obolos-uitgave, Jonkvrouw van de Wingerden (I Kyra ton ambelion) van de communistische dichter Yannis Ritsos ontbreekt zij niet. Deze even schimmige als alomtegenwoordige Kyra wordt door vertaler en inleider W. Aerts omschreven als "Vrouw, Moeder, H. Maagd, Demeter, Magna Mater, Engelbewaarder, Pieta en Strijdster op de barricaden'. Als zodanig "vertegenwoordigt zij alles wat Griekenland tot Griekenland maakt(e)'. Een eng-marxistische optiek kan men deze moedige dichter, die vervolging en internering doorstond, dus moeilijk verwijten.

Deze pas in 1961 gepubliceerde 24-delige cyclus uit 1945-47, geschreven tijdens de naweeen van de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende burgeroorlog, vormen - als je die woorden kunt combineren - een hartstochtelijke bezinning op wat het verscheurde land in diepste wezen voor de dichter betekent. Als buitenstaander neem je daarvan vooral beleefd kennis, al kun je er het nodige begrip voor opbrengen. Overigens laat ik me maar wat graag inpakken door de vaak overrompelende beeldkracht van Ritsos' taal. In deze "catalogus' van wat een Duitser waarschijnlijk "Gesamtgrazitat' ("totaalgriekendom') zou noemen, neemt Byzantium, naar mijn mening nog altijd in drukkende mate de geestelijke voedingsbodem van het huidige Griekenland, een door veel andere aspecten van Hellas verzachte plaats in. Met "bloed en bodem' heeft zulke poezie niets te maken, wel alles met het afbakenen van een geestelijk terrein bij het afkalven waarvan niemand gebaat is en dat steeds weer ruim genoeg blijkt om geestelijke inteelt op afstand te houden. Figuren als Kavafis en Seferis zijn daarvoor op een hoger niveau dan dat van Ritsos de beste garantie.

Volharding

Een "catalogus van Gesamtgrazitat' is ook de Nobelprijslaureaat Odysseas El zij, welke titel een noodsprong is voor aon esti (Dignum est), waarvoor de westelijke christenheid geen bruikbaar equivalent bezit. Van dit werk signaleerde ik al eens Duitse en Engelse vertalingen in het Cultureel Supplement. Aan de jarenlange volharding van Andriette Stathi-Schoorel, in de eindfase van haar worsteling bijgestaan door Hero Hokwerda, danken wij nu een Nederlandse versie met een uitstekend nawoord, maar helaas zonder het annotatie-apparaat, dat door de uitgeverij werd verworpen omdat het de toch al omvangrijke uitgave onhandzaam zou maken, zoals ik bij geruchte hoorde.

Ritsos' moet het vooral hebben van de lyrische gedrevenheid, waarvan een zekere vormloosheid wel eens het gevolg kan zijn. De "wilde' lyricus Elytis van voor de oorlog, gehard in de Albanese veldtocht tegen Mussolini en van 1947 ot 957 gheel tot zwijgen gekomen, lijkt dit gevaar vanaf het begin te hebben willen bezweren door zijn werk een bijna mathematische, architectonische opbouw te geven, die aandoet als een uitwendig skelet. Of die strenge buitenkant gelijk opgaat met innerlijke tucht betwijfel ik. Te vaak komt me de opbouw voor als een gareel en moet de lezer het hebben van aparte onderdelen die zich los van het geheel laten genieten, maar dan ook onvoorwaardelijk. Als de opzet van de dichter mislukt is, dan is het een mislukking op hoog niveau. Waar ik uiteindelijk voor val, lijkt dan op wat ik bij Ritsos zonder al die architectuur krijg: prachtige beelden, virtuoos verwoord. Het meest bewonderenswaardig aan de uitgave is de vertaling.

Elytis en Ritsos willen in de eerste plaats de Griekse wereld in hun greep krijgen en daarmee de wereld. Een dichter die het er om te doen lijkt te tonen hoe hij de greep op de wereld is Kostas Montis (Mondis) in zijn drie aan Moeder (Grammata sti Mitera, 1965-80). Heilige Maagd (ook bij Elytis prominent), Jonkvrouw, Moeder. Qua "theologische substantie' gaat de reeks in dalende lijn. De geadresseerde in deze brieven is niet meer een in welke vorm dan ook hymnisch verheerlijkte middelares, maar een laatste en schimmige instantie bij wie de dichter nog te biecht kan. Over haar hoofd heen bereikt hij de lezer. Met deze krijg je heel wat ellende in huis: Montis is een Cyprioot. En alsof dat niet genoeg is, stelt hij zich ook nog open voor het wereldleed en de in de mensheid wortelende oorzaken daarvan. Je vraagt je benauwd af of het niet een onsje minder kan. Maar nee, dat kan niet, want Montis zelf kreeg van het lot het volle pond. Dat geeft hij aan ons door in hortende, repetitieve, voorthamerende regels, soms zonder kop of staart, door de lezer zelf te voltooien onaffe zinsconstructies en denkpogingen. De taal begeeft het voor je ogen; voor wat uitgesproken moet worden zijn letterlijk geen woorden meer, want alle taal is leugen geworden. De dichter laat zien hoe hem de taal wordt afgepakt: "Ik bedrijf geen poezie'. Hij "vertelt'. Over de innerlijke uitholling die gepaard gaat met de tragedie van het naoorlogse Cyprus in de context van het menselijk tekort. Dat je je daardoor als lezer voelt aangesproken, maakt de zaak niet beter, want je weet het allemaal wel, maar moet toch weer overgaan tot de orde van de dag. Het kwaad wordt wel zichtbaar, maar je hebt er geen greep op. Dat maakt je geneigd Montis met zijn hypertroof geweten als een horzel van je af te slaan.

Wie beetje bij beetje aan hem wil wennen, kan goed terecht bij zijn (Stigmes, De Lantaarn, Leiden 1987), een collectie poetische splinters, waaruit de lezer zelf zijn mozaieken kan vormen. Een daarvan, alweer in de vertaling van Hokwerda, luidt: “De pogingen der vertalers zullen vergeefs zijn: / dit vers werd geschreven om Grieks te blijven, / dit vers is alleen voor Grieken.”

Alleen voor Grieken. Dat geldt een beetje voor alle hier gesignaleerde poezie. Het "programmatische' karakter ervan maakt de identificatie niet altijd makkelijk en je snakt na een tijdje naar de relativerende ironische toon van een Kavafis. Maar relativering is wel het laatste dat je verwacht van dichters a cause. Wat mij betreft mogen nu wel weer eens dichters met een meer persoonlijke thematiek in vertaling aan de orde komen, zoals Kostas Karyotakis, van wie Hokwerda al het nodige in tijdschriften heeft gepubliceerd. Dichters, kortom, die je ook zou lezen als ze Grieks waren.