Van den Broek verbreedt claim op hulpbeleid

DEN HAAG, 10 APRIL. Niet alleen inzake de mensenrechten, maar ook inzake de consequenties van overbewapening van een ontwikkelingsland voor de Nederlandse hulp heeft de minister van buitenlandse zaken het "primaat'. En dus niet de minister van ontwikkelingssamenwerking.

Dit was gisteren de duidelijke stellingname van minister H. van den Broek (buitenlandse zaken) tijdens een mondeling overleg met de Tweede Kamer over het mensenrechtenbeleid.

Van den Broek zette de lijn voort van het Kamerdebat van vorige week over de verbreking van de ontwikkelingsrelatie met Indonesië. Daarbij werd vastgesteld dat mensenrechtenbeleid primair de verantwoordelijkheid is van Van den Broek en niet van minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking. Van den Broek: “Voor zaken als de mogelijke consequenties van overbewapening is de situatie exact hetzelfde als voor de mensenrechten. Ook dan dient de afweging tegenover de bredere betrekkingen die we met een land hebben, te worden gemaakt door de minister van buitenlandse zaken”.

Van den Broeks conclusies werden niet weersproken door de Kamer. Alleen PvdA-woordvoerder M. van Traa probeerde om de brief die de regering vorige week over het politieke primaat in mensenrechtenbeleid schreef zo te interpreteren dat het primaat van de minister van buitenlandse zaken alleen zou gelden als er “een ongewilde verbreking van de betrekkingen” zou dreigen. Van den Broek wees die interpretatie af: “bij een ongewilde breuk ben je geen meester meer van je eigen beleid.” Het primaat geldt in brede zin. Van den Broek erkende wel dat Pronk “zeker een rol heeft” in het mensenrechtenbeleid, maar dat gaat dan om zaken als de attendering op ontwikkelingen die van belang zijn voor het mensenrechtenbeleid. Eerder deze week bepleitte Van den Broek in de Eerste Kamer samenvoeging van de portefeuilles van buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking.

Van den Broek waarschuwde er voor dat verbreking van ontwikkelingshulp als instrument van mensenrechtenbeleid alleen maar zinvol is als daardoor uitzicht is op verbetering van de mensenrechtensituatie. “Anders volg je alleen maar je eigen geweten. Je moet alle relevante factoren meenemen in de afweging van de effectiviteit van het middel.” Van den Broek hield een pleidooi voor "stille diplomatie'. “Een minister die daar aan doet heeft altijd de schijn tegen zich, maar er worden met de betrokken landen maar weinig dialogen of bezoeken gehouden zonder dat het punt van de mensenrechten aan de orde komt.”