Tentoonstelling van Alexander Calder in Londen; Op de deining van de zee

Na een ontmoeting met Mondriaan maakte de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder (1898-1976) de eerste van zijn mobiles. Hiervan is nu een aantal te zien op een tentoonstelling in Londen. Bij de minste trilling in de lucht gaan ze bewegen, windkracht zullen ze niet overleven. Maar de beste exemplaren hebben toch iets grimmigs. “Soms lijken ze autistisch. Kinderen die uren met hun bovenlichaam zitten te schommelen omdat ze anders geen rust vinden.”

52 werken van Alexander Calder. Royal Academy of Arts, Piccadilly, Londen. T/m 7 juni. Dag. 10-18u. Catalogus 32 blz., ¢8 2,50. De expositie zal van 12 september tot 8 november in Valencia, Spanje te zien zijn. Verkoopexpositie: Crane Gallery, 171a Sloane Street, Londen. T/m 1 mei. Ma. t/m vr. 10-18u., za. 10-16u.

De Amerikaanse beeldhouwer Alexander Calder (1898-1976), uitvinder van de mobile, was een man van de zee. Zijn roepnaam was Sandy. Zijn ogen waren blauw. Hij kwam in 1926 als scheepsschilder per boot naar Europa. Op een schip terug naar New York ontmoette hij drie jaar later zijn vrouw Louisa. Calders werk gaat vaak over de zee. Hij maakte in de jaren veertig vissen van aan het strand gevonden stukjes glas. Uit staal schiep hij in 1963 een zwangere walvis van meer dan een meter groot, uit koper in 1940 een zeepaardje van acht centimeter. Op de tentoonstelling over Calder in de Royal Academy in Londen hangt een zeelandschap uit 1947. Stukjes hout stellen vissen voor, uit de bodem van een levensmiddelenblikje sneed hij een zeester. De vissen en de ster bungelen aan ijzerdraadjes. Als ik naar ze blaas, draaien ze rond.

Ook als Calder zijn mobiles niet met zeewezens bevolkte, blijft de zee zijn uitvinding beroeren. Jean-Paul Sartre, die een vogel van Calder bezat, vergeleek de kunstwerken, omdat ze bewogen, met de zee.

Mensen die meer van de zee dan van de bergen houden zeggen vaak dat de zee altijd verandert. Je kunt er uren naar kijken, maar steeds zie je iets anders, terwijl een berg eeuwig een berg blijft. Spreken deze mensen de waarheid? Kun je langer naar de zee dan naar een berg kijken zonder je te vervelen? Kijk je langer naar een boom als het waait?

Als dat zo is, zouden de mobiles van Calder de spannendste kunstwerken ter wereld zijn. Dat is niet zo. Het ontstaan van de mobile heeft wel met het zoeken naar spanning te maken. Het verhaal is beroemd. Calder bracht in 1930, hij was toen 32, in Parijs een bezoek aan het atelier van Mondriaan. Calder was onder de indruk, maar hij vroeg Mondriaan of zijn werk niet nog beter zou zijn als de gekleurde vlakken zouden bewegen. Nee, antwoordde Mondriaan, mijn werk is zo al snel genoeg. Ondanks het feit dat Calder toen zelf "bewegende Mondriaans' is gaan maken, is zijn werk toch minder radicaal dan dat van de schilder. Toen Calder het ontstaan van de mobile in zijn autobiografie navertelde, gebruikte hij in plaats van het woord move (bewegen), oscillate, wat slingeren of schommelen betekent.

Als de werken van Calder op de zee lijken, dan omdat ze, net als kalm brekende golven of een gemoedelijk knappend haardvuur, gerust stellen. Ondanks hun vrolijke, van Mondriaan geleende kleuren, bewegen de mobiles niet vrolijk en snel, maar langzaam, soms traag, tot het evenwicht zich weer herstelt. De minste trilling in de lucht is genoeg om ze in beweging te krijgen. Windkracht zullen de meeste niet overleven. Morgen schijnt de zon, zeggen de mobiles, en overmorgen regent het. Ga dan naar huis en koop onderweg een bos rode bloemen. Morgen schijnt de zon weer. Ze accepteren het leven.

De beste exemplaren hebben toch iets grimmigs. Hun bewegingen zijn niet toevallig, de meester heeft ze secuur beperkt. Soms lijken ze autistisch. Kinderen die uren met hun bovenlichaam zitten te schommelen omdat ze anders geen rust vinden. Dan kun je blazen wat je wil, de beweging lijkt alleen voor eigen genoegen plaats te vinden.

tk Circus

Voor Calder in 1932 met de mobiles begon, had hij al veel voorwerpen gemaakt waarvan de beweging wel een doel diende. De meeste hoorden bij het circus, waarmee hij in de jaren twintig de harten van de Parijse avant-garde veroverde. Het huist nu in het Whitney Museum in New York en is te fragiel om te vervoeren. Er draait op de tentoonstelling wel een videofilm die Carlos Vilardebo in 1961 van een van de laatste voorstellingen maakte.

Alle artiesten doen, nu en dan geholpen door de dikke vingers van Calder, wat ze moeten doen. De sterke man heft een gewicht, de buikdanseres draait met haar stoffen buikje, de trapezewerkers maken salto's en vliegen van rekstok naar rekstok met hun armpjes van gebogen ijzerdraad. Er is muziek en Calder brult overtuigend als een leeuw.

Als kind maakte Calder juwelen van op straat gevonden koperdraad voor Thomasine en de andere poppen van zijn zusje. Ze zullen denk ik niet veel verschillen van de sieraden die hij later maakte voor zijn vrouw en voor de vrouwen van zijn vrienden, zoals Teeny Duchamp, Anne Matta en madame Buñuel.

Vanaf zijn achtste had Sandy een eigen werkplaats, meestal in de kelder, onder het atelier van zijn vader. Er zal bij weinig kunstenaars zo'n kleine breuk tussen de activiteiten van het kind en van de volwassene zijn geweest als bij Sandy Calder. Hij is, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, gewoon doorgegaan. Zelfs zijn materiaal, ijzerdraad, is hij altijd trouw gebleven. Léger noemde hem "Le Roi du Fil de Fer'.

Het verbaast mij dat geen van Calders maaksels in produktie is genomen, zelfs zijn juwelen en huisraad niet. Behalve van het speelgoed dat hij begin jaren twintig voor een Amerikaanse fabriek maakte, waaronder een hemelse blikken kangoeroe op wieltjes, bestaan er alleen originelen. Het heeft lang geduurd voor ik de mobiles waarmee ik uit kinderkamers vertrouwd was, in verband durfde te brengen met de Calders uit musea. Misschien heeft Calder nooit iets in een oplage laten verschijnen omdat hij bang was dat zijn produkten dan niet meer tot de kunst zouden worden gerekend. Calder besloot zijn autobiografie in 1966 met de opmerking: “My fan mail is enormous - everybody is under six.” Helaas vind ik de grote stabiles, waarmee hij de gemiddelde leeftijd van zijn bewonderaars in de jaren zestig en zeventig probeerde te verhogen, niet mooi. Deze stabiles, zoals Jean Arp Calders niet bewegende beelden noemde nadat hij had gehoord dat Duchamp de naam mobiles voor de bewegende had bedacht, staan meestal voor grote moderne gebouwen met gewichtige functies als het Amerikaanse consulaat in Frankfurt en het Unesco-gebouw in Parijs. Meestal heeft Calder ze met de naam van een monster getooid, zoals The black beast. Het zijn inderdaad monsters, ze missen alle elegantie en intelligentie van de mobiles.

Zon en maan

Bijna net zo onder de indruk als van zijn bezoek aan het atelier van Mondriaan, was Calder acht jaar eerder geweest van een gebeurtenis op zee. Varend voor de kust van Guatemala zag hij aan de ene kant van de boot een felrode zonsopgang en aan de andere kant de maan, die op een zilveren munt leek.

Na de ontmoeting met Mondriaan heeft Calder een tijd geprobeerd om volledig abstract te werken, zij het niet met geometrische maar met organische vormen, die aan het werk van Joan Miró doen denken. Maar de abstractie lag hem niet. Het grootste talent van Calder was dat hij zo weinig nodig had om van niets iets te maken. Dat maakt zijn werk grappig. Een wasknijper, een stukje hout, wat ijzerdraad: zie daar een hond. IJzerdraad en zes deurknoppen: een wolf met tepels. IJzerdraad met een deurknop: een wolfje met een penis.

Bij de mobiles ging Calder anders te werk. De gelijkenis met een bestaande organische vorm viel hem pas in als het werk af was en werd verwerkt in de titel. Soms irriteert dat. In Londen hangt bij voorbeeld een zwarte mobile uit 1940 die Hanging Spider heet en een grote, niet door blaaskracht in beweging te krijgen, staande mobile getiteld Indian Feathers. Door de titels worden de werken te letterlijk. Geef mij maar prozaïsche titels als A little one, zoals Calder zijn kleine mobiles (soms maar vijf centimeter hoog) noemde. Deze staande mobiletjes zijn allemaal gebaseerd op de houding van de zeehond die iets op zijn neus balanceert, maar gelukkig heet er geeneen zeehond. De vergelijking moet op de achtergrond blijven. In de Royal Academy zijn geen little ones te zien. Op de verkooptentoonstelling in de Londense Crane Gallery staat er wel een, uit 1973, drie jaar voor zijn dood. (Prijs 150.000 dollar).

In de Royal Academy doet maar één titel recht aan Calders kunst. Hij geeft aan dat hij in zijn beste werken niet op illusie uit was, maar met ijzer en aluminium zijn eigen flora en fauna schiep. Deze mobile heet Calderberry Bush.

In de jaren zestig en zeventig werd vaak beweerd dat Calder een nieuwe kunstvorm had uitgevonden, van dezelfde orde als het kubisme. Toch is hij door kunstenaars weinig nagevolgd. Calder heeft zich in het begin van zijn loopbaan wel gewaagd aan door een mechaniek aangedreven kunstwerken. Maar de bewegingen daarvan waren hem te regelmatig. De mobile, die door wind of adem leven in krijgt geblazen, kent een andere beperking. Ze leent zich alleen voor bekende of onbekende organische vormen. Ik ken maar een mobile van Calder die een ander onderwerp heeft, een mobile van hoeden uit 1951. Ook in de volkskunst is de mobile gereserveerd gebleven voor dingen die zelf al vliegen of zweven, zoals vogels, wolken en engelen. Zijn het vissen of scheepjes, dan speelt de lucht voor water.

De mobile hoort zo bij Calder dat hij er al een gemaakt had, voordat hij wist dat hij haar had uitgevonden. Ze hoort bij het circus en komt voor op de video. We horen vogels zingen en op de schouder van een mooie dame daalt een wolk witte vlinders neer. Toen Joan Miró een voorstelling van het circus had bijgewoond zei hij tegen Calder dat de stukjes papier hem het best bevielen. Calder vertelt deze anekdote in zijn autobiografie twee keer, zo verbaasd was hij hierover. Voor hem bestond er geen twijfel aan dat de stukjes papier duiven waren. Geen van de drie mogelijkheden, ook die van Calder niet, strookt met het vogelgekwetter, maar dat geeft niet. Ik kan er geen uren naar kijken, maar ik wil wel eeuwig leven in de vrije, onaffe wereld van Sandy Calder, waarin het een zo makkelijk het ander kan zijn.