Socrates' verdediging vertaald; Wat De Horzel Zei Voor Hij Werd Doodgeslagen

Plato: Sokrates' verdediging. Vertaling Gerard Koolschijn. Uitg. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 1991, 35 blz. Prijs ƒ 12,50

Ieder mens heeft vijf, tien, twintig geschriften die hem, telkens als hij ze leest, weer ontroeren. Je zou een mens kunnen definiëren door die persoonlijke verzameling prozateksten.

Voor mij zijn het hoofdstukken, brieven, dagboeknotities, redevoeringen, uitspraken, van Voltaire en Swift, van Anne Frank en Vincent van Gogh, van Wittgenstein en Socrates, van Carry van Bruggen en Leo Vroman, van Malcolm X en Oscar Wilde, van Theo Thijssen en Gerard van het Reve, van Mencken en Multatuli, van Lewis Carroll en Daniil Charms.

Is er iets gemeenschappelijks in die stukken? Ik geloof het wel. Ze zijn bijna allemaal autobiografisch van aard. Soms waren ze helemaal niet bedoeld als literatuur (Frank en Van Gogh). Soms zijn ze niet eens door de bedenker zelf opgeschreven (Malcolm X en Socrates). Soms hebben ze de schijn van wetenschap (Wittgenstein). Soms horen we pas jaren later, dat ze autobiografisch waren (Thijssen en Van het Reve).

Dat het de schrijver ernst was, blijkt vaak uit de feiten van zijn leven, en van zijn dood. Maar als het goed is - en in deze gevallen is het altijd goed - nemen we, ook zonder die feiten te kennen, aan dat het ernst is.

Het kan zijn dat we later dingen horen over iemands andere opvattingen (Mencken), over zijn manier van leven (Wittgenstein), over zijn later werk (Reve), die ons niet aanstaan, maar dat kan de eerste indruk niet verpesten.

Al die stukken gaan over de dood. Of er nu een echte dood, van een vader of grootvader in wordt beschreven (Thijssen, Van het Reve), of dat de dood wordt gebruikt als hilarisch argument (Voltaire, Swift).

Bij enkelen weten we dat ze gewelddadig aan hun eind zullen komen (Frank, Malcolm X, Socrates) en die wetenschap weegt mee bij het lezen, waardoor we de grens van de kitsch naderen. In mijn gevallen wordt die grens niet overschreden, wat naar mijn smaak bij de teksten van Jezus Christus of Etty Hillesum wel gebeurt.

Als ieder mens zijn eigen top-tien van ontroerende teksten zou opstellen - welke teksten zouden dan het hoogst scoren? Ongetwijfeld zouden teksten van religieuze aard bovenaan staan. Maar die mogen eigenlijk niet meedoen, want ten eerste vereisen ze geloof bij de lezer en ten tweede weet de gelovige lezer dat hij strafbaar is als hij ze niet bewondert.

Ik denk dat op de top-tien van alle tijden en van alle mensen de verdedigingsrede van Socrates, zoals Plato die heeft opgeschreven, zeker een plaats zou krijgen.

Er valt veel te zeggen over de historische omstandigheden van het proces waarbij Socrates ter dood werd veroordeeld, vooral omdat er zo weinig over vaststaat. Maar ook zonder van die historische omstandigheden een studie te maken, valt er voor de lezer van de verdedigingsrede veel te genieten en te denken.

Socrates begint te zeggen dat hij geen redenaar is. De rest van het verhaal bewijst het tegendeel. Maar het is wel waar dat hij met zijn welsprekende rede niet zijn vrijspraak binnenhaalt. Integendeel: nadat de vijfhonderd (door het lot aangewezen) rechters in Athene hem eerst met een kleine meerderheid schuldig hebben verklaard, zal een veel grotere meerderheid hem - na eis en tegeneis - tot de dood veroordelen. Tachtig mannen die hem aanvankelijk vrij wilden spreken, willen hem later dood hebben!

Socrates irriteert zijn rechters. Hij vertoont precies het gedrag, waar hij voor wordt aangeklaagd. Hij beweert dat het orakel van Delfi had verklaard dat er niemand meer inzicht had dan Socrates. Dat kon Socrates niet geloven, en daarom ging hij praten met mensen die verstandig geacht werden. En na zulke gesprekken besloot hij steeds: “Die man heeft inderdaad minder inzicht dan ik. Want het schijnt dat wij geen van beiden over behoorlijke kennis beschikken, maar hij denkt iets te weten wat hij niet weet, en ik weet niets en denk dat ook niet. Het lijkt dus wel of ik in elk geval iéts meer inzicht heb dan die man, alleen doordat ik niet denk iets te weten wat ik niet weet.”

Bedorven jeugd

Zo slaat hij zijn aanklagers met de koppen tegen elkaar. Hij veroorlooft zich zelfs een onzinnig argument. Ze hebben hem verweten dat hij de jeugd zou bederven. Maar, zo argumenteert hij, ik zou van die bedorven jeugd ook last hebben gehad, ik kan dus nooit opzettelijk de jeugd hebben willen bederven. Dat argument bewijst natuurlijk niets, behalve dan dat de aanklacht "de jeugd bederven' onzinnig is, omdat iedereen zich met dit argument zou kunnen vrijpleiten.

Socrates zegt dat hij zich niet wil verdedigen. Hij wil alleen verhinderen dat de Atheners zich ontdoen van iemand die “hoe belachelijk dit ook klinkt, door de god op de samenleving is neergezet als op een paard dat wel groot en edel van ras is maar door zijn omvang aan de trage kant zodat het wakker gehouden moet worden door een soort horzel.”

Als hij schuldig is verklaard, wordt de doodstraf geëist, en moet Socrates een tegeneis indienen. In dit geval had hij er met verbanning en/of een geldboete af kunnen komen. Maar zijn tegeneis is: een levenslange uitkering van de stad Athene, zoals sporthelden die ontvangen!

Hij verklaart dat het hem niet mogelijk is in het vervolg te zwijgen. “Als ik zeg dat zoiets ongehoorzaamheid tegenover de god betekent en dat het daarom onmogelijk is me afzijdig te houden, gelooft u me niet en denkt u dat het ironie is.”

Ik versta hieruit dat Socrates beseft dat zijn rechters van hem denken dat hij niet in goden gelooft. Zij geloven kennelijk in de volgende redenering:

(1) Ongeloof leidt tot onveiligheid

(2) Socrates leidt tot onveiligheid

Dus: Socrates is ongelovig en moet dood.

Wie tegen deze redenering bezwaar maakt (twee dingen, die tot hetzelfde leiden zijn daarom nog niet hetzelfde) valt in de kuil. Want hij lijkt wel te geloven (1) en (2).

Het is als met de twintigduizend betogers op het Moskouse Manegeplein afgelopen zondag, die tegen Jeltsin antisemitische leuzen skandeerden. Zij menen:

(1) Joden leiden tot rampen

(2) Jeltsin leidt tot rampen

Dus: Tegen Jeltsin moet je antisemitisch schreeuwen.

Wat moet je tegen zulke gekken zeggen?

Wij zullen er wel nooit achterkomen wat een Athener die in de God geloofde, precies geloofde, en helemaal niet wat Socrates precies geloofde. In deze godloze tijd ben je geneigd te denken dat Socrates niet in enige God geloofde, maar bewonderaars als Augustinus en Erasmus zagen dat anders, hoewel ik Erasmus' uitroep “Heilige Socrates, bid voor ons!”, ook ironisch versta.

In de Engelse vertalingen staat gewoon: God. In 1987, toen Koolschijn in zijn boek Plato, schrijver de helft van de Verdediging vertaalde, schreef hij: god, met een kleine letter. Nu, vier jaar later, lezen we: de god. Het lidwoord, hoe getrouw ook in de vertaling, lijkt mij hier een afzwakking.

Als de doodstraf is uitgesproken, geeft Socrates zijn visie op de dood: “De dood is van tweeën een, ofwel een soort niets waarbij de overledene geen enkele zintuiglijke gewaarwording heeft, of het is volgens de verhalen een soort verandering waarbij de psyche verhuist van deze naar een andere omgeving.”

Als de dood een droomloze slaap is, dan is de dood winst. Als de dood een zielsverhuizing is, wat kan er dan nog beter zijn? Dan zullen we immers met al die mensen die al dood zijn, kunnen spreken. En het mooiste is: daar in het hiernamaals kunnen ze je nooit meer aanklagen en ter dood veroordelen!

Vagevuur

Ook hier is het niet goed mogelijk om te begrijpen hoe de Atheners deze troost opvatten. Wij zijn immers door het Christendom geïndoctrineerd met de gedachte dat er nog wel degelijk een derde mogelijkheid is, het vagevuur, hemel en hel en weer een nieuwe rechtszaak. Maar het is zeker mogelijk dat men in Athene aan zulk een absurde afloop niet dacht.

Wat vierentwintig eeuwen geleden in Athene gebeurde, kan je nu nog woedend maken. Dit doodvonnis speelde zich niet af in een theocratie als de Perzische, niet in een revolutie als de Franse, niet in een vijandelijke bezetting als de Duitse maar in een vrij en democratisch Athene, waarvan wij altijd horen dat het de bakermat van onze beschaving is.

In dat toppunt van democratie en recht was een meerderheid bereid een man tot de dood te veroordelen omdat hij irritant was. Maar er was ook een minderheid die voor vrijspraak stemde; er was een jongeman van nog geen dertig jaar die later de verdedigingsrede zou opschrijven, en er was de held zelf, die totaal niet onder de indruk van de dreiging met de dood, zei wat hij dacht op een manier die nog steeds ontroert.

We leven in een tijd waarin schrijvers en kritici veel filosofie in de literatuur willen doen. Je kunt het meemaken dat eenzelfde schrijver of kritikus zowel Nietzsche als Socrates, zowel Popper als Plato, zowel Kierkegaard als Hegel met instemming citeert - de filosofie als glasbak. Socrates verdient beter.

Gerard Koolschijn heeft er goed aan gedaan om na zijn eerdere vertaling van enkele fragmenten, samen met de helft van het betoog, nu de hele rede van Socrates in het Nederlands over te brengen, zodat we niet meer het Vlaams van De Win hoeven te lezen.

Ook na zijn dood blijft Socrates ons vragen stellen. Zijn dood zelf stelt ons vragen. Deed hij er goed aan niet in ballingschap te gaan, zoals veel dissidenten onder het communisme wel deden? Deed hij er goed aan niet de kans op een ontvluchting aan te pakken? Het zou goed zijn als Koolschijn ook de laatste gesprekken van Socrates vóór zijn dood vertaalde en aan de Verdediging toevoegde. Dan kan iedereen zien dat de kalme, geestige Socrates niets moest hebben van de kitsch die zoveel andere heldendoden omgeeft.