Sjeik Yamani en de magie van olie

Oost en West, Noord en Zuid integreren in één wereldeconomie. Ontwikkelingslanden kiezen voor marktliberalisatie, Oost-Europa en de republieken van de ex-Sovjet-Unie sluiten zich aan bij het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank, die ze in 1944 de rug toekeerden. Deze instellingen werden opgericht in het Amerikaanse gehucht Bretton Woods en vormden de grondslag voor het Westerse na-oorlogse economische stelsel. Het einde van de economische koude oorlog, het begin van de wederopbouw van de communistische ruïnes en de omarming van de markteconomie illustreren de terugkeer naar de beginselen van de Bretton Woods-instellingen.

De Westerse wereld heeft de afgelopen halve eeuw dramatische economische ontwikkelingen doorgemaakt. In een serie interviews komen de protagonisten van de na-oorlogse wereldeconomie aan het woord. Vandaag: sheik Ahmed Zaki Yamani, de centrale figuur in de oliecrises van de jaren zeventig.

Sheik Yamani (61), Mr. Oil, straalt gezag uit en de gave van innemendheid. Hij heeft een zangerige, warme stem, indringende ogen en een stevig buikje dat verscholen gaat achter een onberispelijk kostuum met vest. Een kwart eeuw heeft sheik Ahmed Zaki Yamani de oliepolitiek in de wereld beheerst. Hij was van 1962 tot 1986 minister van oliezaken van Saoedi-Arabië en speelde een sleutelrol in OPEC, de Organisatie van olie-exporterende landen.

Tijdens de oliecrises van de jaren zeventig, in 1973 en in 1979, werd hij in de VS en Europa beschouwd als de verantwoordelijke voor rijen bij de benzinestations en autoloze zondagen, voor inflatie en werkloosheid. In werkelijkheid was hij de bemiddelaar, die radicale Arabische landen temperde, en de onderhandelaar die de economische betekenis van olie beter inschatte dan zijn tegenstanders. Tegenwoordig heeft Yamani zijn eigen adviesbureau voor energiezaken in Londen. Beschermd door Britse lijfwachten woont hij afwisselend in Londen, Saoedi-Arabië en Zwitserland, waar het gesprek met hem plaats heeft in het ski-oord Crans-Montana.

Wat is de magie van olie?

“Olie is onmisbaar. Industrie, auto's, elektriciteit, alles is gebaseerd op olie. Het is een strategisch produkt, waarvan de winning geconcentreerd is op grote afstand van de consumenten in een gebied, dat politiek instabiel is. De hele wereld is van dat gebied afhankelijk.

OPEC werd in 1960 op initiatief van Venezuela en Saoedi-Arabië opgericht. Hoe heeft OPEC zijn macht verworven?

“In het begin weigerden de oliemaatschappijen met OPEC te praten. Maar in 1970 in Teheran en 1971 in Tripoli hebben we samen met de oliemaatschappijen de olieprijs bepaald. Toen zij in 1973 weigerden om over een prijsverhoging te onderhandelen, kreeg OPEC werkelijk macht.”

Vond U dat de producerende landen zich een groter deel van de olierijkdom moesten toeëigenen?

“Absoluut. Dat was een gerechtvaardigde eis. De olielanden hadden recht op een groter deel van de winst, die hoorde niet weg te vloeien naar andere landen.”

Waarom eiste OPEC in 1973 een stijging van de olieprijzen van 2 tot 6 dollar per vat?

“Eind jaren zestig, begin jaren zeventig steeg de jaarlijkse consumptie van olie met 7 à 9 procent per jaar. De vraag steeg veel te snel ten opzichte van de produktie en als de prijzen niet zouden zijn aangepast, zou aan het einde van de jaren zeventig een tekort aan olie zijn ontstaan. Dat zou een ramp voor de hele wereld zijn geweest. Dus God-zij-dank gingen de prijzen in 1973 omhoog. Dat maakte het rendabel om op nieuwe plaatsen naar olie te zoeken en de consumptie af te remmen. De consumptiestijging daalde van 9 naar 1,5 procent per jaar. Dat was redelijk.”

Begin 1974, tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zei de Algerijnse president Boumédienne namens de Beweging van Niet-gebonden landen: "Olie is niet alleen een bron van energie, maar ook een bron voor een rechtvaardiger verdeling van de welvaart in de wereld'. Er was dus ook een politieke reden voor prijsverhogingen.

“We wilden olie als troefkaart gebruiken in onze onderhandelingen met het Noorden. Amerika voelde zich gekwetst door het olie-embargo en probeerde de ontwikkelingslanden en consumentenlanden tot één front samen te voegen tegen de olieproducerende landen. Toen hebben wij gezegd: we willen dat olie op de agenda komt in de onderhandelingen met het Noorden, samen met de overdracht van technologie, schulden en andere punten. Zo hebben we de ontwikkelingslanden aan de kant van de olieproducenten gebracht.

De president van Algerije heeft toen om een speciale bijeenkomst van de Verenigde Naties gevraagd, die plaats had in april 1974. Wij hebben tijdens die VN-bijeenkomst opgeroepen tot een internationale conferentie van producenten en consumenten, die uiteindelijk in Parijs heeft plaatsgehad.''

Bestond voor oktober 1973 een uitgewerkte strategie om olie als een economisch machtsmiddel te gebruiken?

“Wij waren niet van plan om olie als een "wapen' te gebruiken, wij hebben het altijd als een grondstof beschouwd. Het politieke gebruik van olie had te maken met de problemen met Israel, niet met olie als zodanig.”

Op 6 oktober 1973 begon de Jom Kippoer-oorlog met de verrassingsaanval van Egypte en Syrië op Israel. Twee dagen later, op 8 oktober, startten in Wenen de onderhandelingen van OPEC met de oliemaatschappijen over een prijsverhoging. Was er een verband tussen deze twee gebeurtenissen?

“Nee, absoluut niet. De OPEC-bijeenkomst was maanden van tevoren afgesproken. Onderweg naar Wenen, tijdens een tussenlanding in Genève, hoorde ik dat de oorlog was uitgebroken.

De oorlog was voor vrijwel iedereen een verrassing. Misschien wist wijlen Koning Feisal dat een oorlog op handen was. Maar het was absoluut een samenloop van omstandigheden dat de oorlog uitbrak op het moment dat de OPEC-vergadering begon. Je begint een oorlog niet als iedereen ervan op de hoogte is, dan heeft een verrassingsaanval geen zin.''

Heeft de oorlog de onderhandelingen in Wenen beïnvloed?

“Ik wilde graag met de oliemaatschappijen tot overeenstemming komen, maar zij waren van mening dat de politieke situatie veranderd was en dat ze zich beter konden terugtrekken uit de onderhandelingen.”

U zat met vertegenwoordigers van Shell en Exxon in uw suite van het Intercontinental Hotel in Wenen. Wat gebeurde daar?

“Wij legden onze eisen op tafel, zoals we ook hadden gedaan in Teheran en Tripoli. Maar de vertegenwoordigers van de oliemaatschappijen weigerden verder te praten. Zij fungeerden als een buffer tussen producenten en consumenten, en plotseling waren de politieke omstandigheden totaal veranderd. Als ik een olie-directeur was geweest, zou ik ook vertrokken zijn.”

Maar de oliemaatschappijen hadden toch kunnen zeggen: we accepteren uw hogere prijzen en die berekenen we door aan de consumenten?

“Zo eenvoudig is dat niet. De grote oliemaatschappijen zijn een onderdeel van de Amerikaanse en Europese consumenten-landen. Ze doen niets zonder ruggespraak met hun regeringen.”

Verwachtte u dat de oliemaatschappijen op uw eis van 6 dollar per vat zouden ingaan?

“Op zijn minst dat ze zouden onderhandelen, het is een kwestie van onderhandelen of je op 3 of op 6 dollar uitkomt. Maar ze vonden dat ze onze eis eerst met hun hoogste bazen moesten bespreken. Dus ik zei: kom dan volgende week naar Koeweit en daar hervatten we de onderhandelingen.

In Wenen heb ik uitgewerkt hoe we olie als een politiek instrument zouden kunnen inzetten. Ik besprak dat in besloten kring op mijn hotelkamer en ik was stomverbaasd dat het hele verhaal twee dagen later in de Herald Tribune stond. Mijn kamer werd afgeluisterd. Daaruit bleek eens te meer dat olie een van de gevoeligste politieke kwesties in de wereld is.''

Wat besloot u in Koeweit? Die bijeenkomst veroorzaakte de "oliecrisis'.

“Nadat we op 16 oktober 1973 een nieuwe prijs hadden vastgesteld van 5,12 dollar besloten de Arabische OPEC-leden een dag later tot de boycot van de Verenigde Staten en Nederland. Die beslissing had direct te maken met de oorlog tegen Israel. Op die bijeenkomst was Iran niet aanwezig, omdat het geen Arabisch land is.

Door het embargo ontstond een tekort op de oliemarkt en daardoor ging de prijs verder omhoog. Het was bedoeld als strategie om het Westen erop te wijzen dat olie heel belangrijk is, dat de Arabische landen over olie beschikken en dat zij een probleem met Israel hebben. Dat was onze filosofie.

De radicale Arabische landen waren sterk tegen deze strategie gekant. Irak wilde bij voorbeeld de volledige nationalisatie van de olie-industrie in alle Arabische landen en alle Amerikaanse en Europese oliemaatschappijen eruit gooien.

Het ging om twee verschillende filosofieën: wij wilden olie als een politiek instrument gebruiken; zij als een politiek wapen om het Westen te treffen. Aanvankelijk waren wij tegen een olie-embargo en koning Feisal heeft nog geprobeerd te bemiddelen via president Nixon. In Koeweit was sprake van een "aanbeveling' om een olie-embargo af te kondigen en toen alle Arabische landen dat deden, heeft Saoedi-Arabië zich daar ook bij aangesloten.''

Waarom was het embargo tegen Nederland gericht? Was dat vanwege de positie van Rotterdam als olie-haven?

“Nee, het was omdat Nederland een heel agressief standpunt ten opzichte van de Arabische landen innam en Israel krachtig steunde. Nederland nam een ander standpunt in dan de overige EG-landen en stuurde zelfs vrijwilligers om voor Israel te vechten.” (Nederland gaf in 1973 toestemming aan de VS om tussenlandingen te maken bij luchttransport van militaire voorraden naar Israel. (RCJ)

De olieprijs steeg tot 11,65 dollar in december 1973. De OPEC-landen werden ervan beschuldigd met deze prijsstijgingen de inflatie in de Westerse landen aan te wakkeren.

“De inflatie werd niet veroorzaakt door de stijging van de olieprijzen, maar door de Vietnam-oorlog. Amerika bracht steeds meer dollars in omloop en dat veroorzaakte de inflatie. Kijk naar Japan: de Japanners importeren bijna al hun olie en toch hebben ze nooit een inflatieprobleem gehad. De koopkracht van de dollar nam wel af en dat was een van de redenen waarom sommige landen steeds hogere prijzen wilden opleggen, tegen de wens van Saoedi-Arabië. Iran was de drijvende kracht achter prijsverhogingen, samen met Libië en Algerije. Iran was van mening dat de Amerikanen een hogere olieprijs wilden. De Shah heeft tegen mij gezegd: waarom verzet jij je tegen hogere olieprijzen, de Amerikanen willen dat wij de prijs verhogen!”

Waarom?

“Dat was de politiek van Kissinger. Een hogere olieprijs diende een dubbel doel. Ten eerste wilde hij een hogere olieprijs om het energieverbruik te beperken en de afhankelijkheid van de Arabische landen te verminderen. Het was politiek, geen economie. Zijn streven kwam tot uitdrukking in de oprichting van de IEA, het Internationale Energie Agentschap (Kissinger was de drijvende kracht achter de oprichting van deze tegenhanger van de OPEC). Hij wilde in de IEA afspreken dat de consumentenlanden de accijnzen op olie zouden verhogen zodra de prijs onder een bepaald niveau zou komen.

Ten tweede wilden de VS de militaire macht van Iran vergroten. Het Amerikaanse beleid was er op gericht om Iran als de politie-agent van de Golf-regio te laten optreden. Iran had geld nodig om zich militair te versterken en olie is de enige bron van inkomsten die het heeft.''

Hoe kon het in het Amerikaanse belang zijn om hogere olieprijzen te bevorderen? De Amerikaanse bevolking protesteerde bij de benzinestations. Libië en Algerije waren toch geen vrienden van de VS?

“In de politiek vallen de belangen van een land niet altijd samen met de wensen van de bevolking, maar met de belangen van je tegenstander. Binnen de Amerikaanse overheid waren ook verschillende stromingen: het ministerie van buitenlandse zaken had een ander beleid dan het ministerie van financiën, dat streefde naar lagere olieprijzen. Buitenlandse zaken trok aan het langste eind.”

En Saoedi-Arabië?

“Wij bevonden ons in het midden. Wij behartigden de lange termijn belangen van de internationale gemeenschap. Er zijn twee soorten olieproducenten. Landen met grote reserves willen die zo lang mogelijk bewaren en landen met kleinere reserves willen een zo hoog mogelijke prijs om snel veel inkomsten te hebben. Landen met beperkte reserves zullen altijd proberen om de prijs op te schroeven en het hangt van de producenten met grote voorraden af of ze de politieke macht hebben om die landen te bedwingen. Tussen die twee groepen was een voortdurend conflict, dat soms in het voordeel van de een, dan in dat van de ander doorsloeg.”

Hoe overtuigde u de andere partij?

“Eén manier was om te dreigen: als jullie je prijs verhogen, zullen wij met onze goedkopere olie de markt overspoelen. De macht van Saoedi-Arabië is de olie onder de grond, maar die macht is niet onbeperkt. Er spelen ook politieke factoren, die je niet volledig kunt verontachtzamen.”

Waarom bestond er zo'n verschil van mening tussen u en de Shah over de hoogte van de olieprijzen?

“De Shah was bezeten van geld, hij wilde geld om zijn militaire macht op te bouwen en een regionale supermacht te worden. Dat werd ook de reden voor zijn uiteindelijke val. Het kon hem niet schelen welke argumenten hij gebruikte, als de olieprijs maar omhoog ging.”

In 1978 werd de Shah afgezet en daarna volgde de "tweede oliecrisis'.

“De val van de Shah was het begin van de neergang van de macht van OPEC. Eind 1978 was er een overschot op de markt en toen de prijs begin 1979 meer dan verdubbelde, wisten de olieproducenten dat de olie die ze leverden, niet werd geconsumeerd maar werd opgeslagen in voorraadtanks. Het kon ze niets schelen, de prijs werd steeds verder opgedreven.

De tweede olieschok was puur politiek, het gevolg van chaos in de markt die door sommige landen, zoals Algerije, Iran en Libië werd misbruikt. Als je een vat olie voor 20 dollar aanbood, waren er handelaren die zeiden: ik ben bereid 30 te betalen. Dan zeg je natuurlijk niet: laat die extra 10 dollar maar zitten. De handelaren speculeerden dat de prijzen zouden blijven stijgen. Tot 1982, toen begonnen de prijzen geleidelijk te dalen en in 1986 klapten ze in elkaar.

Wij probeerden de markt te kalmeren en verhoogden onze produktie van 8 tot ruim 10 miljoen vaten per dag. De produktie van OPEC ging omhoog van 28 miljoen vaten per dag in 1978 naar 31 miljoen vaten in 1979. Door de prijsstijgingen daalde bovendien de consumptie. Al die extra olie werd in voorraadtanks opgeslagen.''

En de oorlog tussen Irak en Iran, die in 1980 uitbrak?

“Die verhoogde de olieprijs aanvankelijk met ongeveer 30 procent. Daarna begon de prijs geleidelijk te zakken.”

Hoe kwam dat?

“Heel eenvoudig: een lage vraag en een hoge prijs. Die hoge prijs lokte bovendien uit dat de produktie in andere landen rendabel werd - zoals in Mexico en Groot-Brittannië. Verder werd de discipline binnen OPEC uitgehold. Dalende prijzen vergroten de druk om meer te produceren, zodat de totale opbrengst ondanks de lagere prijs gelijk blijft. Veel landen waren hoge financiële verplichtingen aangegaan, in de veronderstelling dat de olieprijs zou blijven stijgen. Om die na te komen moesten ze hun inkomsten op peil houden door zich steeds minder van de afgesproken produktie-quota aan te trekken.

Vrijwel alle landen gaven kortingen, ze verkochten onder de officieel vastgestelde OPEC-prijs. Uiteindelijk moesten wij ons beleid ook omgooien. Ik wilde al in 1983 onze produktie vergroten, maar we hebben tot 1985 gewacht. Dat was onze fout. Als we in 1983 onze prijzen aan de marktsituatie zouden hebben aangepast, zou dat voor iedereen beter zijn geweest. Voor OPEC en voor de hele wereld.''

U zag de effecten van de olieschokken in de industrielanden: werkloosheid, stagnatie. Trok u zich dat aan?

“De prijsstijgingen van 1973/74 waren economisch gezien in het belang van de hele wereld, maar in 1979 was het slecht voor iedereen. Het droeg bij tot inflatie, recessie, werkloosheid. Ik vond het heel tragisch, ik was er tegen maar ik stond alleen.

In 1979 in Caracas heb ik al gewaarschuwd dat de prijzen uiteindelijk in elkaar zouden zakken en dat de OPEC-landen onderling zouden concurreren. Ze lachten me toen uit en zeiden dat ik niet wijs was. Maar dat is uiteindelijk precies gebeurd omdat er een Goddelijke wet is: als je de prijs verhoogt, verminder je de consumptie. Die wet komt van God en die kun je niet veranderen.''

Wat gebeurde er met de miljarden dollars die in de jaren zeventig naar de olielanden stroomden?

“Sommige landen, zoals Koeweit, waren zo verstandig om hun geld te beleggen. Ze beschikken nu over reusachtige financiële vermogens. Andere landen hebben hun geld aan buitenlandse banken toevertrouwd of hebben zoveel als ze konden uitgegeven. In landen die niet in staat waren om dergelijke enorme bedragen te absorberen, leidde dat tot hoge inflatie en een ongezonde economische situatie. Andere landen, zoals Algerije, wilden versneld industrialiseren en toen de olieprijs vervolgens daalde, kwamen ze in een diepe crisis terecht.

Op het olie-ministerie in Saoedi-Arabië hebben we plannen uitgewerkt om een geïntegreerde olie-industrie op te bouwen, maar het ministerie van financiën hield ons tegen. Het wilde het geld bij buitenlandse banken onderbrengen. Dat is veel gemakkelijker.''

En de banken?

“Zij kwamen niet alleen naar ons toe, wij zochten ze op! We hadden ineens zoveel geld, we wisten niet waar we het moesten laten. Het was als een overstroming na een zware regenval, het water loopt alle kanten op zonder dat je het kunt tegenhouden. We moesten die geldstroom kanaliseren. We waren natuurlijk graag geziene klanten.

De banken sluisden de oliedollars door naar de ontwikkelingslanden, ze moesten die enorme bedragen ergens uitzetten om er iets op te verdienen. Dus verstrekten ze leningen zonder zorgvuldig na te gaan of het geld ooit terugbetaald kon worden. Zo is het schuldenprobleem van de ontwikkelingslanden ontstaan.''

Gedurende de 24 jaar dat u minister van oliezaken was in Saoedi-Arabië (1962-1986) heeft u onder enorme druk gestaan. U was Mr. Oil, omgeven door bewakers, het doelwit van aanslagen, één woord van u kon de olieprijzen maken of breken. Hoe beleefde u dat?

“Het gaf een groot gevoel van verantwoordelijkheid, maar het was geen onverdeeld genoegen. Ik moest heel voorzichtig zijn. Olie is zo belangrijk, als je er onverstandig mee omgaat, treft dat iedereen, jezelf en anderen.”

U maakte veel vijanden, zowel binnen OPEC als in het Westen en twee keer werd een aanslag op u gepleegd: in maart 1975 toen koning Feisal vermoord werd en u naast hem stond, en in december 1975 toen u met andere OPEC-ministers gegijzeld werd in Wenen door de terrorist "Carlos'.

“Op die OPEC-bijeenkomst in Wenen wist ik vanaf het moment dat we gegijzeld werden, dat ik vermoord zou worden. Ik zou om half zes worden doodgeschoten als om vijf uur geen verklaring van die revolutionaire groep bekend zou worden gemaakt. Om vijf uur werd niets bekend gemaakt en daarna kreeg ik te horen dat ik nog een half uur te leven had. Ik ben snel begonnen om een testament op te stellen en te schrijven wat ik in mijn leven had willen doen.

“Als je zo dicht bij de dood bent en weet dat je nog maar een half uur te leven hebt, dan leer je dingen over de menselijke aard waarvan ik me niet bewust was. Je denkt dan niet meer aan jezelf, maar aan je vrouw, je kinderen en aan wat je zou moeten doen. Heel vreemd, je eigen leven heeft dan geen enkele waarde meer. Toen we bevrijd werden, voelde ik me als nieuw geboren. Ik kon niet geloven dat ik weer als een vrij man rondliep.”

Wist u wie achter de ontvoering zaten?

“Eén van de leden van die groep is door de Italiaanse geheime dienst opgepakt en heeft alles verteld. De Libische en de Irakese regeringen zater er achter. De Libische minister - hij is inmiddels overleden - was een vriend van mij en hij heeft alle informatie aan "Carlos' en diens groep gegeven. Goed en kwaad gaan in de politiek hand in hand.”

In de jaren na uw aftreden als minister hebben zich dramatische gebeurtenissen in de Golf-regio voorgedaan. OPEC-landen voerden oorlog met elkaar en de VS hebben militair geïntervenieerd. Hoe zijn de verhoudingen in het Midden-Oosten veranderd door de Golfoorlog?

“We zullen nog een tijd moeten wachten totdat de gevolgen helemaal uitgekristalliseerd zijn. Een paar veranderingen zijn wel duidelijk: er is een vacuüm ontstaan in Irak, Iran is opnieuw een sterke militaire macht en Saoedi-Arabië is een land met schulden geworden. De rijkdom van Koeweit is verminderd en overal zijn radicale Islamitische bewegingen in opkomst. Maar het is nog te vroeg om een definitief oordeel te geven.”

Staat Saoedi-Arabië nu politiek in het krijt bij de Verenigde Staten?

“Er is een unieke situatie ontstaan. De Amerikanen zijn van Saoedi-Arabië afhankelijk voor hun olie-voorziening, en de Golf-regio inclusief Saoedi-Arabië is voor zijn veiligheid afhankelijk van Amerikaanse bescherming.”

De olieprijs schommelt nu tussen de 18 à 19 dollar. Is dat onderdeel van een afspraak tussen de VS en Saoedi-Arabië na de Golf-oorlog?

“Het is een gematigde prijs, die de Amerikanen goed uitkomt. Niet te hoog en niet te laag. Waarom ook niet, we zijn toch vrienden? Saoedi-Arabië wil de Amerikanen niet kwetsen en houdt dus een soort middenkoers aan. Maar de olieprijs is het gevolg van vraag en aanbod. Noch de Amerikanen noch de Saoedi's kunnen die Goddelijke wet veranderen. Als Irak en Koeweit hun produktie hebben hersteld en hun olie weer op de markt komt, zal de prijs dalen.”

Verwacht u dat OPEC in de jaren negentig opnieuw een prominente rol zal spelen?

“De komende jaren moet de produktiecapaciteit in de Golf drastisch vergroot worden. Daarvoor zijn enorme investeringen nodig, die de olieproducenten in de Golf niet zelf kunnen opbrengen. De olie is aanwezig in de grond, maar zonder uitbreiding van de capaciteit zal er een tekort ontstaan. Dus moeten we samenwerking tot stand brengen tussen de olieproducenten, de olieconsumenten en de oliemaatschappijen.”

Dat is het omgekeerde van wat in de jaren zeventig gebeurde.

“Ja. Ik geloof dat het tijd is om een geïntegreerde olie-industrie op te bouwen. De olieproducenten moeten in de raffinage en verkoop actief worden, de oliemaatschappijen moeten terugkeren naar de winning. Misschien niet volgens het oude systeem van concessies, maar door produktie- of winstdeling. De situatie is er rijp voor dat de oliemaatschappijen terugkomen.

Als een geïntegreerde olie-industrie bestaat, als de veiligheid in de Golfregio is verzekerd, als er stabiliteit heerst in de olieproducerende landen, als het probleem van Irak is opgelost, en als bovenal het probleem van Israel is opgelost - als aan al die voorwaarden is voldaan, dan ben ik er zeker van dat er geen nieuwe oliecrisis zal uitbreken.''