Pijp

Precies vijfhonderd jaar geleden ontdekte Columbus in Amerika de tabak. Geen sigaretten, want de Indianen hielden meer van pijproken.

Columbus nam de tabak mee naar huis. Daar lag al eeuwen de pijp te wachten. De pijp was een lange holle buis die je aan één kant in je mond stak. Omdat er nog geen tabak was, werd er niet gezogen, maar geblazen. Als je handig blies, kwam uit de pijp het geluid: "Piep'. Daarom noemden ze zo'n fluit: een piep.

Er kwam een groepje kinderen dat overal de ie uitsprak als een ij. Ze zeiden niet: "Pien in mien lief, wief' maar heel modern: "Pijn in mijn lijf, wijf'. Ze werden uitgelachen en bestraft, maar na een tijdje (geen tiedje) zei iedereen pijl en mijl in plaats van piel en miel.

Alleen de fluit zei nog steeds "piep' net als de muizen. De luchtzak van een doedelzak heet nog steeds de piepzak.

Toen de pijp vooral werd gebruikt om te roken, kwamen er fabrieken met hoge schoorstenen; die noemden ze toen ook maar pijpen. Alles wat lang en rond en hol is, heet een pijp. In je lijf de ellepijp en luchtpijp. In huis de gaspijp en waterpijp. Een smeerpijp morst op zijn broekspijp en jij schiet pijltjes met je blaaspijp.