Nederland presenteert zich op Expo met "garage'; Nergens in Sevilla is men het spoor zo volledig bijster als in de Nederlandse zalen

Het duurt nog anderhalve week voor de Wereldtentoonstelling in Sevilla haar poorten opent, maar het Nederlandse paviljoen is al van een bijnaam voorzien.

"De parkeergarage' wordt het in de wandeling genoemd. Terwijl de meeste deelnemers aan de wereldwijde culturele prestigeslag hebben getracht in de architectuur van hun gebouw nationale eigenaardigheden tot uitdrukking te brengen of door oogstrelende experimenten de aandacht te trekken, heeft Nederland gekozen voor onopvallendheid en multifunctionaliteit. Het stalen frame met de betonnen vloeren zou van alles kunnen zijn, inclusief een doos waarin auto's worden opgeborgen. De Stichting Holland-Sevilla is er trots op dat het nu al is doorverkocht voor hergebruik na afloop van de Expo.

Des te vreemder doet de hevige kritiek aan die de architecten Zwarts en Jansma de afgelopen dagen in de media hebben geuit op uitvoering en invulling van hun ontwerp. Uit bezuinigingsoverwegingen hebben ze de bouw niet zelf mogen begeleiden en de Rijksgebouwendienst, die zich in hun plaats verantwoordelijk heeft gesteld, zou op grote schaal de hand hebben laten lichten met de veiligheidseisen. Of die klacht terecht is valt moeilijk te controleren, maar volgens Zwarts en Jansma kunnen de gebreken nog voor de opening worden verholpen. En als er straks toch nog onschuldige toeristen door vallende objecten worden verwond, is in ieder geval duidelijk wie daarvoor in Den Haag verantwoordelijk is.

Interessanter zijn de aanmerkingen op de invulling van hun creatie. Deze zou worden gekenmerkt door "inhoudelijke armoede' en van een prachtige "tentoonstellingsmachine' een ordinaire kermistent hebben gemaakt. Het klinkt alsof hier een artistiek hoogstandje door platte geesten naar de bliksem is geholpen. Maar zo is het niet. Het Nederlandse paviljoen, zoals het inmiddels op het Expo-terrein valt te bezichtigen, is wel degelijk een eenheid naar vorm en inhoud geworden. Dat wil zeggen: het gezichtsloze gebouw is gevuld met een onduidelijk allegaartje, met geen ander gemeenschappelijk kenmerk dan dat het nog ergens lag of goedkoop kon worden aangeschaft. Dat het zo zou uitpakken hadden Zwarts en Jansma kunnen weten, want zij zijn kennelijk aan het werk getogen zonder idee van de doelstellingen van hun opdrachtgever.

Of de rest van Nederland gelukkig is met het resultaat, is een heel andere vraag, waarop het antwoord niet in de eerste plaats door architecten of inrichters gegeven hoort te worden. Een bierpomp, een windmolen, videofragmenten van theaterevenementen, tulpen uit Amsterdam, interactieve cd's om “je kennis van achtereenvolgens pluimvee, zuivel, vlees, akkerbouw, groente en fruit, margarine, vetten en oliën te vergroten”, dia's van de strijd tegen het water, topkunst van Rembrandt en Mondriaan in een gekoelde vitrine, viewmasterplaatjes van Amsterdamse stadsgezichten en vooral heel veel reclameborden - dat is in grote trekken het gezicht van Nederland zoals het in Zuid-Spanje aan de rest van de wereld wordt gepresenteerd. Kosten: naar schatting veertig miljoen gulden, waarvan zeker vijfentwintig miljoen rechtstreeks door de overheid wordt opgebracht.

Veertig miljoen. Dat is, pakweg, twee keer de prijs van het nieuwe Danstheater in Den Haag. Of ruim twee jaar subsidie voor Opera Forum. Het is anderzijds een veel kleiner bedrag dan andere Europese landen, zoals België, in hun Expo-paviljoen hebben gestoken. Maar het blijft veel geld voor een geval waar zelfs de makers niet gelukkig mee zijn.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Ten grondslag aan de mislukte operatie ligt een gebrek aan bestuurlijk inzicht, een onheldere kijk op de mogelijkheden van privatisering en een ongerichte bezuinigingsdrift. Van meet af aan bestond er in het kabinet weinig enthousiasme voor deelname aan de wereldtentoonstelling in Sevilla. Maar de uitnodiging kon moeilijk worden afgeslagen, omdat de EG-landen zich al in een vroeg stadium en bloc hadden verplicht om mee te doen.

Hoewel de Expo uitdrukkelijk niet als een commercieel evenement maar als een culturele ontmoeting is bedoeld en de uitnodiging ook in die termen was geformuleerd, besloot het kabinet dat het bedrijfsleven de presentatie in belangrijke mate zou moeten dragen. Bij de voorbereidingen van Montreal (1967) en Osaka (1970) waren goede ervaringen opgedaan met een aparte stichting onder leiding van een ervaren politicus, terwijl het toezicht door het ministerie van Algemene Zaken werd uitgeoefend. Maar nu werd de gepensioneerde zakenman, voormalig KLM-directeur Orlandini, als stichtingsvoorzitter aangezocht en werd Economische Zaken met het toezicht belast.

In plaats van een programma van eisen op te stellen waaraan de Nederlandse presentatie zou moeten voldoen, fondsen te werven en een competitie uit te schrijven voor architecten en aannemers besloot de Stichting Holland-Sevilla de bal zo snel mogelijk af te spelen. Vijf marketing-bureaus werden aangezocht om tegen een nominale vergoeding (dertigduizend gulden) een plan op te stellen dat niet alleen het ontwerp voor een bouwwerk en suggesties voor de inrichting moest omvatten, maar ook (een deel van) het financieringsprobleem diende op te lossen. Hoe de vijf bureaus zijn geselecteerd en aan de hand van welke criteria hun voorstellen zijn beoordeeld is niet duidelijk. De Stichting Holland-Sevilla kan hierover desgevraagd geen uitsluitsel geven en verwijst naar de Rijksvoorlichtingsdienst. Volgens RVD-directeur Van der Voet is er een mondelinge briefing aan ieder bureau afzonderlijk geweest. Het enige uitgangspunt hierbij dat achteraf nog handzaam valt samen te vatten, is de slogan die de stichting in samenwerking met de Economische Voorlichtingsdienst voor het Nederlandse paviljoen had bedacht. Deze luidde: Holland - excellence in the past, excellence in the future. Het is een spreuk die evenveel betekent als boer-daar-ligt-een-kip-in-'t-water en waarin ieder andere natie ter wereld, met uitzondering wellicht van de voormalige Sovjet-republieken, zich moeiteloos zou herkennen.

Hoe het ook zij, de competitie werd gewonnen door het Hilversumse bureau "Reco Productions International BV' van oud-journalist Henri Remmers, die eerder furore maakte (maar geen geld verdiende) met een kabeltelevisiekanaal voor Nederlandse bedrijven in de Verenigde Staten. Hij bracht het ontwerp voor de parkeergarage van T&T Design/ Zwart en Jansma naar voren en bedacht een nieuwe slagzin voor de Nederlandse vertegenwoordiging in Sevilla, waarvoor het stichtingsbestuur acuut door de knieën ging. Het nationale paviljoen zou “de corporate identity van de BV Nederland” gaan uitdragen. In Remmers' visie moest Nederland zich op de Wereldtentoonstelling niet als nationale staat maar als een industrieterrein presenteren. Zijn plan bevatte dan ook geen enkele verwijzing naar de nationale cultuur. Het ministerie van economische zaken kon zich hier geheel in vinden, evenals de betrokken architecten. Maar anderen waren achteraf minder gelukkig met het plan.

Naar verluidt is het koningin (en niet: "president-commissaris') Beatrix zelf geweest die er als eerste op heeft gewezen dat de Stichting Holland-Sevilla en de minister van economische zaken een wel erg beperkte visie hadden op de nationale identiteit. Voor een ingrijpende wijziging van de opzet van het paviljoen was het toen al te laat, maar inmiddels is onder leiding van de directeur van het Amsterdamse Uit-bureau, Arthur van Schendel, inderhaast een uitgebreid theater- en muziekprogramma samengesteld dat elders op het Expo-terrein duidelijk moet maken dat Nederland méér is dan een jofel BV-tje. Op de bovenste verdieping van het paviljoen is nu plaats gemaakt voor een vitrine waarin "topkunstenaars' zoals Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan ieder met één schilderij zijn vertegenwoordigd.

De verhouding tussen de Stichting Holland-Sevilla en Reco Productions International BV is inmiddels ook nogal bekoeld geraakt. Al sinds vorig jaar is het niet meer alleen Henri Remmers maar ook een door de stichting benoemde directie onder leiding van EVD-veteraan J.J. Van Basten Batenbrug die in Nederlandse paviljoen de dienst uitmaakt. Over ieder detail van de uitvoering wordt nu gevochten en bij deze gevechten wordt duidelijk dat de in 1989 gesloten overeenkomst nogal veel te wensen over laat. Reco kan met een verwijzing naar zijn contract volhouden dat het alleen verplicht is om de bezoekers per roltrap omhoog te voeren. De overheid stelt echter ook prijs op een verplaatsing naar beneden. Remmers claimt daarvoor extra geld. Slachtoffer van deze situatie is allereerst de Nederlandse belastingbetaler, want de geldstroom uit het bedrijfsleven blijft sterk achter bij de verwachtingen, en in de tweede plaats de Expo-bezoeker, die bijna tachtig gulden voor zijn toegangskaartje betaalt zonder daar veel voor terug te krijgen.

Juan Gonzalez, die met zijn vrouw en vier jengelende kinderen uit Malaga is gekomen, treft in het bouwwerk van Nederland straks een verwarrende hoeveelheid mededelingen aan. Wel twintig keer wordt hem verteld dat het aluminium op de paneeltjes afkomstig is van de "Hoogovens Groep', elders wachten hem manshoge borden die melden dat een bepaald Nederlands bedrijf erg goed is in het vervaardigen van rasters voor zeefdrukken. Juan Gonzalez is echter niet van plan aluminium te kopen en hij heeft geen zeefdrukkerij. De opstelling in het Nederlandse paviljoen is dan ook niet bedoeld voor hem, voor zijn gezin of voor de overige vijftien miljoen bezoekers (van wie 55 procent uit Spanje afkomstig) die in Sevilla worden verwacht. Het gebouw staat vol met concessies aan het Nederlandse bedrijfsleven en aan instanties zoals het Landbouwschap, want dat zijn de opdrachtgevers die Reco Productions International BV tevreden heeft willen stellen. De begane grond is daarom voorzien van ontvangstruimtes die alleen voor sponsordelegaties toegankelijk zijn en terwijl er geen publieksfolder wordt gemaakt, is er wel een herinneringsboek, waarin ook kunstenaars die iets zouden willen exposeren verplicht zijn een advertentie van minimaal vijftienduizend gulden te plaatsen. Zelfs de televisiebeelden die de NOS en andere omroepen straks van het paviljoen uitzenden zijn door een cameraploeg van de firma Reco gemaakt. Dat steekt vooral omdat het bedrijfsleven slechts een geringe mate aan de totale kosten heeft bijgedragen.

Het zou oneerlijk zijn te beweren dat alleen het Nederlandse paviljoen concessies aan de commercie heeft gedaan. Ook in het voyante bouwwerk van het Verenigd Koninkrijk kan men een etalage van Marks & Spencer's aantreffen en zelfs de Duitsers ontkomen niet aan een lichte braadworstgeur. Nergens is men het spoor echter zo volledig bijster als in de Nederlandse zalen.

Valt daar in dit stadium nog iets aan te doen? Slechts in beperkte mate. Onderdelen van de expositie waaraan een algemeen publiek geen boodschap heeft kunnen in de anderhalve week die rest tot de opening worden verwijderd en zinloze reclame kan worden weggepoetst. De viewmasters met driedimensionale plaatjes van Nederland gaan bij het te verwachten aantal van vijfduizend bezoekers per dag binnen de kortste keren vanzelf kapot en mogen daarna ook worden opgeruimd. In de vrijgekomen ruimte kunnen misschien theater- en muziekgezelschappen optreden die in Nederland met een subsidiestop worden bedreigd.

Voor de toekomst valt de les te trekken, dat de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland geen object moet zijn van privatisering. Natuurlijk kan het bedrijfsleven worden ingeschakeld, maar dan moet de overheid eerst weten wat zij wil en toezicht houden op de uitvoering daarvan. Wie de rekening betaalt, mag best eisen stellen. Het Nederlandse paviljoen in Sevilla laat de komende maanden zien, dat een niet erg zelfbewuste regering in Den Haag deze zakelijke wijsheid even was vergeten.

Foto: Nederlandse technologie op de wereldtentoonstelling: Emilio Cassinello, regeringscommissaris van de Expo (links), en Sergio Orlandini kijken in het Nederlandse paviljoen door een viewmaster met plaatjes uit Holland. (Foto Jinke Obbema)