Laat iemand slapen op 1 lila poot; Tropische gedichten van Antoine A.R. de Kom

Antoine A.R. de Kom: Tropen. Uitg. Querido, 48 blz. Prijs ƒ 25,-

Op 24 april 1815 nam ene Ogier de Gombaud ergens in het verre Cayenne de ganzeveer ter hand en zette zich aan het schrijven van een brief. Hij richtte zich tot Lodewijk XVIII van Frankrijk en deed hem verslag van zijn droevig lot. Hij, een simpel grenadier, had deelgenomen aan een samenzwering tegen Napoleon, maar de knullige opzet was al vroeg doorzien. En zo was hij zelf in de kuil gevallen die hij voor een ander had gegraven. Hij was op een schoener naar Cayenne gezet en daar bracht hij nu zijn dagen door in ledigheid, verbannen en verdoemd, de tijd verdrijvend met het schilderen van stillevens van exotische vogels, zoals de boomeend, de rotshaan en de moerastiran.

Wilde de arme Ogier alleen maar klagen of wilde hij ook iets bereiken? En wist hij bij het schrijven van zijn brief wel dat Napoleon teruggekeerd was van Elba en zich alweer in Parijs geïnstalleerd had? Het is zelfs de vraag of zijn brief ooit is aangekomen. Zo niet, dan wordt zijn lot nog droeviger en zijn verbanning nog desolater - en des te mooier is het dan dat Antoine A.R. de Kom hem honderdzevenenzeventig jaar later alsnog even aan het woord laat in de eerste drie gedichten van zijn debuutbundel Tropen.

De Kom onthoudt zich van commentaar. Hij laat het de ontheemde balling zelf zeggen in een mooie monoloog van driemaal dertien regels. De Gombaud schampert over de idealen van de Franse revolutie: de vrijheid, gelijkheid en broederschap waar hij hier, in deze verre Franse kolonie, niets voor koopt. In plaats daarvan zijn ”slik, hitte en muskieten mijn deel'. Maar hij schampert ook over zijn eigen lot. Hij heeft hier ook onderdanen, net als de koning en de keizer, zo snoeft hij ironisch; maar daarmee bedoelt hij de inheemse vogels die hij in zijn prenten vastlegt, arme sloebers net als hij: ”vrij naar de natuur geschilderde/ Verzinsels op velijn, staande in 't slik, zo ik.' In de laatste regels neemt hij het penseel maar weer op, daarbij lastig gevallen door een wesp die om zijn hoofd en handen zoemt. Het is niet anders. Hij eindigt zijn brief met deze sullige verzuchting: ”o Sire, een wesp/ Kruipt op papier over 'n vogel die 'n wesp opeet.'

”Ogier de Gombaud' is een knap portret, en dan bedoel ik niet dat het zo goed gelijkt, want dat kan ik niet beoordelen. Van De Gombaud weet ik niets meer dan wat De Kom over hem meldt en het lijkt me niet eens onmogelijk dat hij de hele figuur met zijn achtergrond verzonnen heeft. Het knappe is dat hier met weinig woorden een karakter wordt getekend, een intrigerend karakter bovendien. Het is moeilijk te zeggen waardoor hij gedreven wordt, maar het is ook duidelijk dat hij dat zelf niet goed weet en ermee worstelt: wil hij slijmen of wil hij klagen, is hij slim of een sul, is hij ongelukkig of berust hij, vermaakt hij zich wel of wil hij eigenlijk terug naar Europa? Waarschijnlijk alles tegelijk. Het knappe is ook nog eens dat De Kom hem dit allemaal laat schrijven en hardop denken in een tamelijk strakke vorm.

Elementen uit deze openingsreeks zijn terug te vinden in de rest van de bundel. Veel van de gedichten spelen zich af in de West, vooral in Suriname. Het decor wordt gevormd door veranda's en terrassen, ara's en kolibries, mangrove en beschuitgras, droogte en stof, zon en passaatwind. De Kom kent het uit eigen ervaring: hij werd in 1956 in Den Haag geboren, bracht een groot deel van zijn jeugd in Suriname door en keerde daarna weer naar Europa terug.

Operatie Sprinkhaan

Er wordt in de gedichten veel met de vorm gespeeld. Er zijn Oosterse kwatrijnen, er is een heuse villanelle, er zijn reeksen van (niet rijmende) sonnetten en sextetten, maar daarnaast schrijft De Kom ook volkomen vrije verzen, typografische experimenten bijna, met enorm veel wit. Het is verleidelijk om die twee formele kanten in verband te brengen met de twee culturen waaruit hier geput wordt: de strenge Europese en de frivole Latijns-Amerikaanse, maar zo simpel is het niet. Zowel in de gebonden als in de vrije verzen lopen beide invloeden door elkaar. De Kom brengt ze graag en soms ook wel eens wat al te gewild in één gedicht samen. De tropische kas in Amsterdam, in de winter bij twintig graden onder nul bezocht, is natuurlijk de ideale plek om weg te dromen en mooie contrasten te vinden. Als er sneeuw op de glazen koepel valt, ”sneeuw in de tropen', komen de herinneringen al snel: beelden van het Surinaamse landschap, als kind gezien vanuit een Dakota die ging landen op het vliegveld met de mooie naam Operatie Sprinkhaan. Bij een toeristisch bezoek aan Epidauros vermengen heden en verleden, schoolherinneringen en jeugdfantasieën, Griekse mythologie en Surinaamse bossen zich vlot met elkaar: Artemis wordt omgeven door marrons, Hecate peddelt in een korjaal voorbij, terwijl Hermes zich met nieuws voor Zeus en Hera naar de Tafelberg spoedt.

Antoine A.R. de Kom is een sympathieke, rustig vertellende, weinig opzichtige dichter die zich graag verwondert. Wat in zijn debuut vooral treft is de losse, onbekommerde toon. Tot de onbevangen gedichten behoort bijvoorbeeld ”Kaapverdisch', een lange lyrische lofzang op het verlangen om groen, Kaapverdisch groen te zijn, om geheel in groen op te gaan - niet eerder werd in het Nederlands een gedicht geschreven waarin het woord groen zo vaak voorkomt. Of het al even lichte, Van Ostaijen-achtige ”Laat iemand waden':

Laat iemand de houding

van een flamingo aannemen.

Laat iemand de houding

van een zich voedende flamingo

Langzaam aannemen.

En laat iemand waden door

Ondiep water, het ondiepe

water dat staat op open

Modderbanken, laat iemand

waden zoals alleen een ruiende

Flamingo dat kan. Ja, laat iemand

slapen op 1 lila poot, met de kop

Op de rug ter ruste, met de kop

tussen roze, karmijnrode vleugels.

In Tropen waait een lekkere tropische wind. Er heerst een geestelijke zwoelte, een prettige loomheid, alsof het leven niet helemaal echt is. ”'t leven is een gouache die vervloeit' zegt De Kom ergens, maar daar lijkt hij niet echt onder te lijden. Elders stelt hij al even luchtig vast: ”Ik kom volmaakt tot niets.' Zijn debuut bewijst het tegendeel.