Ik ben nieuwsgierig naar nieuwsgierigheid; Tilman Spengler over de passie van geleerden

De hoofdpersoon in Tilman Spenglers eerste roman is de hersenonderzoeker Oskar Vogt, een serieuze wetenschapper die dacht dat slechtheid en goedheid en genialiteit fysiologisch bepaald waren. Spengler is uitgegaan van historische gegevens - het onderzoek van Vogt zou uitlopen op de verschrikkingen van de nazi's. Toch is het een amusant boek. “Het meest negatieve wat over mijn roman in de Duitse pers is geschreven was steeds weer: hij maakt van zijn onderwerp iets lichtvoetigs.”

Tilman Spengler: De hersens van Lenin. Vert. Tinke Davids. Uitg. Van Gennep, 289 blz. Prijs ƒ 38,50

In 1925 nodigde de nog vrij verse revolutionaire Sovjet-regering de Duitse neuroloog, hypnotherapeut en hersenonderzoeker prof. dr. Oskar Vogt uit om naar Moskou te komen om daar (met Duitse Gründlichkeit mocht men aannemen) de hersenmassa van de in 1924 gestorven Lenin te komen onderzoeken. Doel van dit onderzoek: het opsporen in de hersenmaterie van Lenins genialiteit. Want waar anders dan in de kronkels van de weke, uit de schedel gelichte grijze massa zou die te vinden zijn, zo dachten de dialectisch-materialistische machthebbers. Vogt ging aan de slag, werd gehinderd door de Sovjet geheime dienst, keerde ten slotte zonder concrete resultaten naar Duitsland terug. Wel nam (stal) hij een groot deel van Lenins hersens mee naar Berlijn.

Rondom de historische hoofdpersoon Oskar Vogt heeft de Duitse sinoloog en historicus Tilman Spengler een roman geweven, waarin "Dichtung und Wahrheit' onontwarbaar verstrengeld zijn. Lenins Hirn is geen "docuroman' zoals In Cold Blood van Truman Capote. Maar het is ook geen grotendeels zelf bedachte biografie van iemand over wie maar weinig bekend is, zoals Ovidius in Christoph Ransmayrs Die letzte Welt en Hadrianus in Marguerite Yourcenars Mémoires d'Hadrien. Over Vogt, pas in 1959 gestorven, en over zijn omgeving is veel bekend en Spengler kon zijn fantasie niet ongeremd de vrije loop laten.

Dat het boek toch een in veel opzichten gelukte roman is geworden komt niet alleen doordat Spengler een paar eigen romanfiguren aan het historische tableau heeft toegevoegd. Het is vooral het gevolg van zijn kritische, vaak satirische visie op het tijdperk dat hij beschrijft. Vogt mag in zijn tijd een beroemde mode-therapeut en hersenonderzoeker geweest zijn, hij was zeker ook de geboren "Untertan' van het type dat het Duitse keizerrijk zo onnavolgbaar wist te produceren.

Hij is een brandend ambitieuze "male chauvinist pig', die Friedrich Alfred Krupp, die zijn onderzoek financiert, als een lakei dient; later allerlei onzinnige proeven met honden en duiven doet in opdracht van het leger; in de Eerste Wereldoorlog er vooral onder lijdt dat van de hersenmaterie die het slagveld hem oplevert niet genoegzaam bekend is of zij aan geniale persoonlijkheden of aan middelmatige sufferds behoord heeft.

Spenglers vaak zeer geestige roman is wetenschapsgeschiedenis, biografie, bezichtiging van een tijdperk, sociale en politieke kritiek, intellectuele discussie en satire tegelijk. Het boek eindigt in 1942, waardoor de grootste nu bekende gruweldaden van de nazi's meer als laatste consequentie van de door Spengler behandelde wereld van gevoelens en denken worden aangeduid dan dat zij expliciet worden beschreven. Maar boven het hele 350 pagina's lange boek hangt de wolk van Auschwitz, waar Vogts "wetenschappelijk onderzoek' ten slotte zijn onmenselijke hoogtepunt bereikte.

Een gelukkige vondst in het boek is de figuur van Amanda von Alvensleben, gezelschapsdame van Margarethe Krupp, vriendin van Oskar Vogt en diens Franse vrouw en collega-onderzoekster Cécile. Amanda lijkt de eigenlijke heldin van het boek. Zij is een vrije geest, zij tolt door de wereld, slaapt in vele bedden. In haar uitvoerige brieven aan Vogt beschrijft zij haar belevenissen in verschillende delen van de wereld met een gebrek aan eerbied, een spottende toon en een gevoel voor de onzinnigheid van veel dat zich om haar heen afspeelt die regelrecht uit het satirische brein van de auteur lijken te zijn gevloeid.

Tilman Spengler, die in Ambach aan de Starnberger See woont, ontkent dit niet. Hij heeft trouwens in geen enkel opzicht remmingen om over zijn ongebruikelijke roman te praten.

Waarom bent u in uw roman uitgegaan van een historische figuur uit deze eeuw? U had uw thema toch net zo goed helemaal als fiction kunnen presenteren?

“Dat hing met mijn biografie samen. Ik heb lang wetenschapsgeschiedenis gestudeerd. Daarbij stoorde mij steeds dat de categorie nieuwsgierigheid totaal ontbrak in de beschrijving van wetenschappelijk onderzoek. Hoe zit dat met mensen die dagen lang hun tijd in het laboratorium doorbrengen met konijntjes of muisjes of goudvissen om uit te vinden of ze met drie of vier ogen kijken? De resultaten krijg je altijd te horen. De ene soort was snugger, de andere dom en de dommen zijn uitgestorven. Maar de drijfveer, de nieuwsgierigheid, de passie van de geleerde, heeft in de academische beschrijving geen plaats gekregen en daarover wilde ik schrijven aan de hand van het leven van een onderzoeker, die werkelijk bestaan had.

En dan nog iets: wat in de officiële wetenschapsgeschiedenis nooit aan bod komt is de anekdote. Het waarheidsgehalte van de anekdote wordt in de wetenschap over het algemeen onderschat. Een constellatie, die grappig, treurig, tragisch, traumatisch is mag wel alleen maar een momentopname zijn, maar in dit moment ligt vaak een soort waarheid, die onthullend kan zijn voor een hele samenhang. Dat was ook belangrijk voor mij.

“Daarom heb ik deze mengvorm gekozen van dingen die al bekend waren of die ik heb uitgezocht en die uitliepen op zekere kristallen in het verhaal: dat zijn voor mij de anekdotes.”

Hebt u die anekdotes bedacht en daarna verbonden met de historische feiten die vastlagen en waaraan u niet kon tornen?

“Er waren een aantal echt gebeurde anekdotes, maar die heb ik vaak niet gebruikt omdat zij te onwaarschijnlijk klonken. Het liefst bedacht ik de anekdotes zelf. Maar het verhaal loopt eigenlijk vanzelf op een anekdotische toespitsing uit. Die heb ik erboven gezet. De superanekdote dat Lenins hersens gestolen werden hoefde ik niet te bedenken. Die werd door het lot geleverd. Daarbij gaat het om een historisch feit.”

Naast de historische figuren in uw roman, zoals professor Vogt, zijn Franse vrouw, de leden van de familie Krupp in Essen, de psychiater Bindwenger, Lenin, hebt u ook een aantal nieuwe romanfiguren bedacht. Waarom?

“Daarop zijn twee dingen te zeggen. Een verhaal over wetenschap in het Wilhelminische tijdperk kan alleen maar een mannenverhaal zijn, omdat het uitsluitend mannen waren die in die tijd wetenschapsgeschiedenis hebben gemaakt. Ik had het gevoel dat geen lezer of lezeres het uithoudingsvermogen zou hebben om 350 bladzijden alleen over mannen te lezen. Daarom heb ik een belangrijke vrouwenfiguur bedacht.

“Ten tweede: een bof was dat Vogt niet alleen een bezeten wetenschappelijke onderzoeker was, maar ook arts en psychiater, wat de mogelijkheid schiep allerlei figuren de praktijk binnen te laten marcheren zonder dat dit nader hoefde te worden verklaard. Zij komen als patiënten.”

Amanda von Alvensleven, die door het hele boek heen een belangrijke rol speelt en verschillende dimensies aan het verhaal toevoegt, moet deze belangrijke vrouwenfiguur zijn. Zij heeft dus nooit bestaan?

“Nee, zij is een wensdroom. Oorspronkelijk had ik haar maar een kleine rol in de roman toebedeeld. Twintig bladzijden lang hoogstens. Maar toen beviel ze me zo goed dat ze niet meer uit de roman weg te krijgen was. Ten slotte interesseerde het me zelfs meer hoe zij over de gebeurtenissen in haar tijd dacht dan wat de historische figuren ervan dachten.

“Zij staat dicht bij het hoofdverhaal van de roman, maar zij is er ook ver vandaan. Ze kent alle hoofdfiguren, maar ze zit dan weer in Genève, dan weer in Boedapest of Saigon. Zo kon ik haar ook allerlei mensen laten ontmoeten, zoals Lenin of Bela Kun, die in de roman een rol spelen. Onwaarschijnlijk is dat allemaal niet, want de elite in die tijd was beperkt en het aantal mode-artsen en psychiaters was op één hand te tellen. Dat heel wat bekende persoonlijkheden elkaars pad steeds weer kruisten was normaal in die tijd.”

Hebt u groot respect getoond voor de historische feiten die u hebt getraceerd of hebt u de geschiedenis vaak aangepast aan uw literaire doeleinden?

“Ik had het soms moeilijk met de persoon van Oskar Vogt, omdat ik hem zo goed kende. Met hem kon ik geen spelletjes meer spelen, want hij zat als het ware tonnenzwaar bij mij op schoot. Ik wist uit correspondentie en van mensen die hem nog hadden gekend ontzettend veel over hem. De in het boek klein gedrukte correspondentie is dan ook helemaal authentiek.

“Met de grote historische feiten had ik één benauwend probleem: het hersenonderzoek uit het Keizerrijk en de Weimarrepubliek liep natuurlijk breukloos uit op de genetische experimenten in het Derde Rijk. Als het boek verder zou zijn gegaan had het moeten eindigen in Auschwitz of Treblinka, bij het tweelingenonderzoek en de proeven met mensen en al die andere gruwelijke dingen die toen gebeurd zijn. Ik had daar een moeilijkheid, want de roman is ironisch opgezet, of als men het gemeen wil formuleren: hij is "onderhoudend' geschreven, wat in Duitsland bijna een scheldwoord is.”

Ik moet toegeven dat ik bij het lezen van uw boek een paar keer hardop heb gelachen.

“Dat mag in Nederland, maar niet in Duitsland. Het meest negatieve wat over mijn roman in de Duitse pers is geschreven was steeds weer: hij maakt van zijn onderwerp iets lichtvoetigs. Maar mijn stijl bracht wel met zich mee dat ik bij het beschrijven van de verschrikkingen in het Derde Rijk, die aan het eind van de roman ter sprake komen, de lezer niet verder kon brengen dan de drempel. Ik duid het aan. Er is bijvoorbeeld een hoofdstuk, van een pagina of zeven, waarin een Guinees biggetje wordt doodgeslagen. Als industriële proefneming. Ik denk dat elk mens die lezen kan beseft dat dit een voorproefje is van wat zes of zeven jaar later met mensen gebeurde.

“Ik moest wel zo schrijven omdat ik mijn verhaal ironiserend wilde vertellen. Ik zie niet hoe je in die verteltrant het concentratiekamp in een boek kunt onderbrengen. Als ik een begenadigde verteller van joods Poolse afkomst zou zijn zou ik er misschien wel toe in staat zijn. Maar ik weet niet of ik dat als Duitser zou kunnen of zou moeten proberen. Ik geloof het niet. Daarvoor heb ik te veel respect voor de slachtoffers en wat daar gebeurd is.”

U noemt uw stijl ironisch, maar uw boek leest vooral als een grote satire op het Wilhelminische tijdperk, op de Krupps, de wetenschap, het leger in de Weimarrepubliek dat een hond wilde fokken als machtig wapen in de oorlogvoering, op de SA en ook op uw hoofdfiguur professor Vogt. Het moet toch uw bedoeling geweest zijn een grote satire te schrijven op ons tijdsgewricht.

“Ik wilde dat om zelf plezier te hebben bij het schrijven en ook omdat ik me in het dagelijks leven altijd satirisch en ironisch uitdruk. Waarschijnlijk is dat een reactie op de bloedserieuze Duitse omgeving waarin ik leef. Maar dit betekent niet dat ik alles belachelijk wilde maken of bagatelliseren. Of dat ik er niet op uit was een historisch verantwoord beeld te presenteren.

“Er komt een scène uit de Eerste Wereldoorlog in het boek voor die ik bedacht heb, waarin soldaten met hersenletsel in het lazaret steeds met uit schedels gelichte hersenmassa's worden geconfronteerd, aan de hand waarvan hun verwondingen worden uitgelegd. Hier liggen het lachen en het huiveren dicht bij elkaar en ik geloof dat alleen zo'n aanpak de lezer nog echt kan raken.

“Daar komt bij: ik ben in 1947 geboren en voor mij zijn alle gruwelverhalen "verhalen'. Alleen bronnenonderzoek en fantasie kunnen de basis zijn van mijn ontsteltenis over alles wat er gebeurd is. Deze situatie verbiedt pathos.”

U maakt de figuren in uw boek misschien niet belachelijk, maar met sympathie wordt ook niemand beschreven. Zelfs Amanda von Alvensleven, de romanfiguur die u kennelijk met plezier hebt bedacht, is niet echt sympathiek.

“Ach, het zijn voor een groot deel allemaal figuren uit mijn eigen familie en die waren nu eenmaal zo. Ik breng wel begrip voor hen op. Ik had ze ook graag allemaal gekend, maar bevriend zou ik met die mensen niet graag zijn geworden. De Krupp-familie heb ik bestudeerd aan de hand van fotoboeken en brieven waarover ik de beschikking had. En mijn grootmoeder, die ook uit zo'n industriële dynastie stamde en als kind bij de Krupps in de Villa Hügel ging spelen, heeft mij meer dan eens verteld hoe het daar toeging. Alles bij elkaar genoeg informatie om de koude rillingen over je rug te voelen lopen. Vooral die combinatie van dikdoenerigheid en kleinburgerlijke moraal van mensen als de Krupps aan het begin van deze eeuw is ijzig.”

Ik neem aan dat het historisch juist is, zoals u in uw boek schrijft, dat Vogt door de nazi's uit Berlijn werd weggewerkt zodat hij geen centrale rol meer kon spelen bij het hersenonderzoek in het Derde Rijk en dat Alfried Krupp von Bohlen und Helbach toen een eigen instituut voor hem in het Zwarte Woud inrichtte.

“Dat klopt allemaal. Wel zijn er een paar preparaten in Vogts eigen kliniek opgedoken, waarvan de herkomst, om het beleefd uit te drukken, omstreden is. Misschien schrijf ik daarover nog een kort verhaal of een historische verhandeling. Het is niet helemaal duidelijk hoe dit zit, want Vogt was geen nazi. Hij stond rechts van de nazi's, want hij was "Duits-nationaal' en hij vond de nazi's vulgair. Hij was ook zeker geen racist. De half-joodse journalist en schrijver Benno Reifenberg heeft hij bijvoorbeeld drie jaar lang in zijn instituut laten onderduiken.

“Hij was een Duits-nationale man met "Zivilcourage'. Dit neemt niet weg dat hij, wat zijn instelling betrof, een ideale propagandist van de nazi-ideologie zou zijn geweest. Maar de nazi's hebben dat niet begrepen. Absurd en dom, want eigenlijk was natuurlijk het hele onderzoek van Vogt naar het geniale en het elitaire in de hersenstructuur ideaal materiaal geweest voor de rassenideoloog van de nazi's, Alfred Rosenberg.

“Het hersenonderzoek van de nazi's werd trouwens ten dele bedreven door leerlingen en oud-medewerkers van Vogt. Een interessante anekdote in dit verband, die ik niet in mijn boek heb verwerkt omdat het in 1942 eindigt, is dat een joodse leerling van Vogt, die naar Amerika was geëmigreerd, de hersens van de na het proces in Neurenberg geëxecuteerde nazi's plus nog 1200 geselecteerde hersens van SS'ers heeft onderzocht. Dit keer niet om het geniale in die hersenmassa's op het spoor te komen, maar het "Kwade'.

“Vogt is daar als adviseur nog bij betrokken geraakt en hij lijkt ervan overtuigd geweest te zijn dat, net als het geniale, ook het kwaad fysiologisch kon worden getraceerd. Hij is trouwens ook altijd blijven geloven in de magie van de "geniale' hersens van Lenin. Hij was nogal een vrouwenheld in de ouderwetse zin van het woord. Het is bekend dat hij in zijn tijd in het Zwarte Woud, toen hij al in de zeventig, later in de tachtig was, vrouwen probeerde te verleiden door hen een plakje van Lenins hersens te vertonen. Dat was nog eens iets anders dan een platencollectie of "etchings'.”

Meestal schrijft iemand een satire op het verleden om iets te zeggen over het heden. In hoeverre is dat het geval met uw boek?

“Wat ik bespot in het wetenschapsbedrijf van vroeger is nog actueel. Maar er zijn natuurlijk toch ook verschillen. De directeuren van Duitse wetenschappelijke instituten in de jaren twintig en dertig waren eigenlijk allemaal kleine of grote "Führer'. Nu zijn het meer voorzitters van raden van commissarissen. Ik heb foto's gezien van Lenin voor de microfoon en Vogt voor zijn microscoop. Beide heren, die ook nog wel iets op elkaar leken, hadden een zelfde houding aangenomen: zij stonden voor hun machtsinstrumenten.

“Een ander punt is dat in Duitsland wetenschappers lang beschouwd zijn als morele instanties. Dat heb ik met mijn boek door willen prikken.”

Tilman Spengler werd in 1947 in Oberhausen geboren in een familie, waarvan een lid, zijn oudoom Oswald, de ondergang van het avondland had aangekondigd. Wellicht hierdoor beïnvloed ging Tilman Spengler sinologie, politicologie en contemporaine geschiedenis studeren in Heidelberg, Taipeh en München.

Van 1976 tot 1982 was hij medewerker van het Max Planck Instituut in het Beierse Starnberg met als onderzoeksgebied de levensomstandigheden binnen de technisch-wetenschappelijke wereld. Van 1980 tot 1981 doceerde hij in Peking aan de Academie van Wetenschappen. In 1983 bracht hij een jaar door in Berlijn aan het Wissenschaftskolleg.

Sinds 1980 is Spengler samen met Karl Michel medehoofdredacteur van het ooit door Hans Magnus Enzensberger opgerichte kwartaaltijdschrift Kursbuch.

In 1989 publiceerde Tilman Spengler zijn eerste boek: Geistermauer, Chinesische Piktogramme, een bundel essays over en persoonlijke herinneringen aan het moderne China. Lenins Hirn (uitg. Rowohlt) is Spenglers eerste roman.