Het veelschrijven

“Ik heb geluk gehad: ik ben geboren met een rusteloos en goed werkend stel hersens, met een aanleg tot helder denken en het talent om me in woorden uit te drukken.

Niets daarvan heb ik aan mezelf te danken. Ik heb een fortuinlijke samenloop van omstandigheden in de genetische loterij getroffen.'' Dat is de zelfdiagnose van Isaac Asimov die deze week, 72 jaar oud, is gestorven. Hij heeft bijna 500 boeken geschreven. Vandaar dat hem na zijn dood een onverwacht lot treft: in de necrologieën verdringt het fenomeen de schrijver; de criticus wordt boekhouder. Over zijn eerste honderd boeken deed Asimov twintig jaar, lees ik. Voor de tweede honderd had hij minder dan de helft nodig, en de derde honderd kostten hem 69 maanden. Het begint al een beetje op een ouderwetse geschiedenis van de vooruitgang in de Sovjet-industrie te lijken.

Het artikel dat de International Herald Tribune aan hem wijdt, is niet langer dan een halve kolom maar het bevat 42 in cijfers geschreven getallen en dan nog de cijfers en getallen in woorden die ik niet heb geteld. Maar wat stond er in al die boeken? Ja, teveel om op te noemen natuurlijk. 't Gaat er nu niet meer om wàt hij heeft geschreven maar hoeveel. Dat is het onverdiende lot van de "veelschrijver': hij wordt niet gelezen maar geteld, van schrijver is hij fenomeen geworden.

Hetzelfde bij Simenon. Voor hij aan een roman begon legde hij veertig pijpen klaar, dan sloot hij zich drie weken op, schreef tweehonderd pagina's, waarna van zo'n boek de eerste druk in 20.000 exemplaren verscheen en daarmee verdiende hij dan 60.000 gulden, dat is dus zoveel gulden per uur, enzovoort. Is het voor Vestdijk weleens uitgerekend? Of heeft men op gezag van Ter Braak en Roland Holst aangenomen dat er bij deze Duivelskunstenaar geen beginnen aan was omdat hij sneller schreef dan God kan lezen. Als God het al niet kan bijhouden is dat voor een gewoon mens de beste verontschuldiging om er niet eens aan te beginnen.

Wie, naar de maatstaven van een gewoon mens, teveel "doet' en daarbij misschien ook nog op uiteenlopende gebieden, gooit roet in zijn eigen eten. Peter Ustinov, die veel heeft geschreven en nog meer geacteerd, kwam voor zo'n probleem te zitten bij Adriaan van Dis. “Men zegt weleens,” zei de gewaardeerde interviewer ongeveer, “dat u uw talenten hebt versnipperd.” Ustinov acteerde een man die vriendelijk lacht. “Dat is de vraag van een douanier,” zei hij. Ik vond het een goed antwoord. Een grenskommies heeft maar twee vragen: hoeveel hebt u bij u en wat hebt u ervoor betaald. De niet uitgesproken, daaraan ten grondslag liggende gedachte is dat er normen bestaan voor wat iemand in zijn werkzaam leven mag doen; dat er een maximum is, bij overschrijding waarvan zo iemand op kwantiteit wordt gevisiteerd. Een minimum is er niet, en daarom kan je beter eens in de zoveel jaar een veelbesproken keuteltje leggen dan twintig of vijftig boeken schrijven.

Anderhalf jaar nadat Picasso was gestorven werd er een aanvang gemaakt met de inventarisatie van zijn atelier. Een van de resultaten daarvan is Je suis le cahier, een keuze uit zijn schetsboeken. In het voorwoord schrijft zijn zoon Claude Picasso: “Voor we de schilderijen, de dingen en alles wat daar verder aanwezig was afzonderlijk katalogiseerden, liepen we door de kamers, inspecteerden en ontwierpen indelingen, categorieën. Daarna zouden al die tienduizenden voorwerpen tot nummers worden, van datum voorzien, gemeten, gefotografeerd, geëtiketteerd.” Zo werd de zoon tot de boekhouder van zijn vaders goudmijn. Een andere keus was er natuurlijk niet; we hadden het hem kwalijk genomen als hij een hebzuchtige sloddervos was geweest die alles aan de voorbijgangers had verkocht maar hij heeft de erfenis voorbeeldig beheerd.

Ik wil Asimov en Picasso niet op één lijn stellen. Het gaat me om de energie. Dat heeft Asimov goed uitgedrukt: "Ik heb een gelukkige samenloop van omstandigheden in de genetische loterij getroffen'. Het klinkt bescheiden, de "veelschrijver' adverteert zichzelf niet als een koelie; hij vindt dat hij het goed heeft getroffen met zijn determinatie.

Plotseling herinner ik me dat in de gelijkschakelingswoede van de jaren zestig de PPR met het idee heeft "gespeeld', voor mensen die opmerkelijk veel meer konden dan de meeste mensen, een talentbelasting te heffen. Ik geloof dat het beter zou zijn het andersom te doen. De mensen die weinig kunnen, lui zijn, zouden een aanslag in de bus moeten krijgen. Ook geen speelse gedachte, en bovendien onrechtvaardig als je ervan uitgaat dat veelschrijvers en bijna-niets schrijvers op gelijke wijze door hun determinatie zijn gedoemd. Maar je kunt ook iets anders verzinnen. Bijna-niets schrijvers willen vermoedelijk liever gelezen worden dan geteld. Dat hebben ze in ieder geval met de veelschrijvers gemeen. Lees de laatsten, tel ze niet.