Het lichaam is een spaarbank; Opruiende essays van Maarten 't Hart

Maarten 't Hart: Een havik onder Delft. Polemische paukeslagen. Uitg. De Arbeiderspers, 256 blz. Prijs ƒ 34,90

Volgens zijn vrouw is hij ”de grootste schriep der schepping'. Het is niet moeilijk om voor deze karakterisering bewijsplaatsen te vinden in Een havik onder Delft, een bundel met essayistisch mengelwerk van Maarten 't Hart. Al op zesjarige leeftijd hield hij zijn stuiver zakgeld liever op zak dan er een lichtvaardige aankoop mee te doen. Als student biologie wist hij in zes jaar tijd van zijn studiebeurs (die in 1963, het tweede jaar van zijn studie, 2600 gulden bedroeg) tienduizend gulden over te houden. Zelf ziet hij het als een gruwelijke speling van het lot dat juist hij tot de gefortuneerde Nederlanders behoort die in het hoogste belastingtarief vallen. Dat betekent, zo rekent hij ons verongelijkt voor, dat tegenover elke uitgave drie keer zoveel verdiensten moeten staan. “Eén blikje hondevoer van drie gulden vijftig kost mij dus eigenlijk tien gulden. Dat vind ik wel veel voor zo'n klein pondsblikje.”

Maar hoe zuinig 't Hart ook mag zijn in het materiële, ongekend vrijgevig is hij als het om cultuur gaat. In de loop der jaren gaf hij al heel wat ten geschenke. “De hele Mahler geef ik graag cadeau voor de vijfde (symfonie) van Sibelius”, schreef hij in 1983 in een bespreking van Vestdijks muziekessays en in 1991 herhaalde hij zijn vorstelijke aanbod, nu voor het terzettino uit Mozarts Cosi fan tutte. Het dichtoeuvre van Chr.J. Van Geel gaf hij cadeau voor de eerste drie regels van het gedicht ”Inferno' van Jan Eijkelboom en het hele oeuvre van Ter Braak voor één bladzijde Céline. In Een havik onder Delft betoont hij zich al heel royaal. Daarin geeft hij ”de hele letterkunde en de hele schilderkunst' weg voor de tenoraria van cantate 87 van Bach, gezongen door Peter Schreier.

Wat leert ons dit nu over Maarten 't Hart? De indruk die met deze cadeaugeverij gewekt wordt, lijkt mij enigszins misleidend. Hij stelt zichzelf voor als een eclecticus, als iemand die zich met weinig moois helemaal tevreden stelt. Een fijnproever wil hij zijn, die aan één symfonie, één bladzijde, een paar dichtregels, een enkel terzettino of een enkele aria genoeg heeft. De werkelijkheid is gecompliceerder. Steeds blijkt immers weer hoe allesverslindend zijn instelling is, en hoe geweldig ruim zijn literaire en muzikale smaak.

Soms heeft zuinigheid, maar veel vaker nog mateloosheid de overhand in Een havik onder Delft. Maarten 't Hart is een schrijver van veel woorden, niet van het sobere betoog. Hij is een man van de overdrijving, niet van de gulden middenweg. Als hij in een openbare bibliotheek tot de grappige ontdekking komt dat van de roman Der Mann ohne Eigenschaften van Musil alleen de eerste tachtig bladzijden gelezen worden, dan heeft hij zijn conclusie snel klaar: Der Mann ohne Eigenschaften is het ”meest onleesbare boek van de hele wereldliteratuur'.

Er zijn schrijvers, columnisten vooral, die met een enkel feit, een paar bij elkaar gesprokkelde gegevens een mooi rond betoogje op weten te zetten, waarmee ze de lezers slinks op hun hand weten te krijgen. 't Hart beschikt, met zijn fenomenale geheugen en belezenheid en met zijn duizendvoudige interesse vaak over veel meer en betere gegevens, maar hij weet er niet mee te woekeren. Hij smijt ze als het ware op papier, trekt er krasse conclusies uit en laat zijn lezers vervolgens lichtelijk perplex maar lang niet altijd overtuigd achter. ”Sport: levensgevaarlijk', luidt de opruiende titel van een van zijn gebundelde artikelen. Ik betwijfel of hij er de sportieve medemens mee zal weten te bekeren, want hij wl eenvoudig niet begrijpen wat de hoogspringer of de wedstrijdzwemmer bezielt. Zoals wel vaker combineert 't Hart hier eigen ervaringen met meer algemene feiten, die ons ervan moeten doordringen dat sportbeoefening niet alleen dwaas, overbodig, zinloos en nutteloos is, maar ook buitengewoon ongezond. Net als in zijn laatste roman Onder de korenmaat heeft hij het vooral op hardlopers voorzien. Dat zijn doodlopers, als wij 't Hart mogen geloven. “Regelmatig worden in de Leidse Hout dode joggers aangetroffen”, deelt hij kil, maar toch ook wat vaag mee.

Lang niet alle 63 artikelen in Een havik onder Delft klinken als ”polemische paukeslagen', zoals de gepeperde ondertitel luidt. Gelukkig niet, want de kracht van 't Hart ligt niet in schelle, snerende stukken, over onder anderen Carel Peeters, ”Guppy Gomperts' en het feminisme, dat ”ook in Zweden', zoals 't Hart uit betrouwbare bron verneemt, ”gezinnen had ontwricht, kinderen diep ongelukkig had gemaakt, mannen aan de drank had gebracht en ouden van dagen voortijdig ten grave had gedragen'.

Humor

Veel meer moet hij het hebben van zijn scherpe observatiegave, van zijn eigen levenservaringen, van zijn vermogen om zich over van alles en nog wat te verbazen en zijn aanstekelijke gevoel voor humor. Het meest verrassend zijn de stukken waarin geen appeltjes geschild of zaken rechtgezet hoeven te worden, maar die over betrekkelijk ”gewone' dingen gaan. Interessant zijn bijvoorbeeld zijn kleine verhandelingen over verkrachting bij dieren, over zijn reisangst en zijn slapeloosheid.

Leerzaam en geestig is ook ”De vermageringsmythen', waarin de immer lijnende westerling krachtig wordt toegesproken. Het menselijk lichaam vergelijkt hij met een spaarbank die geregeld geplunderd wordt en die steeds vernuftiger maatregelen treft om zich tegen nieuwe aanslagen te kunnen verweren. Daarom ziet 't Hart geen heil in vermageringspogingen. Maar er is volgens mij volop hoop voor de dikkerd die zich houdt aan zijn strenge voorschriften: een menu zonder lunch, tussendoortjes, suiker, alcohol, frisdrank, koffie en thee, maar met veel winterpeen. Ook kan hij ”een fijngehakt rauw uitje op de nuchtere maag' aanbevelen.

Het mooiste stuk uit de bundel is misschien nog wel het beschouwinkje over de Jezus Christus-vogel, die de indruk wekt op zijn soms wel zeven centimeter lange nagels óp het water te lopen. Met een mengeling van jaloezie en vertedering beschrijft 't Hart hoe de geslachtelijke verhoudingen liggen bij deze vogel. Die wijken af van het gebruikelijke patroon. Het vrouwtje houdt er een harem van twee of drie mannetjes op na, die sussend reageren op haar agressieve benadering. “Soms voert zij, als onderdeel van de balts, ook nog wat nestbouwhandelingen uit, maar voor het overige moet hij geheel alleen het nest bouwen en geheel alleen de eieren uitbroeden, terwijl zij op haar onweerstaanbare nagels door haar zoveel grotere territorium rondstapt en een bezoek gaat brengen aan een van haar andere mannetjes.”

Het meest optimistisch over het bereik van de streektaal is men gestemd in Drenthe. Leo van Buiten wijst erop dat Drenthe voor Nederland maar een uithoek is en dat hij mede daarom meer is ingesteld op communicatie met de oosterburen. “De grenzen van onze taal lopen niet gelijk met de landsgrenzen. Naar het oosten hebben wij een verwantschap met tachtig miljoen mensen. Je kunt volgens een voormalige medewerker van ons met Drents terecht tot de Oder-Neisse-lijn en naar het noorden tot de Deense grens.”