Het feest van de Watramama

Op vrijdag 13 augustus zou het feest van de Watramama (watergodin) gevierd worden in het indianendorp Moigron, aan de Sipaliwini rivier in Suriname. De meeste indianen hadden zich in feesttooi gestoken. Ze zagen er kleurig uit. Macau echter, had geen zin om zich aan te kleden. Net als de meeste indiaanse meisjes van zes, liep ze op niet-feestdagen bloot rond en dat beviel haar uitstekend en ze wilde het liever ook zo houden.

Dat kwam slecht uit, want juist op zo'n dag werd er goed opgelet wie wat aan had en wie de mooiste veren in zijn hoofdtooi droeg. Speciaal voor deze gelegenheid had de moeder van Macau hele zeldzame donsveren verzameld voor een nieuwe hoofdtooi. Lang had ze onder de bomen in het oerwoud gezocht en ze was erin geslaagd om een, naar haar grote mensen idee, schitterende hoofdtooi samen te stellen van de verzamelde pastelkleurige donsveertjes. Macau voelde zich stout omdat ze ondanks alle moeite die moeder had gedaan, geen zin had om haar nieuwe hoofdtooi op te doen.

Daarom verstopte zij zich achter de lage struiken die rondom de stam van de guaveboom groeien. Terwijl ze vanaf haar schuilplaats naar de hut stond te loeren, kwam Pilau langs. Elke middag als de zon achter de palmbomen verdween, maakte Pilau een wandeling naar de heilige boom. Deze jonge vrouw was de enige in het dorp die in haar eentje woonde. Haar hut stond naast de Maripapalm. De grote mensen zeiden dat ze bezeten was, maar de meeste kinderen uit het dorp dachten daar anders over. Ze waren dol op haar. Over een ding waren zowel de volwassenen als de kinderen het eens: Pilau was heel goedaardig, zij deed geen mampira kwaad! (Mampira is een klein soort steekvlieg.)

“Ga je mee zwemmen, Macau?” vroeg Pilau fluisterend. Dat ze fluisterde was niets bijzonders; Pilau fluisterde namelijk altijd en dat was een van de dingen die de volwassenen raar vonden en de kinderen juist heel interessant.

Even keek Macau om zich heen of iemand haar zag en vervolgens vroeg zij zich pijlsnel af of iemand haar zou missen. “Ik ga met je mee, Pilau,” besloot ze.

Ze namen een duik in het donkere water van de Sipaliwini rivier en toen ze opgefrist terug naar huis liepen was het alsof het water alle onprettige gevoelens had weggewassen. Macau was helemaal vergeten dat ze zich niet wilde aankleden en opschilderen voor het feest.

Onderweg plukte ze nog wat koezoëe-besjes om alvast het rood op haar gezicht aan te brengen. Bij de hut aangekomen zette ze meteen haar hoofdtooi op. De mooie donsveren staken kleurig af tegen haar natte gitzwarte haar. Moeder stond net op het punt om haar te gaan zoeken en de bezorgde uitdrukking op haar gezicht maakte plaats voor en glimlach toen ze Macau zag.

Het feest van de Watramama werd nog tot diep in de nacht gevierd bij het licht van het kampvuur en de maan.