Herinneringen aan een oude liefde; De zon boven hotel De Jonge; Uit Assen

Marcel Möring bracht een bezoek aan de stad waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij was van plan het weerzien te beschrijven, maar de herinneringen aan Jetta verdrongen alles wat hij er nu zag en meemaakte. “Ze was zeventien, toen ik haar voor het eerst zag, en ze was zo slank dat de toppen van mijn vingers elkaar raakten als ik mijn handen om haar taille legde.”

Op een dag kwam ik haar weer tegen, in de stad. Ze droeg een lange, gebloemde rok die tot haar enkels reikte en nogal vitaal heen en weer zwierde. Toen ik haar zag werd mijn huid ineens nat.

Jetta was mijn eerste vriendin in de stad waar ik op mijn tiende kwam wonen. Ik was op een school terechtgekomen die jonge mensen al in hun middelbare schooltijd voorbereidde op een loopbaan als leraar, maar in deze jaren van overspannen democratisering en gecultiveerde rebellie vooral een toevluchtsoord was voor jongeren met autoriteitenhaat en linkse ideeën. In mijn klas zaten vijftien jongens, van wie het merendeel alleen al bij het woord "vrijheid' visioenen kreeg van geweldige seksuele uitspattingen. Van de drie meisjes was Jetta de mooiste, de langste en de meest schuchtere.

Ze kwam uit een dorp dat op tien minuten fietsen van de stad lag. Elke dag reed ze heen en weer, van haar dorp naar school, van school naar haar dorp. Later, toen we "iets met elkaar hadden', zoals dat heette, fietste ik met haar mee. Dat wil zeggen: ik legde de tocht vier keer af, van school naar haar huis, van haar huis naar mijn huis en 's avonds hetzelfde, tenzij we naar mijn huis gingen, want dan haalde ik haar op, bracht ik haar terug en ging ik zelf weer naar huis. Op het laatst racede ik die lange, meanderende weg door het bos in zeven minuten. Ik moet een geweldige conditie hebben gehad, in die tijd.

Ze was zeventien, toen ik haar voor het eerst zag, en ze was zo slank dat de toppen van mijn vingers elkaar raakten als ik mijn handen om haar taille legde. Dat gebeurde overigens pas na een jaar, want de eerste tijd was ze, zoals ze me onomwonden vertelde, bang voor mij. Ik heb nooit begrepen hoe ze zoiets kon zeggen. Misschien omdat ik nog langer was dan zij, of omdat ik altijd in het zwart was gekleed, omdat ik gedichten schreef en voorzitter was van de schoolraad, misschien gewoon omdat ik een radicale linkse pessimist was. Als ik nu, zoveel jaren later, een stapje achteruit doe en die schooltijd als een soort bordspel met tinnen soldaatjes uitzet op mijn werktafel, zie ik mijzelf staan, tegenover haar: een lange jongeman, ongeschoren, in zwarte trui, zwarte broek, zwarte schoenen, een keppeltje op het hoofd (want ik was ook nog zionist in die tijd). Om ons heen wolken de vette dampen van hasjiesj en zuipt de rest van de klas zich een coma aan goedkope rum (op een avond heb ik drie jongens bewusteloos zien wegdragen), in het struikgewas wordt zonder al te veel scrupules met alles en iedereen gerotzooid. Ik moet de indruk hebben gewekt dat ik van die omgeving niet alleen deel uitmaakte, maar zelfs de instigator was, de aanvoerder, de leider. Dat was niet zo. Ik ging wel om met die hasjrokende, zwaar drinkende types, en ik bezag al dat nerveuze overspel, maar het stond mijlenver van mij af. Ik was een maagd, ik was nog maar een keer in mijn hele leven dronken geweest (de eerste keer dat ik dronk) en hasjiesj had ik geprobeerd maar zonder spijt terzijde gelegd. Ik zag er in die tijd weliswaar uit als een romantische nihilist uit de jaren voor de Russische revolutie, maar ik was zo verlegen als een jong meisje en ik schreef gedichten om mij de liefde, als ik haar dan niet consumeerde, in ieder geval te kunnen voorstellen.

Verlegen

Jetta was, toen ik haar na al die tijd weer ontmoette, nauwelijks veranderd. We schudden elkaar de hand op de verlegen manier van mensen die een verleden delen en maakten een praatje. Ik herinner me alle details van die dag, hoe warm het was, de zon die net over het dak van Hotel De Jonge scheen en het terras in het volle licht zette. Om ons zaten de mensen met opgeheven gezichten bruin te worden, obers draafden met bladen vol bier en wijn, er klonk gelach.

Nee, het ging goed met haar. Ja, ze was geslaagd. (Zij had die school afgemaakt en was nu lerares.) Ze had tegenwoordig zelfs een auto.

We kwamen, al pratend, in beweging. We liepen het terras over, langs de bioscoop en het gerechtsgebouw, over het grasveld voor het gemeentehuis. Op een parkeerplaats die naar asfalt en benzine rook, wees ze haar autootje aan. We stapten in en reden weg. Boven de Groningerstraat was de zon aan het zakken. De muren van de huizen kleurden zacht oranje, ramen schitterden.

Na een kwartier stonden we op de rondweg, voor een stoplicht. In de verte trilde het asfalt. De weg was leeg.

“Waar gaan we eigenlijk heen?” vroeg ik, want ik wist dat we na de stoplichten op het platteland kwamen.

Ze noemde de naam van een dorp, een kilometer of vijftien verder.

“Wat moeten we daar?”

Er was een feest.

Ik begon te vertellen dat ik die avond een afspraak had, mijn tweewekelijkse etentje met Bert.

“Dit is een ontvoering,” zei ze, veel te ernstig om grappig te zijn.

Het stoplicht sprong op groen. Het stoplicht sprong op oranje. Het stoplicht sprong op rood.

Ik keek opzij. Ze zat rechtop achter het stuur, haar gezicht zacht en warm in het lage licht. Toen greep haar hand de versnellingspook, ze schakelde, draaide om de vluchtheuvel en reed terug naar de stad.

Dekbed

Meer dan een half jaar zag ik haar niet, tot ze op een avond langskwam. Ik stond in de deuropening, staarde haar aan en wist niet wat te zeggen. Uiteindelijk gebaarde ik haar binnen te komen. Wat brengt jou hier? Zozo, Jetta. Dus toch. Zinnen, zinloze zinnen, schoten door mijn hoofd. Mijn mond was droog, mijn hart raasde in mijn borst. Ik zei niets. Ik kon niet.

Mijn huis was in die tijd, op zachte witte vloerbedekking na, leeg. Stoelen, tafels, kasten, niets was er. Ze zat op de grond, helemaal aan de andere kant van de kamer, haar lange rechte rug tegen de muur, haar slanke, lange benen in een wijde gebloemde rok. Aan de andere kant van de kamer, ook op de grond, rug tegen de muur, spijtig, spijtig, spijtig: ik. “Heb je een dekbed?” vroeg ze, nadat ik haar een glaasje witte wijn had ingeschonken. “Wat?” Ze herhaalde haar vraag. “Ja,” hoestte ik. Of ze mijn slaapkamer mocht zien. Met bonkend hart ging ik haar voor, de trap op. Negentientachtig, dacht ik, het jaar nul van mijn leven als man.

Boven, in mijn slaapkamer, keek ze om zich heen, ze streek over het keurig opgeschudde dekbed. In mijn hoofd raasden de mogelijkheden door elkaar. “Wil je nog iets drinken?” zei ik, na een hele tijd. Ze knikte. We gingen weer naar beneden.

Ik wilde haar zo graag dat ik, uit angst om haar te verliezen, niets deed.

Mijn leven zag ik in die tijd als een kurk die in de zee dobberde. Ik was zonder richting, zonder mogelijkheid om richting te vinden of te kiezen. Ik leefde van de losse baantjes die ik af en toe had. Ik betaalde mijn huur, kocht brood en kaas en af en toe een krop sla en elke week een paar flessen wijn.

Nu, meer dan tien jaar later, denk ik dat de kentering kwam toen ik bij Jacob Vos in de winkel stond en die fles Muscadet zag. Het was een donkergroene fles met een lange dunne hals. “Fantastische Muscadet,” zei Jacob, “en heel betaalbaar.” Ik keek naar het etiket en las de naam van de wijnboer (Marcel Martin). Ik kocht een doos van vierentwintig.

Die avond kwamen Harry en Bert langs en liet ik hen mijn nieuwe aanwinst zien en hoewel de doos als voorraad was bedoeld, gaven we toe aan de verleiding om te proeven. We openden een fles (zomer, hooi, namiddagzon over kruidige weiden), nog een en toen het middernacht was stapten we de deur uit en liepen we door de uitgestorven straten naar de vierbaans snelweg die als een kasteelgracht van asfalt om de stad lag. We hadden een derde fles meegenomen.

De hele nacht trokken we rond, door verlaten dorpjes, over blauwverlichte klinkerweggetjes, tot we aan de rand van de heide stonden en met Harry's zakmes de meegebrachte fles openden. We wandelden over de hei en dronken om de beurt. De wijn vulde mij met licht.

Nu klinkt het overdreven, maar ik weet dat ik het destijds zo voelde. Licht. Helder, allesverklarend licht. Ik begon te praten. Ik sprak over mijn gedichten, de torens van taal die ik had gebouwd en waarin ik mij even verward voelde als het volk van Babel in zijn toren. Ik sprak over de stad, waar ik nooit had willen wonen en waar ik nu al weer zo lang was. Tenslotte sprak ik over Jetta. Ik sprak over een allesbeheersende, hoofse liefde. Hoofs, want, dat ontdekte ik die nacht, ik boog en wachtte. Harry en Bert luisterden en dronken, en ondertussen liepen we tussen de jonge berken, die als uitgemergelde armen uit de hei staken.

's Ochtends waren we stil. We keerden door een aardappelveld terug naar huis. De zon stond laag, de dauw verdampte.

Het is allemaal lang geleden. Ik woon niet meer in Assen en als ik er kom zijn de gebouwen anders en is het licht vreemd, hoewel het nog steeds de stad is waar ik mijn jeugd heb doorgebracht. Jetta heb ik een week of wat geleden voor het eerst in jaren weer gezien. Ze was veranderd, maar onontkoombaar dezelfde.