Grootvaders klok

Grootvader is al lang dood. Maar op de schoorsteen bij moeder staat nog de Franse klok die hij op zijn 50ste verjaardag van zijn broers en zussen kreeg. Moeder is intussen getrouwd met oom Hans, een rare snuiter met twee etters van kinderen uit een vorig huwelijk.

Als moeder volgende week overlijdt - en die kans is groot - wat gebeurt er dan met grootvaders klok?

Naar geldend recht zullen moeders kinderen naar alle waarschijnlijkheid - details zal ik u besparen - aanspraak kunnen maken op afgifte van de klok, in mindering op hun erfdeel. Ook als moeder en oom Hans in gemeenschap van goederen getrouwd zijn. Maar oom Hans zal waarschijnlijk het bankstel en de rest van de meubels mogen houden. En het huisje in de Biesbosch dat moeder nog uit haar vorig huwelijk overgehouden heeft en waar ze toen - vóór oom Hans opdook - zo vaak samen heengingen? Dat ligt een beetje moeilijker. Dat kan nog knokken worden met oom Hans en die etters, die er nu iedere zomer zitten.

Als moeder nu eens een testament maakte! Dan is alles geregeld. Maar dat kan je haar toch niet vragen, op haar sterfbed?

Ons erfrecht is verouderd. Dat vinden tenminste de makers van het Nieuw BW en eigenlijk vindt iedereen dat. Een veel gehoorde klacht is dat de positie van de langstlevende echtgenoot (dikwijls echtgenote) te zwak is en die van de kinderen te sterk. De oude gedachte dat het erfgoed in de familie moet blijven klinkt nog teveel door. In een tijd waarin huwelijk en echtscheiding elkaar als feestelijke jubilea opvolgen en kinderen links en rechts uit allerlei verbanden voortspruiten geeft dat spanningen.

Tot zover is iedereen het eens. Maar hoe nu verder. Een manmoedige poging van het departement om met een geheel vernieuwd erfrecht te komen strandde in 1982 op massaal verzet van het notariaat. De ontworpen regeling ging uit van een wettelijk vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot, dat wil zeggen: deze zou de hele nalatenschap mogen gebruiken en beheren maar als hij dan weer dood ging zouden de kinderen alsnog aan bod komen. De regeling was technisch knap maar - volgens de notarissen en vele anderen - te ingewikkeld. Men vreesde dat een leek er niets van zou begrijpen en de meeste notarissen ook niet. Het gevolg was dat het ”NBW' op 1 januari 1992 zonder het erfrecht werd ingevoerd.

Nu, tien jaar later, is een sterk vereenvoudigd ontwerp van het departement voorwerp van discussie. Opnieuw roert het notariaat zich. Het bestuur van de broederschap is door de bocht - het heeft te kennen gegeven het ontwerp aanvaardbaar te vinden - maar een rondborstige notaris-professor reist stad en land af om zijn vakbroeders uit te leggen dat het departement opnieuw in halsstarrigheid een wangedrocht gebaard heeft. Want het uitgangspunt van het ontwerp is nog steeds dat de langstlevende geen eigendom maar een (uitgekleed) vruchtgebruik krijgt. De professor presenteert daarbij een ontwerp van eigen vinding dat gebaseerd is op de notariële praktijk. Volgens dat ontwerp krijgt de langstlevende eigendom en de kinderen een uitgestelde geldvordering. In de vakpers krijgt hij van alle kanten bijval.

Departementale ambtenaren tot en met de rang van secretaris-generaal werpen zich nu publiekelijk in de strijd. Zij wijzen de professor op de achterkant van de maan en betogen dat zijn ontwerp gif in de staart heeft. Zelfs de minister heeft zich in een dagblad rechtstreeks tot het volk gewend. Zo staat vakman tegenover vakman en wordt het lot van de langstlevende op hoog niveau gekneed en geveild, terwijl het bestuur van de broederschap besmuikt in een hoekje zit. Van mij mag het allemaal. De zaak is belangrijk genoeg voor een pittige discussie.

Ik denk bovendien dat Van Mourik - zo heet de professor - gelijk heeft. Een vruchtgebruik voor de langstlevende, hoe ook uitgekleed, brengt mee dat de kinderen een ”uitgesteld' recht op de goederen krijgen. Daarmee geeft men de kinderen geen zekerheid dat zij die goederen - de klok, het bankstel, het buitenhuisje - ooit zullen bezitten. Wel geeft men hen de legitimatie om die goederen met argusogen te volgen. Wat doet oom Hans ermee? Wordt er wel netjes op gepast? Mag oom Hans de boel verkopen als hij in geldnood raakt? Een bron van geschillen en narigheid is daarmee gecreëerd.

In Van Mouriks stelsel gaan de goederen zonder meer naar de langstlevende. De kinderen krijgen een (uitgestelde) vordering in geld. Op specifieke goederen kunnen zij geen aanspraak maken. In dit stelsel is de kans groter dat bepaalde goederen via tweede huwelijken en dergelijke in een andere familie belanden. Daartegenover staat echter het voordeel van de eenvoud en het voordeel dat schijnzekerheid en conflicten niet spontaan uit het wettelijk stelsel genereren. Wie anders wil kan een testament maken en dat is in elk geval - wanneer men een tweede huwelijk aangaat - verstandig.

Trouwens, in de luwte van een doorzichtige regeling is oom Hans misschien veel aardiger dan hij leek. En toen oom Hans dood ging hebben die etters zomaar uit zichzelf gezegd: neem jij dat klokje maar mee.

Mijn verhaal heeft nog een vervolg. Op woensdag 8 april jl. heeft de algemene ledenvergadering van de Koninklijke Notariële Broederschap - hardnekkig verzet van het bestuur, dat vreesde zijn ”politieke geloofwaardigheid' te verliezen, trotserend - bij acclamatie een motie aanvaard waarin zij zich achter het ontwerp-Van Mourik opstelt. Het bestuur wordt uitgenodigd er bij de minister op aan te dringen dat hij zijn plannen dienovereenkomstig wijzigt.