God bedekt zijn werken met een gordijn; Johannes Amos Comenius, een gelovige verzetsheld

Voor Tsjechen betekent Johannes Amos Comenius, die vierhonderd jaar geleden geboren werd, iets heel anders dan voor ons. Zij zien in hem in de eerste plaats een vrijheidsstrijder, die toen zijn bibliotheek verbrand werd, eerst naar Polen en later naar Nederland vluchtte. Wij kennen hem als idealistische onderwijsvernieuwer die veronderstelde dat kennis uiteindelijk tot een betere wereld zou leiden. Voor de Tsjechen is Comenius veel minder dood dan voor ons.

Ter gelegenheid van de Comenius-herdenking zijn verschenen: Dr.L.F. Groenendijk en dr.J.C. Sturm: Comenius in Nederland. Reacties op een grote Tsjechische hervormer (17de-20ste eeuw) Uitg. Kok, prijs ƒ 19,90.

Drs. J.R. Kok en dr.A. Molnár: Kinderen zijn God-geleerd. Theologische vertrekpunten van Jan Amos Comenius. Uitg. Narratio, prijs ƒ 17,50.

In de Universiteitsbibliotheek, Singel 425, Amsterdam is t/m 10 april de tentoonstelling "Johannes Amos Comenius 1592-1992' te zien. In het Vestingmuseum in Naarden is vanaf 17 april de tentoonstelling "Naarden ten tijde van Comenius' te zien. Het nieuwe Comeniusmuseum in Naarden opent op 16 mei met o.a. de tentoonstelling "De zichtbare wereld van Wenceslaus Hollar'. Algemene inlichtingen: Stichting Comenius 1592-1992, Overboschlaan 19, Bilthoven. Tel 030-284655.

De Waalse kerk in Naarden moet behoorlijk hebben geroken bij de begrafenis van de Tsjechische pedagoog en filosoof Johannes Amos Comenius in 1670. Op 22 november vond de teraardebestelling plaats, hoewel Comenius al een week daarvoor - op 15 november - in Amsterdam was overleden. Hij had daar de laatste veertien jaar van zijn leven gewoond. Comenius stierf zo arm als een kerkrat. Knechten van zijn beschermheer Gerard de Geer (de zoon van Laurentius de Geer) laadden zijn lichaam op een kar en brachten het via Diemen en Muiden, langs de Zuiderzee naar de vesting van Naarden. Novemberregens striemden de reizigers en veranderden de wegen in hopeloze modderpoelen.

De rijke protestantse koopmansfamilie De Geer had een landhuis in de omgeving van het vestingstadje, een graf in de Waalse kerk en een familielid als predikant. De begrafenis kon dus voor een koopje worden geregeld. Voor maar vijf gulden zakte Comenius zijn laatste rustplaats in.

Een eeuw later kreeg Comenius' geraamte gezelschap van de dichtende oudheidkundige Brouwerius van Nidek (1740) en kapitein Louis Guerre (1750). De twee kisten werden op de vermolmde splinters van Comenius' kist geplaatst. De steen op het graf kreeg alleen het opschrift "8' - het achtste graf in de kerk. Wie daar lag, werd vergeten. Botten en tanden zwierven in de aarde rond. Grafregisters raakten zoek.

Pas in 1892 werd na een archiefvondst weer bekend dat Comenius in Naarden was begraven. Onderzoeken wezen uit waar het graf lag en welke beenderen bij welk geraamte hoorden. Van Comenius was bekend dat hij aan reuma leed, en inderdaad vond men in het graf links voor de preekstoel de vergroeide resten van een bejaarde man. In 1929 werd Comenius opnieuw begraven. De Waalse kerk werd omgebouwd tot mausoleum.

Comenius' praalgraf is een bedevaartsoord voor Tsjechen geworden. Het afgelopen jaar bezochten zo'n twintigduizend (viervijfde van het totaal aantal bezoekers) Tsjechen het graf. Dit jaar verwacht men er nog veel meer. Liesbeth Lockefeer is medewerkster van het Comeniusmuseum en betrokken bij de herdenkingen die dit jaar voor de vierhonderdste geboortedag van Comenius worden georganiseerd. Samen met haar loop ik door Naarden naar het mausoleum dat aan het nieuwe, in mei te openen Comeniusmuseum grenst. “De Tsjechen komen hier in oude autobussen heen,” vertelt Lockefeer. “Ze slapen, eten en drinken in de bus om kosten te besparen. Bij het graf van Comenius zingen ze het volkslied, dansen, lezen voor uit zijn werk, en leggen bloemen neer.”

Jammer genoeg zijn er op het moment dat wij het mausoleum bezoeken geen dansende en zingende Tsjechen. Wel liggen er kransen van Dubcek en Havel, pietepeuterige boeketten en hier en daar een afgeplukte rozeknop. In het gastenboek zie ik dat er sinds het opengaan van de grenzen in 1990 meer Tsjechen naar Naarden zijn gekomen dan in de vijf decennia daarvoor. Ook zit er een opvallende lacune in het boek: tussen 1967 en 1990 heeft geen enkele Tsjech getekend. “We hebben het gastenboek weggehaald,” legt Lockefeer uit, “toen wij iemand van de Tsjechische Geheime Dienst hier betrapten op het fotograferen van de ingeschreven namen.”

Vrijheid

Anders dan voor Nederlanders, die bij Comenius (als ze hem al kennen) denken aan onderwijskundige vernieuwingen, is Comenius voor de Tsjechen het symbool van de strijd tegen onderdrukking en voor onafhankelijkheid. Comenius (28 maart 1592-15 november 1670) was lid en later ook bisschop van de Boheemse Broedergemeente, een protestantse splintergroepering die zich inspireerde op de in 1415 op de brandstapel gestorven Johannes Hus. De Boheemse Broeders keerden zich net als de Hussieten tegen misstanden in de kerk. Zij waren tegen pauselijke inmenging in godsdienstzaken en predikten een leven van ascese, persoonlijke verantwoording aan God en afzien van geweld.

De Broeders konden tot 1620 hun geloofsopvattingen vrij belijden. Maar met de slag bij de Witte Berg (ten westen van Praag) in 1620 en de overwinning op de Tsjechische vorsten van de katholieke Habsburgers keerde het tij. Moravië en Bohemen raakten in de greep van de contrareformatie. In het kielzog van de Habsburgse Ferdinand II kwam de inquisitie die de ketterse Bohemen mores zou leren. Protestanten werden vervolgd, hun boeken verbrand, hun woonplaatsen met de grond gelijk gemaakt. De Boheemse Broeders gingen ondergronds of vluchtten het land uit.

Ook Comenius vluchtte, maar pas in 1628, toen zijn bibliotheek op het marktplein in Fulnek verbrand werd en hij uit zijn ambt van predikant en leraar was gezet. Comenius trok naar Leszno in Polen - zijn uitvalsbasis voor de volgende dertig jaar. Uit zijn ballingsoord in Polen en later in de Republiek bleef hij altijd hopen en schrijven (onder andere zijn allegorische en aan Erasmus' Lof der Zotheid herinnerende Das Labyrinth der Welt und das Paradies des Herzens uit 1628) over een terugkeer naar Bohemen en een herstel van de Tsjechische onafhankelijkheid. In 1648, toen de voor de Boheemse Broeders zo ongunstig uitpakkende Vrede van Munster werd gesloten, besefte Comenius dat zijn pogingen het zelfbeschikkingsrecht van de Tsjechen en Slowaken te herstellen, tevergeefs waren geweest. Met deze vrede werd niet alleen een eind gemaakt aan de Dertigjarige Oorlog, maar ook de onderworpenheid van Bohemen en Moravië aan de Habsburgers bezegeld. In zijn Testament van de stervende moeder der Broederuniteit beschreef Comenius het symbolische beeld van de stervende moeder die haar kinderen haar geestelijk erfgoed toezegt. Terugblikkend op zijn leven noemde hij zichzelf een "Mann der Sehnsucht'.

Hoe belangrijk Comenius als verzetsstrijder ook voor de Tsjechische gemeenschap geweest is, het vormt slechts één facet van zijn persoonlijkheid. Hetzelfde geldt voor Comenius' didactische en pedagogische ideeën. Ook al hebben veel "moderne' Westeuropese pedagogen - van Rousseau en Herder tot Fröbel, Basedow en Montessori - hem wegens zijn kindvriendelijke, op spel en aanschouwing gerichte onderwijsmethodes opgenomen in de canon van illustere hervormers, los van de algemenere wetenschappelijke en godsdienstige opvattingen die Comenius erop nahield blijven zijn onderwijskundige ideeën zweven in een vacuüm. Comenius komt niet tot zijn recht door hem uitsluitend als revolutionaire of pedagogische held op te voeren. Hij was een geleerde die op de grens tussen "oude' en "moderne' tijd balanceerde. Hij zocht naar oplossingen die soms net zo verwarrend waren als de wereld om hem heen.

Encyclopedieën

Behalve pedagoog en geestelijke was Comenius boekdrukker, kaartenmaker, toneelschrijver, taalkundige, encyclopedist en medicus. Hij schreef meer dan tweehonderd boeken, waarvan het grootste deel door het oorlogsgeweld en tijdens zijn reizen naar Engeland, Zweden, de Republiek en Hongarije verloren ging.

Het Portael der saecken en spraecken (Vestibulum rerum et linguarum, Amsterdam 1658) is een van de boeken die wel bewaard bleven. Op het titelblad zie je een man omringd door leerlingen. Met zijn linkerhand wijst hij omhoog, naar zeven gravures boven zijn hoofd. Zijn rechterhand wijst naar beneden, naar drie scènes uit het dagelijks leven. Er is een huisgezin te zien, een redenaar op een marktplein (de Amsterdamse Dam?) en een predikant tijdens de kerkdienst. De plaatjes onder de voeten van de leraar brengen alledrie een leersituatie in beeld. Bovenaan, over de hele breedte van de pagina, zie je het luchtruim met een bijna agressief stralende zon, sterren en een in duisternis gehulde aarde. De ruimte is bevolkt met vliegende dieren: reptielen, vogels en insekten. Onder de voorstelling van het hemelgewelf zijn in rijen van drie het aangezicht van de wereld (bergen, water, bomen), de bewoners van de zee (fabeldieren, (wal)vissen, schelpdieren en zeevaarders) en de dieren op het land (olifant, konijn en een soort giraffe) afgebeeld. Ze worden gevolgd door plaatjes van menselijke werkzaamheden: zaaien, ploegen en oogsten. Crispijn de Pas, die de gravures maakte, ging uiterst zorgvuldig te werk, en vulde de prentjes die nauwelijks twee bij twee centimeter meten, met een overvloed aan grappige details.

De betekenis van de titelgravure is ondubbelzinnig. De leraar, Comenius, wenkt de mensen - of ze nu groot of klein zijn - om de wereld en haar schepselen te bestuderen. En inderdaad, als je het boek openslaat heb je een in twee talen uitgevoerd (Latijn en Nederlands) en met prachtige afbeeldingen verlucht compendium onder ogen van alle volgens Comenius beschikbare kennis. Van een uitleg over de planeten, de ziel en de vier elementen waar de wereld uit bestaat (vuur, lucht, water en aarde), tot de bespreking van de planten- en dierenwereld, de menselijke anatomie en psychologie, ambachten en staatsinrichting. Comenius besluit zijn encyclopedie met een uiteenzetting over God.

Ook Comenius' bekendste plaatjesboek, de Orbis sensualium Pictus (Nürnberg, 1658) is encyclopedisch van opzet. Ook hier vind je afbeelding en omschrijving, woord en ding, direct naast elkaar. Dit vergemakkelijkt en veraangenaamt het leerproces, zegt Comenius.

Maar er is meer. In de Orbis Pictus, de Vestibulum rerum linguarum en de Ianua Linguarum reserata aurea (Leszno, 1633) is Comenius op zoek naar omschrijvingen die korter, accurater en beter dan welke omschrijving tot dan toe bekend, de aard van dingen uitdrukken. “Ik heb gemerkt,” zegt hij - en hij spiegelt zich hier aan Francis Bacons Novum Organum - “dat de meeste mensen niet spreken maar babbelen: dat wil zeggen dat ze niet van de ene naar de andere geest de essentie van dingen overdragen, maar dat ze onbegrijpelijke, holle woorden uitwisselen. En het is niet alleen het gewone volk dat dit doet, maar vooral de geletterde elite. Want de laatste spreekt in eindeloze homoniemen, zonder dat zij enig begrip van de aard en betrekkingen van dingen heeft.”

Comenius hekelt de scholastieke wetenschap, die eeuw na eeuw kennis had geautoriseerd zonder dat deze op ervaring of waarneming gestoeld was geweest. Ook bekritiseert hij de humanisten die van taal een inhoudsloze woordkunst hebben gemaakt. “De mensen leerden niet hoe de dingen uit zichzelf en in zichzelf zijn,” stelt hij in zijn Opera Didactica Omnia (Amsterdam 1657), “maar wat een eerste, een tweede, een derde tot en met een tiende persoon er voor mening over had.” Comenius schaart zich in de rij van onderzoekers die vanaf de vijftiende eeuw in toenemende mate de natuur tot voorwerp van hun studie maken. Zintuiglijke waarneming en experiment komen in de plaats van tekstanalyse. Mensen moeten op pad, de wereld in en “leren uit de hemel, de aarde, de eiken en de beuken,” zegt Comenius.

Mystiek

Hoe modern dit vanuit wetenschappelijk oogpunt ook mag klinken, de grondslagen van Comenius' natuuronderzoek liggen onveranderd geworteld in religie en mystiek. De wereld is de plaats waar Gods schepping zichtbaar wordt. Onderzoek van de natuur is tegelijkertijd een onderzoek naar God, want het maakt de wetenschapper duidelijk welke wonderen God in de wereld heeft gelegd. Deze kennis van de Magnalia Deï verdiept het geloof, waardoor de natuur haar geheimen gemakkelijker aan de onderzoeker zal tonen. God bedekt zijn werken met een gordijn, zegt Comenius, en alleen de gelovige wetenschapper zal hier doorheen kunnen kijken. Comenius' visuele encyclopedieën zijn bedoeld als ruggesteun voor de natuuronderzoeker. Het zijn exacte kopieën van de wereld zoals God die geschapen heeft.

Voor zijn gebruik van vivae icones - beelden die de werkelijkheid natuurgetrouw nabootsen - en de moeite die hij doet om een systeem van karakters te ontwikkelen waarin woorden direct naar de essentie van dingen verwijzen, zoekt Comenius een rechtvaardiging in de Bijbel.

In het eerste hoofdstuk van Genesis spreekt God: "Er zij licht'. En er was licht. God zegt: "Er zij een uitspansel tussen de wateren'. En er ontstond een uitspansel. Door het woord van God werd de aarde verdeeld in water en land, en bevolkt door levende wezens. Het Woord heeft dus een wezenlijke functie in het scheppingsproces. Hieraan ontlenen Renaissance denkers als Marsilio Ficino, Pico della Mirandola, Johann Valentin Andreae (een van Comenius' leermeesters) en Tommaso Campanella het geloof dat je door het noemen van dingen bij hun oorspronkelijke naam een door God ingegeven, transcendente kennis van de werkelijkheid verwerft. Woorden worden equivalent met dingen.

Comenius wil door middel van zijn encyclopedieën kennis van het Ene en het Alles overdragen. De mens moet "Alwetend' worden en daartoe ontwikkelt hij zijn ideeën over de "Pansophia'. Zou de mens in staat zijn om in een duidelijk licht het doel van alle dingen - dat is het eenworden met Christus -, de middelen daartoe en het juiste gebruik te kennen, zegt Comenius, dan zou een wereldhervorming het gevolg zijn. Er zou een einde komen aan oorlog, brand, verwoesting en terreur. De vijandschap en scheuring binnen de Kerk zouden verdwijnen, de twisten binnen de wetenschap worden bijgelegd.

Comenius heeft zijn leven lang zijn utopische ideeën over een pansofische samenleving met een aan fanatisme grenzende verbetenheid uitgedragen. Hij werd er niet zozeer beroemd, als wel berucht om. Tijdgenoten vonden zijn hervormingsidealen niet realistisch en achterhaald. Actuele ontwikkelingen in de wetenschap liet hij bijna volledig aan zich voorbij gaan. Van Descartes' kennistheorie moest hij niets hebben. Harvey's ontdekking van de bloedsomloop negeerde hij. Van Copernicus gruwde hij. In een tijd dat vrijwel iedere wetenschapper van het idee was afgestapt dat de aarde in het middelpunt van het universum stond, schreef Comenius nog kalmpjes in zijn encyclopedieën dat de zon om de aarde draait. Ondanks de toepassing van "moderne' onderzoeksmethoden als zintuiglijke waarneming en experiment, bleef Comenius het antwoord op belangrijke vragen als het ontstaan van de kosmos zoeken in het Heilige Schrift. Hierdoor verloor hij op den duur zijn geloofwaardigheid.