Een oude liefde, een nieuwe liefde en een geheimzinnig boek; De nominaties voor de AKO-prijs

De zes boeken die genomineerd zijn voor de AKO-prijs kan iedereen met een gerust hart aan zijn vrienden cadeau doen, op eentje na, vindt Reinjan Mulder. Anders dan vorige jaren leidt de keuze van de jury niet tot verbazing. Maar welke van deze zes romans moet 12 mei de AKO-prijs krijgen? Een afweging met argumenten.

Natuurlijk, er zijn goede, slechte en middelmatige boeken. Maar ook goede boeken zijn er in maten en soorten. Er zijn boeken waar je zelf enthousiast over bent, er zijn boeken die je koud laten, maar waarvan je je goed kunt voorstellen dat anderen ze goed vinden, en er zijn boeken waarvan het wel altijd een raadsel zal blijven, wat iemand er in ziet - maar toch ziet iemand er wat in.

De jury's van de AKO-literatuurprijs hebben de laatste jaren een opmerkelijke voorkeur gehad voor de laatste categorie. Boeken die volgens een gezelschap min of meer verstandige mensen tot het beste behoorden wat de Nederlandse literatuur in een jaar had voortgebracht, maar die je liever niet aan een vriend of een vriendin cadeau zou doen.

Het kan verkeren. Dit jaar heeft de jury van de AKO-prijs (W.F. Duisenberg, Jos Borré, Maarten 't Hart, Elrud Ibsch en Gerda Meijerink) het de geïnteresseerde lezer gemakkelijker gemaakt. Wie weinig tijd heeft en toch wil weten wat er het afgelopen jaar in Nederland geschreven is, kan uit de zes nu genomineerde boeken een aardig overzicht krijgen. Onder de zes boeken is er eigenlijk maar één die ik niemand echt zal aanraden. En zelfs dat boek is nog heel behoorlijk als je het vergelijkt met sommige boeken die in de voorafgaande jaren zijn genomineerd. Daartegenover staan dan drie boeken waarover het niet moeilijk is om enthousiast te zijn, en twee boeken waarvan ik me voor kan stellen dat iemand er van onder de indruk raakt.

Ook voor uitgevers en boekhandelaren zullen de meeste nominaties deze keer niet als een grote verrassing zijn gekomen. Vier van de zes nu genomineerde boeken moesten binnen een half jaar één of meer keer worden herdrukt. En van een vijfde boek (De Kuypers Grand Hotel Solitude) is een herdruk inmiddels in voorbereiding.

Wat aan het lijstje van dit jaar het eerst opvalt is dat er alleen maar romans op staan. Vervolgens dat deze ook nog vrij omvangrijk zijn. De gemiddelde dikte van de boeken is deze keer bijna 250 bladzijden. Dat is wel eens anders geweest. Voor een deel kan deze omslag worden verklaard door een wijziging van het AKO-reglement. De jury was nu voor het eerst gehouden om vooral naar fictie te kijken. Het aanbod kan een rol hebben gespeeld. Het afgelopen jaar was kwantitatief en kwalitatief een goed romanjaar, met romans van A. Alberts, Willem Brakman, Adriaan van Dis, Jean-Paul Franssens, Anton Haakman, Maarten 't Hart, Marie Kessels, Tom Lanoye, Cees Nooteboom, Leo Pleysier en Leon de Winter. Maar zeker zo belangrijk zal de smaak van de juryleden zijn geweest. Het is nauwelijks voor te stellen dat iemand als Maarten 't Hart een prijs van ƒ 50.000 zou laten gaan naar een of ander op een achternamiddag geschreven bundeltje met een paar korte schetsjes.

Kansloos

Wat de juryleden bij het maken van hun keuze precies heeft bewogen blijft overigens gissen. Er is vorige week alleen een lijst met namen bekend gemaakt, waarop bij elk genomineerd boek een korte toelichting staat. De jury heeft zich niet laten verleiden tot het geven van criteria of andere algemene overwegingen. Het enige wat het juryrapport zegt is dat er veel boeken waren waarvan men zich afvraagt waarom ze zijn ingezonden. Wat daarmee bedoeld wordt, weet ik niet zo goed. Misschien heeft de jury een volgende jury het werk willen besparen dat nu kennelijk is verspild aan het lezen van boeken die geen enkele kans hebben. Maar dat zal weinig helpen. Zolang niet wordt aangegeven welke boeken bij voorbaat kansloos waren, zal elke uitgever wel reeksen titels uit zijn fonds blijven insturen.

Maar nu de boeken. De enige roman op het lijstje van zes die ik niemand zal aanraden te lezen is Vals Licht van Joost Zwagerman. Zwagermans vorige boek, Gimmick!, was een verrassend, snel geschreven en fris boek, waaruit zowel een emotionele betrokkenheid als een duidelijke visie op de maatschappij en de kunst naar voren kwam, maar dergelijke eigenschappen ontbreken in zijn laatste roman volledig. Vals Licht is zo verschrikkelijk ... nietsig. Het is bijna niet voor te stellen dat iemand zoiets schrijven wil, en het dan ook nog doet.

Een slome student uit de provincie, voor wie het na alle publiciteit nog niet wist, begint iets met een prostituée van de Amsterdamse Ruysdaelkade. Ik schrijf met opzet dat hij "iets' met het meisje "begint'. Want waar hij in de 270 bladzijden die het verhaal duurt, op uit is, blijft grotendeels duister. Je krijgt niet de indruk dat er een hevige liefde in het spel is, wat de jongen voor het meisje voelt wordt heel mat beschreven. En hij wordt ook verder niet erg door haar geboeid. Ze ziet er niet aantrekkelijk uit, ze heeft weinig te vertellen, ze leidt geen interessant bestaan, en haar achtergrond is, ja wat is haar achtergrond eigenlijk? Tekenend is dat we aan het eind van het boek nog steeds niet goed weten wanneer en hoe ze in de prostitutie is terecht gekomen en wat ze er van vindt.

Het verschil met Gimmick! is dat Zwagerman te veel aan de oppervlakte van het verhaal blijft. De student en zijn vriendin zijn kennelijk vervelende mensen, maar dat wil toch niet zeggen dat hun doen en laten in zulke saaie bewoordingen uiteengezet moeten worden. Zelfs contacten met de onderwereld (drugs!) kunnen hen niet uit hun apathie verlossen. Het lijkt of Zwagerman heeft gedacht dat het op bijna elke bladzijde opduikende woord "peeskamertje' genoeg moet zijn om van elk verhaal een opwindende roman te maken.

Wat het boek mist, probeert het juryrapport nu te compenseren met veel imponerende woorden, maar dat maakt het voor Zwagerman alleen maar pijnlijker. Welke voormalige maximaal wil nu vergeleken worden met Balzac, Zola en Antony Trollope?

Stroomversnelling

Boeken die ik wel zou kunnen aanraden, hoewel ze naar mijn idee geen van beide helemaal gelukt zijn, zijn De dood als een meisje van acht van Jacq Firmin Vogelaar en Noorderburen van Nico Dros. De twee romans hebben met elkaar gemeen dat er eerst heel wat overwonnen moet worden voor het verhaal op gang komt, maar tegen het eind krijgen ze beide een grote, dwingende kracht. Vooral Vogelaar maakt het de lezer in het begin erg moeilijk. Eerst zet hij ons tweehonderd bladzijden moeizaam geformuleerde fragmenten voor, maar als het verhaal dan eenmaal in een stroomversnelling is geraakt, wordt het onmogelijk het boek nog neer te leggen.

Nico Dros (1956) is van de zes genomineerden de enige debutant. Hij is niet de jongste van de zes, dat is Zwagerman, maar zijn boek is met zijn 163 bladzijden wel verreweg het dunste van de stapel. Als de jury er op uit zou zijn geweest om tenminste één debuut te nomineren, dan is Dros geen slechte keus. Hij schrijft goedlopende zinnen, hij weet hoe hij een verhaal moet vertellen, hij heeft iets te zeggen en hij heeft zich zo te zien ook goed gedocumenteerd over zijn onderwerp.

Noorderburen is een historische roman. Een Nederlande aristocraat heeft zich in 1810 tegen de Franse overheersers gekeerd en voor straf wordt hij verbannen naar een gehucht aan de noordkust van Texel. Daar maakt hij van de nood een deugd. De eenvoudige vissersbevolking van het gehucht brengt hij in aanraking met de modernste inzichten op het gebied van onderwijs, politiek en landaanwinning. Zoals te verwachten is, wordt hem dit niet in dank afgenomen. Vooral wanneer blijkt dat hij een verhouding is aangegaan met een plaatselijke jonge weduwe, dreigt er een waar volksgericht.

Wat de jury in Noorderburen prijst is in de eerste plaats de authentieke stijl: "met een fraseologie die perfect is aangepast aan de historische situering en het behandelde gedachtengoed'. Ik vrees dat ik het daar niet helemaal mee eens ben. Althans, het is maar wat je onder authentiek verstaat. Slaat het op een hoogstpersoonlijk idioom waaruit onmiskenbaar het karakter van de schrijver naar voren komt? Of staat authentiek voor een taal die geurt naar archieven en die piept als een slecht gesmeerd wiel aan een oude boerenwagen. Bij Dros, van huis uit historicus, gaat het, helaas, om het laatste. Hij schrijft een Nederlands dat zo authentiek is dat het af en toe de lachlust opwekt. Met veel oude zegswijzen en een weinig spannende opbouw. Het verhaal verloopt bijna lineair. Het begint met de verbanning van de jonge man en het eindigt op het moment van zijn ondergang op Texel.

Ja, dacht ik even toen ik Duisenberg vorige week de complimenten hoorde uitspreken, wat Dros schrijft is de taal zoals bankiers die waarschijnlijk graag horen. Recht door zee. Wat dat betreft is Jacq Vogelaar de absolute tegenvoeter van Nico Dros. Het mag zelfs een klein raadsel heten dat een jury beide boeken op hetzelfde moment tot de beste van 1991 rekent. Ook Vogelaar beschijft een primitieve gemeenschap in een voorbije periode, maar zijn taal is het tegendeel van het zorgvuldige notarissenproza van Dros.

Toch weerspiegelt ook bij Vogelaar de stijl van het boek de tijd waarin het verhaal speelt. Het grootste deel van De dood als meisje van acht gaat over gebeurtenissen uit het jaar 1952, de tijd waarin in Europa het fragmentarische schrijven van de nouveau roman opkwam. Vogelaar schrijft nog altijd een soort proza dat veertig jaar geleden modern was. En met hetzelfde effect als Dros. Ook zijn boek doet af en toe gedateerd aan.

Vooruitgang

Een schrijver hoeft zijn stijl niet aan te passen aan de tijd waarover hij schrijft. Een vroeg negentiende-eeuwse roman hoeft niet in archasch Nederlands te worden geschreven, en een roman over de jaren vijftig hoeft niet geforceerd fragmentarisch en experimenteel te zijn. Het is zelfs de vraag of de personages van een historische roman wel historische ideeën moeten hebben.

Wat Nico Dros in zijn debuutroman laat zien, zijn de veranderingen die omstreeks 1800 in de politiek en de techniek optraden, maar deze zijn, achteraf, tamelijk voorspelbaar. De verbannen aristocraat heeft uiteraard meer van de beschaafde wereld gezien dan de meeste dorpelingen, en hij probeert ze van hun ongelijk te overtuigen. Maar wij weten hoe het afloopt. De vooruitgang wint. Ook in dat opzicht is het boek van Vogelaar het tegendeel van Dros. Zijn primitieve samenleving leeft anderhalve eeuw later. Het gaat bij hem niet meer om een eenvoudige overgang naar een nieuwe, betere tijd. Bij hem is er aanzienlijk meer. Hij verwerkt in zijn boek herinneringen aan de oorlog, het botsen van verschillende lagen, het verschil tussen stad en platteland, het leven aan weerszijden van een grens.

Vogelaars stijl is zeker spannender dan die van Dros. Vogelaar cirkelt eindeloos om gebeurtenissen heen, volgt een personage in zijn gedachten en herinneringen, en wordt zo steeds indringender. Vogelaar gebruikt woorden niet zozeer om iets mee te delen, het zijn bij hem eerder rituele bezweringsmiddelen. Hij probeert door zijn woordkeus een structuur over het verhaal heen te leggen.

Het zwakke van Vogelaar is echter dat hij zijn techniek niet altijd even consequent toepast. Hij is nogal slordig. Beelden die hij heeft opgebouwd, verzwakt hij door een verkeerd gekozen vergelijking. Of hij werkt ze niet goed uit. Hij weet vaak ook niet van ophouden. De dood als meisje van acht zou veel winnen als de eerste tweehonderd bladzijden sneller en gerichter waren geschreven. Je moet nu te lang op de ontknoping wachten.

Mijn liefde voor Eric de Kuyper begint zo langzamerhand een oude liefde te worden. Vanaf zijn eerste literaire werk, de roman Aan Zee, heb ik een zwak voor deze herinneringen aan de onaanzienlijke kanten van het Belgische stadsleven. De Kuypers grote kracht is nog altijd zijn sterke, niet te kwetsen persoonlijkheid, het enthousiasme waarmee hij alles naar boven haalt en de oorspronkelijke visie die hij op het alledaagse heeft.

Tegen een bekroning van De Kuyper pleit misschien dat zijn laatste boek Grand Hotel Solitude na zijn vier eerdere boeken niet meer zo verrassend is. We weten nu wie hij is en hoe hij tegen een jeugd in België aankijkt. Daar staat tegenover dat hij steeds weer iets nieuws naar voren weet te brengen. De bijna wetenschappelijke beschrijving die hij nu geeft van de culturele veranderingen die het gevolg waren van de Wereldtentoonstelling in Brussel was voor mij het eerste dat ik over dit onderwerp las.

Een ander tegenargument zou kunnen zijn dat De Kuyper niet altijd even zorgvuldig is in de opbouw van zijn verhaal. Hij is uitbundig, barok ook, met het gevolg dat hij zich nogal eens laat gaan. Hij heeft zo veel te vertellen dat hij haast niet wachten kan tot hij alles rustig aan het papier kan toevertrouwen. Zijn zinnen bevatten tussen haakjes ontelbare bijzinnen die soms maar weinig met de hoofdzin te maken hebben, en die het verhaal nodeloos ophouden.

Bovendien heeft hij school gegaan, wat hij niet verhullen wil. De Kuyper houdt iets te veel van moeilijke, heel of half-wetenschappelijke termen. In Grand Hotel Solitude vallen deze negatieve kanten echter mee. De Kuyper gaat steeds beter schrijven, en een prijs voor dit boek zou zeker te rechtvaardigen zijn.

De top

Aan de top van mijn lijstje met genomineerden staan Het oog van de engel van Nelleke Noordervliet en Eerst grijs dan wit dan blauw van Margriet de Moor. De nominatie van Nelleke Noordervliet is van de zes de meest nuttige. Haar boek krijgt er, hoop ik, eindelijk de aandacht door die het verdient. Margriet de Moor heeft een nominatie al bijna niet meer nodig. Ze staat al maanden op verschillende top-tiens en haar boek is nu, vijf maanden na verschijnen, al aan de vijfde druk toe.

Net als Noorderburen en De dood als meisje van acht speelt Het oog van de engel van Nelleke Noordervliet in het verleden. Maar een verschil met de twee andere boeken is dat het een opmerkelijk moderne vorm en toon heeft. Hoofdpersoon is een jonge vrouw uit Haarlem die aan de vooravond van de Franse revolutie met haar vader, een drukker, en haar doofstomme zusje naar het noorden van Frankrijk trekt. Ze komt daar in aanraking met een gevluchte arts, en samen met hem gaat ze voorstellingen geven. Hun optreden is een combinatie van wetenschappelijke demonstratie, politieke agitatie en volksvermaak. Het werkt daardoor als katalysator in het historisch proces.

Noordervliet verbindt heel knap de persoonlijke geschiedenissen van het meisje en de arts, met ideeën over wetenschap en politiek. Het sympathieke daarbij is dat ze, anders dan Nico Dros, laat zien dat elke vooruitgang zijn keerzijde heeft. En toch is het boek spannend. Het meisje en haar arts raken in de woelingen van de revolutie terecht en alleen met listen en intriges kunnen zij zich staande houden.

Met Eerst grijs dan wit dan blauw, haar eerste roman, heeft Margriet de Moor, zoals al op meer plaatsen is geschreven, de verwachtingen waargemaakt die ze had gewekt met haar in 1988 verschenen debuutbundel Op de rug gezien. De roman is een tamelijk gecompliceerd geheel. Bij de hiervoor besproken boeken was het betrekkelijk eenvoudig aan te geven waar ze over gingen. Er was een klein aantal hoofdpersonen en het tijdsverloop besloeg meestal enkele jaren. Bij Eerst grijs dan wit dan blauw is dat alles veel lastiger. Het is geschreven in de vorm van een vierluik. Er zijn vrij veel personages, twee echtparen met hun familieleden en collega's. Nu eens komt een personage naar voren, dan horen we er heel lang weer niets over. Er is ook een groter tijdsverloop dan in de andere boeken, met herinneringen en flash backs.

Vergeleken met de andere boeken is het thema, ten slotte, diffuser en wat mij betreft interessanter. Eerst grijs dan wit dan blauw gaat over waarneming en kunst, over het geven van een betekenis aan gebeurtenissen, en over de mate waarin dat ons helpt of hindert om met elkaar in contact te komen. In het boek komt een echtpaar voor waarvan de vrouw plotseling, zonder iets te zeggen, voor een paar jaar verdwijnt. De vraag die Margriet de Moor stelt is: hoe staat een man tegenover een vrouw die na jaren afwezigheid bij hem terug komt? Wat ontbreekt er aan zijn kennis, en wat ontbrak er altijd al aan? In hoeverre kunnen wij elkaar kennen?

Over Margriet de Moor schreef ik een paar dagen na het verschijnen van haar roman dat ze nu de AKO-prijs verdiende. Dat is natuurlijk enigszins voorbarig wanneer je niet alle 188 ingezonden boeken gelezen hebt en er nog twee maanden te gaan zijn voor het jaar om is, maar achteraf kan ik zeggen dat mijn voorgevoel terecht was. Van de twee boeken aan de top heb ik een voorkeur voor dat van Margriet de Moor, al is het een moeilijke keus. Nelleke Noordervliet is gedegener en klassieker, De Moor is aangrijpender, grilliger en oorspronkelijker.

Deze laatste drie eigenschappen wegen voor mij het zwaarst.

Mijn voorkeur voor dit jaar:

1. Margriet de Moor: Eerst grijs dan wit dan blauw. Uitg. Contact.

2. Nelleke Noordervliet: Het oog van de engel. Uitg. Meulenhoff.

3. Eric de Kuyper: Grand Hotel Solitude. Uitg. SUN.

4. Jacq Vogelaar: De dood als meisje van acht. Uitg. De Bezige Bij.

5. Nico Dros: Noorderburen. Uitg. G.A. van Oorschot.

6. Joost Zwagerman: Vals Licht. Uitg. De Arbeiderspers.